‘alle liefde is liefde voor denkbeelden’

Herman de Liagre Bohl, Met al mijn bloed heb ik voor u geleefd. Herman Gorter 1864-1927. Uitg. Balans, 559 blz., f85
GRETIG GREEP de veertienjarige Hendrik de Vries naar Gorters Mei, gelokt door tegelijk vluchtige en intense visies, door het betoverende raffinement van de beroemde dichter. Het liep uit op een teleurstelling: ‘Gorter, Gorter!/ 'k Heb uw Meizang willen lezen/ Maar begon al gauw te vrezen/ Dat het, voor mijn dood, niet uit zou wezen./ Korter! Korter! Korter!’

Het was echter niet alleen de lengte van het gedicht die ervoor zorgde dat De Vries geen bewonderaar van Gorter werd. Geharnast in de poetica van Vondel en Bilderdijk vond de eigenzinnige Groningse dichter het werk van Gorter meestal nogal rommelig en inconsequent. Dat Gorter al op de eerste bladzijde klanken laat schudden in de lucht ‘zo rijp als jonge kersen’, vond de jonge De Vries belachelijk. Jonge kersen kunnen immers niet rijp zijn.
Met het klimmen der jaren milder geworden, onderkende De Vries later wel dat Gorter ook schitterende poezie had vervaardigd. Toch bleef hij volhouden dat zijn aanvankelijke kritiek realistischer was dan de Gorter- bigotterie in sommige kringen. Onder de bewonderaars van Gorter waren er namelijk niet weinigen die hem zagen als een van de groten uit de wereldliteratuur, een genie wiens werk niet de erkenning vond die het verdiende omdat het lag opgebaard in de schrijn van een piepklein taalgebied.
DAT DE meningen over een dichter zo ver uiteen lopen is natuurlijk niet echt opmerkelijk, evenmin als het feit dat Hendrik de Vries weinig medestanders had. Opvallend is we`l dat onder de Gorter-bewonderaars een messcherpe scheidslijn loopt. De oude strijdvraag die al tijdens Gorters leven de gemoederen bezig hield, is immers of Gorter na Mei en de sensitivistische Verzen van 1890 nog werk heeft gemaakt dat de moeite waard is.
In 1937 onderscheidde Ter Braak twee partijen die zich bezondigden aan wat hij 'het touwtrekken aan Gorter’ noemde: de 'individualisten’ en de 'collectivisten’. Voor de eerste categorie liefhebbers was Gorter de grote Tachtiger, de man die op jonge leeftijd onvergankelijke meesterwerken had gemaakt, maar die na zijn bekering tot achtereenvolgens het spinozisme en het marxisme als dichter eigenlijk overleden was. Het schrijven van poezie is een hoogst individualistische bezigheid die zich niet verdraagt met het consequent aanhangen van de een of andere ideologie.
De andere groep Gorter-fans was van mening dat in het vroege werk reeds tekenen te zien waren van genialiteit, maar dat de dichter zich nog niet volledig had kunnen ontplooien omdat hij nog belemmerd werd door allerlei burgerlijke opvattingen en inzichten. Pas nadat Gorter socialist was geworden, had hij zijn poetische ketenen kunnen verbreken en was het hem mogelijk geweest om het magistrale Pan te schrijven.
Dat een dergelijk dogmatisch onderscheid vrij onzinnig was, daar waren mensen als Ter Braak en Marsman in de jaren dertig al achter. Ook Jacques de Kadt, die in Groot-Nederland een aantal artikelen schreef, was van mening dat er in het werk uit de socialistische periode prachtige poezie te vinden was, dat zelfs Gorters beste werk juist daar gezocht moest worden. Toch heeft Gorter ook onnoemelijk veel rotzooi geschreven, goedkope propaganda, holle leuzen en onverteerbare retoriek. In de socialistische Verzen van 1903 daarentegen had Gorter volgens De Kadt zijn eerdere werk zelfs overtroffen. Dit kwam doordat hij daarin, alle ideologie ten spijt, zeer individualistisch was geweest. Gorter had immers uitsluitend over zichzelf geschreven. 'Hier lag z'n hoogste mogelijkheid. Anderen uitbeelden kon hij niet of bijna niet’, aldus De Kadt.
HIERMEE heeft De Kadt, geen literatuurwetenschapper maar wel een hartstochtelijk lezer, de spijker op z'n kop geslagen. Het is ook exact het beeld dat oprijst uit de deze week verschijnende Gorter-biografie van De Liagre Bohl, die in 1973 promoveerde op een dissertatie over Gorter als communistisch politicus. Al op pagina 60 van de biografie komen we een zeer onthullende brief tegen, die Gorter schreef aan zijn verloofde in de tijd dat hij aan Mei werkte: 'Laten ze me nu niet op die partijtjes vragen, dat maakt me oud, ik houd niet van zoveel menschen. Ik houd maar van weinig. Het is gek, ik houd van alle menschen bijna, als ik over ze denk, dat komt dan zijn ze mijn eigendom, mijn denkbeeldige menschen, maar in werkelijkheid vervelen ze me vaak. Ach, alle liefde is liefde voor denkbeelden, dat kan niet anders. Het is zoo mooi op de wereld, in elk hoofd een wereld, een beeld van andere dingen.’
Er gaapt in Gorters gedichten een enorme kloof tussen zijn beschrijvingen van de natuur of van zijn eigen gemoedsaandoeningen, en de passages waarin hij bepaalde ideeen verwoordt. Het is het onderscheid tussen lyriek en epiek. Tegenwoordig wordt Gorter over het algemeen beschouwd als een groot lyrisch dichter, terwijl zijn epische werk - zoals Pan, Een klein heldendicht en De arbeidersraad - als veel minder wordt gekwalificeerd. De oude twist tussen 'individualisten’ en 'collectivisten’ lijkt beslist in het voordeel van de eersten.
Ook De Liagre Bohl geeft de voorkeur aan de lyrische Gorter, alleen wijst hij erop dat dat niet wil zeggen dat Gorter na 1890 geen grootse poezie meer heeft geschreven. De lyrische lijn in zijn dichterschap wordt na zijn keuze voor het spinozisme en het marxisme weliswaar minder overheersend, maar ze wordt niet definitief afgebroken. In de Verzen van 1903, in bepaalde delen van de beide versies van Pan, in de postuum uitgegeven bundels Liedjes en verzen, en in de laatste Sonnetten is Gorter een lyricus van groot formaat.
WERD GORTER in zijn dichterschap dus heen en weer geslingerd tussen zijn lyrische aanleg en zijn epische aandrang, ook in zijn persoonlijkheid vochten twee kanten van zijn karakter om voorrang. Zijn vatbaarheid voor heftige gemoedsaandoeningen maakte hem psychisch zeer onevenwichtig en stortte hem dikwijls in een forse depressie. Om deze kant van zichzelf te beschermen, besloot hij na zijn geestelijke crisis van 1890 dat hij voortaan hard en 'mannelijk’ door het leven wilde gaan. Hij kon bijzonder stug, koppig en arrogant zijn. Omdat hij tevens een enorme behoefte aan zekerheden had, werd hij zo het schoolvoorbeeld van de dogmaticus, van de ideologische scherpslijper, die uitsluitend nog denkt in termen van vriend en vijand, van goed en fout.
Gorter behoorde in de socialistische beweging tot die intellectuelen die niet naar de werkelijke verhoudingen en ontwikkelingen keken, maar uitsluitend naar de theorie. Zoals hij in 1887 aan zijn verloofde schreef, hield hij voornamelijk van denkbeeldige mensen. Ook de arbeiders die Gorter vanaf 1897 veelvuldig zou bezingen, waren denkbeeldige wezens; het was een gedroomd proletariaat. Gorter was met ze begaan, stelde zijn enorme werkkracht ter beschikking van hun propaganda, hield van ze - als hij aan hen dacht.
De Liagre Bohl citeert uit de memoires van Van het Reve senior. Deze beschreef hoe hij als jonge textielarbeider Gorter naar een vergaderzaal in Enschede vergezelde. Toen ze langs het deftigste hotel van de stad kwamen, wilde Gorter daar koffie drinken. Van het Reve schrok en stelde voor dat hij buiten zou wachten. Gorter vond dat heel normaal en ging alleen naar binnen.
Was deze afstand tot de arbeiders - die zich ook manifesteerde in Gorters liefde voor sporten als tennis, cricket, zeilen en bergwandelen - er nu de oorzaak van dat Gorter in de politiek steeds meer in een isolement raakte? Kort na zijn toetreden tot de SDAP behoorde hij al tot de oppositie binnen die partij; in de in 1909 opgerichte SDP kwam hij na verloop van tijd ook tegenover de leiding te staan; als communist kwam hij in aanvaring met Lenin; en als zogenaamde radencommunist had Gorter uiteindelijk nog slechts een handjevol geestverwanten over.
Kwam dit nu allemaal door zijn bourgeois-maniertjes? Terecht wijst De Liagre Bohl deze verklaring van de hand, aangezien ook andere socialistische leiders er een levensstijl op na hielden die allesbehalve proletarisch genoemd kon worden. Gorter was gewoon een rechtlijnige schriftgeleerde, die zijn dogma’s nodig had om de werkelijkheid te kunnen blijven overzien.
DE INTELLECTUELE en artistieke ontwikkeling die Gorter doormaakte, van individualistisch estheet via spinozist tot marxist, was in de periode van 1880 tot aan de Eerste Wereldoorlog allesbehalve uniek te noemen. Wel opvallend is de heftigheid waarmee hij de verschillende Weltanschauungen omhelsde en de bijkans devote eerbied die hij koesterde voor zijn achtereenvolgende leermeesters, zoals daar waren Alphons Diepenbrock, Lodewijk van Deyssel, Frank van der Goes, Karl Kautsky en Anton Pannekoek.
Het vinden van een verklaring voor een dergelijke karaktertrek is altijd moeilijk, en De Liagre Bohl houdt het er maar op dat Gorter een trauma heeft overgehouden aan het overlijden van zijn vader. Gorter was toen zes jaar oud en is misschien zijn leven lang op zoek geweest naar een vaderfiguur en naar zekerheden en waarheden die hem een gelijksoortig houvast gaven. Angst voor de dood - als gezondheids- en sportfanaticus had hij zich in onze tijd ook thuis gevoeld - en angst voor de twijfel maakten de gevoelige en emotionele Gorter hard en hoekig. Terwijl hij in de poezie zijn lyrische en epische kant soms kon verbinden, lukte het hem in het persoonlijke leven nauwelijks om een acceptabele middenweg te bewandelen. Dat blijkt ook uit de manier waarop hij met zijn vrouw en zijn minnaressen omsprong. Op dit vlak leek de hypergevoelige poeet verdomd veel op een egoistisch, verwend moedersjongetje.
HET BOEK VAN De Liagre Bohl is de eerste serieuze biografie van Gorter en is dus buitengewoon welkom. Het is een zeer overzichtelijke en verantwoorde levensbeschrijving geworden. Belangrijk is vooral dat de schrijver keuzen heeft durven maken - en dus niet alles wat over Gorter bekend is op ons bord heeft geschoven - en dat de aandacht voor Gorters poezie en voor zijn politieke activiteiten keurig in balans is. Af en toe heeft het boek iets weg van een invuloefening, waarbij we steeds een stuk algemene informatie over een bepaalde periode of stroming krijgen, waarna Gorters positie netjes wordt ingevuld.
Van wijlen Johan Polak werd wel gezegd dat hij als schrijver het sterkst was in zijn citaten. Voor De Liagre Bohl geldt dit eigenlijk ook. Het kan zijn dat hij het wijselijk achtte om de concurrentie met Gorter niet aan te gaan. In ieder geval is zijn stijl betrekkelijk kleurloos. De meest opmerkelijke passages, de zinnen die je bijblijven - het zijn allemaal citaten of parafrasen. Gorters leven en zijn persoonlijkheid waren zo interessant dat de lezer heus wel geboeid blijft, maar echt meeslepend is het boek vrijwel nergens. Twee episoden springen er weliswaar uit: de reis naar Rusland in 1920 en de dood van Gorter, maar ook hier parafraseert De Liagre Bohl twee ooggetuigeverslagen.
Als we deze biografie van Gorter vergelijken met het boek dat Hans Goedkoop onlangs schreef over Herman Heijermans (overigens komen diens aanvaringen met Gorter spijtig genoeg niet aan de orde in de studie van De Liagre Bohl), dan is het verschil zeer opvallend. De biografie van Heijermans tintelt, klopt en bruist van het leven. Heijermans, evenals Gorter een allesbehalve gemakkelijk type, staat steeds pal voor je neus. Je ziet hem ploeteren, je bent verheugd over z'n successen en zijn mislukkingen grijpen je aan. Soms wil je hem een schouderklopje geven of juist vierkant op z'n bek slaan. In ieder geval voel je je intens betrokken bij deze man.
In het boek van De Liagre Bohl blijft Gorter altijd op een afstand. Hij irriteert soms, wekt soms ook bewondering, maar hij blijft een vreemde, iemand waarin we ons nauwelijks kunnen verplaatsen. We blijven tegen de buitenkant van Gorter aankijken, terwijl Goedkoop ons de illusie biedt dat we in de huid van Heijermans kunnen kruipen. Toegegeven, het is een illusie, maar het zorgt er wel voor dat we door de figuur gegrepen worden. Bij Gorter lukt dat niet.
Ligt dat aan het onderwerp? Heijermans en Gorter waren tijdgenoten, schrijvers en socialisten - dus daar kan het niet aan liggen. Ligt het aan de personen? Beiden waren gedreven, om niet te zeggen monomane types, die zich bij het nastreven van hun idealen en ambities niet al te druk maakten om de schade die ze aanrichtten. Ligt het aan het materiaal? Een blik op de notenapparaten van beide boeken maakt duidelijk dat Goedkoop en De Liagre Bohl ongeveer gelijkelijk bedeeld waren. Het verschil tussen deze twee biografieen zit duidelijk in de stijl. En dat maakt dus zeer veel uit.