J. Ellis Bonham, William Bonnell, 1825 © Art Institute of Chicago

Marita Mathijsens langverwachte studie naar de negentiende-eeuwse lezer heb ik van de eerste tot de laatste pagina gelezen met een gevoel dat het midden houdt tussen plezier en verwarring. Plezier omdat het boek vol staat met interessante details, belangrijke wetenswaardigheden, creatieve draaien en fraaie zinnen. Maar ook verwarring omdat het boek tevens op een paar ongemakkelijkheden stoelt.

Maar per se nadelig is dat niet.

Voorop toch staat de plezierige kant en die kan niet anders dan beginnen met de erkenning dat de negentiende eeuw voor degenen die, zoals ik, opgroeiden in de tweede helft van de twintigste eeuw zonder twijfel de meest fascinerende aller eeuwen is en wel omdat hij het bekende voortdurend paart aan het onbekende. Enerzijds is de negentiende eeuw behoorlijk modern, heel anders bijvoorbeeld dan de achttiende en voorgaande eeuwen, die veelal als een ver land zijn. De belangrijkste verklaring hiervoor zijn vermoedelijk de vele politieke en industriële revoluties die het (westerse) leven sinds ongeveer 1800 in een ongekende stroomversnelling hebben gebracht en tot op de dag van vandaag doorgaan. Ze maken dat de negentiende eeuw steeds weer een beetje als ‘thuis’ voelt. Anderzijds is dit huis ook vreemd: alle meubels staan anders. De kleuren wijken af. De taal van de bewoners is raar. Hun moraal loodzwaar. Je herkent alles, maar het verrast eveneens.

De ambivalentie van de negentiende eeuw is tot op grote hoogte het uitgangspunt van Mathijsens L: De lezer van de 19de eeuw. Een enkele keer zegt ze dit ook met zoveel woorden: dat de schrijvers en de lezers van de negentiende eeuw op ons lijken. Natuurlijk, er zijn verschillen, vele zelfs, grote ook, maar toch: de negentiende eeuw is een wonderlijk thuis.

Deze ambivalentie maakt mede dat Mathijsen in dit boek een ongebruikelijke en gedurfde stijlfiguur durft te introduceren: tientallen keren kruipt ze in de huid van L, is ze L, vertelt ze over L of probeert ze ons, de lezers van haar boek, L te laten zijn. Via zijn type liegt Mathijsen de waarheid. Dat is meestal mooi, maar vaak ongemakkelijk. Want wie is L nu: Mathijsen zelf, de lezer van toen (maar dan wel telkens in een andere gedaante), de lezer van nu of alles en iedereen tegelijk?

Het plezierig ongemak van L’s permanente aanwezigheid wordt nog versterkt doordat L (het boek, niet het typetje) in de eerste plaats – Mathijsen is emeritus moderne letterkunde van de UvA – een serieuze geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw wil zijn. Dit met de kanttekening dat het verhaal niet, zoals gebruikelijk, de klemtoon op de productie (schrijvers en uitgevers) maar op de consumptie wil leggen. Of dat helemaal slaagt, is een tweede. Mathijsen schrijft niet over hoe de tekst ontstond, wat ermee wordt bedoeld of wat de context ervan is, maar wat zo’n tekst voor de lezer ‘betekent’. Deze vraag is verre van nieuw. Voorheen kenden we iets wat veelal Rezeptionsforschung werd genoemd – receptiegeschiedenis. Het Nederlands taalgebied heeft wat dat betreft al een aardig rijtje spraakmakende boeken opgeleverd, van Mathijsens tijdgenoot Joost Kloek over Goethe’s Werther onder meer, en recentelijker van Boudien de Vries over lezers in Haarlem. Maar al met al is de Nederlandse lezersgeschiedenis, meer dan in de omringende landen, denk ik, onontgonnen terrein. Het maakt L des te waardevoller.

Eenvoudig te schrijven is zo’n lezersgeschiedenis niet. Mathijsen stelt nadrukkelijk dat het materiaal waarop haar studie gebaseerd is moeizaam bij elkaar werd gesprokkeld. ‘Oplagecijfers zijn er nauwelijks’, schrijft ze, ‘toptienen zijn er niet, herdrukken staan niet altijd geboekstaafd, uitleencijfers zijn onbekend.’

Maar hoe kun je dan achterhalen wat ‘men’ las, vraag je je af. Hoe weet Mathijsen wat ze weet? Het meest eerlijke antwoord – en Mathijsen zegt dat impliciet ook met zoveel woorden – is: door veel te lezen, je goed in te beelden, combineren, afleiden, interpreteren, klassieke hermeneutiek, om het in wetenschappelijke termen te zeggen. Er komt bij dat ‘de’ lezer een veelkoppig wezen is, veelkoppiger nog dan Mathijsen doet voorkomen. Om een voorbeeld uit eigen koker te geven: het afgelopen jaar heb ik me intensief beziggehouden met de laatnegentiende-, begin twintigste-eeuwse journalistiek, in het bijzonder met de gebruikers van de eerste massamedia. Ook zij waren lezers, maar dan van tijdschriften en, vooral, kranten. Daarvan zijn wel oplagecijfers bekend. Die wijzen erop dat het aantal krantenlezers dat van boekenlezers vanaf het einde van de negentiende eeuw in aantal ver overtreft. ‘De’ lezer, zo zou je dan ook mogen stellen, is vanaf dat moment eerst en vooral een consument van teksten die in dagelijkse of meerwekelijkse oplage verschijnen, geen ontwikkelde boekenlezer als de L van Mathijsen.

Niet dat die doorsneelezer geen ‘literatuur’ las. Dat deed hij wel, graag zelfs en bijna dagelijks: zo goed als alle kranten publiceerden destijds vervolgverhalen, feuilletons. Soms waren dat dezelfde teksten die ook in boekvorm verschenen en L dus eveneens in handen konden vallen. Maar vaker waren het andere teksten, nog doktersromanniger om het zo maar eens te zeggen: slappe kost die goed was voor één dag, daarna kon de groente erin.

De lezer die Mathijsen voor ogen heeft, is iemand als zijzelf, plus u en ik: mensen die van boeken houden, zich dergelijk duur spul kunnen veroorloven, leeservaring hebben en ook nog eens de rust, het licht (elektriciteit!) en een plek hebben om zich met een boekje in een hoekje te nestelen. Deze groep omvatte een jaar of 150 geleden maximaal, zeg, tien procent van de bevolking. Trek van dit percentage de doeners of niet-lezers, vermoedelijk een meerderheid, af en er resteren grof geschat niet meer dan tweehonderdduizend mensen. Over hen gaat L.

Men las eind negentiende eeuw niet wat later gezegd werd dat men las: de Tachtigers. Juist niet; men las het werk waar de vernieuwers zich tegen afzetten

Toch is ook dit eigenlijk al te veel gezegd over het lezersverhaal dat L wil zijn. Want mede vanwege het gebrek aan materiaal en vermoedelijk ook vanwege een terechte inschatting van wat ons, 21ste-eeuwers, van de negentiende-eeuwse cultuur bekend is, geeft Mathijsen veel context. In ieder geval heeft ze alle chronologisch geordende hoofdstukken op min of meer dezelfde wijze opgebouwd. Ze beginnen steevast met een stukje politieke geschiedenis of maatschappijgeschiedenis, beschrijven vervolgens de relatie van die geschiedenis of een speciaal onderwerp daaruit (cholera bijvoorbeeld; religie, emancipatie) met de literatuur, geven een schets van het literaire landschap en komen dan pas toe aan het eigenlijke onderwerp: de lezer.

Hier moet aan worden toegevoegd dat die lezer, L, in fictieve tussenstukjes steeds weer de gelegenheid krijgt op een en ander commentaar te leveren en in de lopende tekst voortdurend genoemd wordt. Hij of zij is dus wel permanent aanwezig, net als de (literatuur)historica.

Hiermee speelt Mathijsen in dit boek dus een dubbelrol: wetenschapper en auctoriële verteller én fictieve ik-persoon. Dat is leuk en, omdat weinigen de negentiende eeuw zo goed kennen als zij, buitengewoon informatief. Maar het is ook verwarrend, temeer omdat L een joker is: hij wordt voor alles ingezet. Tegelijkertijd is het duidelijk dat het niet of nauwelijks anders kan en, gezien de vakrichting waartoe Mathijsen behoort, ook niet anders had gemoeten. Om wat betreft dit laatste nogmaals naar de krantenlezer te verwijzen: hoewel er van deze dus wel wat cijfers bekend zijn, is dat ook het enige. Bijna geen mens beschreef destijds zo’n onbenulligheid als het lezen van kranten.

Nee, dan boeken, literatuur, kunst: daarover is, zij het dus veelal vanuit het standpunt van de schrijver, veel en veel meer bekend. Uiteindelijk stoelt Mathijsens studie op deze kennis. Het kan niet anders. De lezer is en blijft ook in dit boek uiteindelijk een schim van de schrijver.

Ook wat dat betreft heeft Mathijsen een verrassing in petto. Ze beklemtoont in L veelal andere teksten dan in de traditionele literatuurgeschiedenis te doen gebruikelijk. Dit komt het sterkst tot uiting aan het eind. ‘Perk! Kloos! Gorter! Couperus!’ roept zij in de opening van een hoofdstukje over het laatnegentiende-eeuwse literaire circuit. ‘Wie in literatuurgeschiedenissen leest over de laatste decennia van de negentiende eeuw, wordt gebombardeerd met de namen van de Tachtigers die de Nederlandse literatuur voorgoed verlost zouden hebben van de huiselijkheid en de kleinschaligheid en het nationalisme waar de vroegere schrijvers zo aan leden.’

Vervolgens komt de aap uit de mouw: ‘Maar zo ervoeren de tijdgenoten van de Tachtigers het optreden van deze jonge gasten niet.’ Wat volgt is een paragraaf die doet denken aan wat veel later, overigens wél op basis van harde cijfers, bekend werd over de literatuur van kort na de Tweede Wereldoorlog. Terwijl deze in de geschiedschrijving steevast geassocieerd wordt met namen als die van Hermans, Mulisch, Reve en Claus, tonen die cijfers dat deze auteurs zo weinig gelezen werden dat de aandacht voor hen onmeetbaar was – nul procent. Idem dito wat betreft het eind van de negentiende eeuw: men las volgens Mathijsen niet wat later gezegd werd dat men las, juist niet; men las het werk waar de vernieuwers zich tegen afzetten!

Fijn dus dat Mathijsen die gefnuikte en vergeten boeken vervolgens in de schijnwerpers zet. In dit geval is dat onder meer Een liefde in het zuiden van Fiore della Neve, pseudoniem van advocaat M.G.L. van Loghem. Wel ’s van gehoord? Ik tot op heden dus niet, nu wel.

Zo is er veel, en dat niet alleen met betrekking tot auteursnamen en boektitels. Genres bijvoorbeeld. De toenmalige populariteit van de historische roman, Walter Scott voorop, is genoegzaam bekend. Een verklaring hiervoor is niet eenvoudig te geven. Mathijsen doet dat ook niet. Tegelijkertijd laat ze steeds weer de enorme betekenis ervan zien. Opvallend groot is het aantal titels in dit genre dat nog altijd tot de canon behoort: De lotgevallen van Ferdinand Huyck en De roos van Dekama van Jacob van Lennep onder meer, De schaapherder van Jan Frederik Oltmans, Het huis Lauernesse van Geertruida (Bosboom) Toussaint. Of ze tegenwoordig nog echt gelezen worden weet ik niet. Wat ik wel weet is dat iedereen deze titels weleens is tegengekomen, is het niet in de schoolbanken dan wel in een bibliotheek of boekhandel.

Grappig, gezien de huidige leesclub- en podcastmode, is het hoofdstukje Luisteren naar literatuur. Het vertelt over de enorme hoeveelheid rederijkerskamers of voordrachtsverenigingen die Nederland halverwege de negentiende eeuw gekend heeft. Dergelijke ‘kamers’ associëren wij gewoonlijk met de Middeleeuwen of vroegmoderne tijd. Ten onrechte. Tussen 1848 en 1868 kende Nederland er maar liefst een stuk of vijfhonderd. Er verschenen dan ook heel wat boekjes met teksten die geschikt waren om voor te dragen. Literatuur was dus ook een manier om te socializen – of jezelf even een ster te wanen.

Een ander thema dat Mathijsen voortdurend aanroert is smaakverandering. Kleinburgerlijke keutelliteratuur en religieus diepmoralisme maakten plaats voor romantiek, realisme en zelfs – wat destijds gezien werd als – sensationeel amoralisme (Een liefde van Lodewijk van Deyssel bijvoorbeeld). Fascinerend hierbij zijn twee zaken. De ene is dat smaken niet zozeer lineair als circulair zijn: ze volgen elkaar niet op, ze draaien om elkaar heen. De andere is dat het spel tussen schrijver en lezer zoiets is als dat tussen kip en ei. Het is vaak onmogelijk te zeggen waar de smaakverandering begint. Bij de fantasie van de enkeling of bij het verlangen van een groep?

Aldus loopt L uit op zoiets als een literaire snoepwinkel. Je moet er weliswaar een beetje je eigen weg in zoeken, maar de inspanning wordt beloond. Tegelijkertijd is de conclusie onvermijdelijk: de negentiende-eeuwse lezer is zoals u en ik maar dan anders; lezen over L is als dwalen door een spiegellabyrint.