Alle moderne kunst is nep

Diederik Kraaijpoel, Was Pollock kleurenblind? Uitgeverij L.J. Veen 345,-
Soms wordt de kunstwereld verblijd met een geheel nieuwe blik op de kunstgeschiedenis. Zo liet een achterneef van Claude Monet onlangs weten dat hij lijdt aan dezelfde oogziekte als zijn beroemde voorvader - een gegeven dat volgens hem een volstrekt andere kijk gaf op de stijl van deze beroemde impressionist. In dit bericht klonk de echo van de verklaring die enkele artsen hadden gevonden voor de waan van Van Gogh, wiens geest zou zijn getroebleerd door een verwaarloosde binnenoorontsteking.

Het nieuwe boek van Diederik Kraaijpoel, Was Pollock kleurenblind?, heeft met dergelijke quasi-medische explicaties niets te maken. ‘Bouwstenen voor de herschrijving van de recente kunstgeschiedenis’, zo klinkt het nogal plechtig. Waaruit bestaat nu zijn 'herschrijving van de recente kunstgeschiedenis’? Heel eenvoudig gezegd komt dat neer op een poging om de geprivilegieerde positie van de kunst van het modernisme (kubisme, expressionisme, dada, abstracte kunst) in de kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw ter discussie te stellen. Kraaijpoels stellingname is verbluffend eenvoudig: vanaf 1925, kort gezegd ná de volstrekt abstracte kunst van Kandinsky en Malevich en de vondst van de ready-mades door Duchamp, is er in de moderne kunst - op enkele uitzonderingen na - niets nieuws meer gebeurd. Met genoemde kunstenaars waren de grenzen van de reductie wel bereikt.
Desondanks heeft de gehele kunstwereld - kunstenaars, museumdirecteuren, critici, leraren aan kunstopleidingen - in toenemende mate de principes omarmd van de abstracte en conceptuele kunst. Het idee van de elkaar opvolgende avant-gardestromingen heeft daarnaast bijgedragen aan het idee dat kunst zich steeds opnieuw moet vernieuwen. De kunst van het modernisme is in 'de westerse democratieën’ bijkans 'tot staatskunst verheven’, en dat is ten koste gegaan van kunst die steunt op een traditionele basis, op kennis van materialen en technieken, die teruggaan op principes die stammen uit de renaissance.
Tot zover nauwelijks een onvertogen woord. Kraaijpoel heeft in zekere zin zelfs gelijk. Sommige hedendaagse kunstenaars worstelen overduidelijk met het axioma dat er steeds maar iets nieuws moet worden verzonnen. En je zult maar een jong post-postmodernistisch kunstenaar zijn en zien wat Wim T. Schippers op negentienjarige leeftijd al wist te verzinnen.
Kraaijpoels betoogtrant is echter even ongenuanceerd als de toon die hij aanslaat. Dat 'museumdirecteuren en critici’ er vanaf de jaren zestig in zijn geslaagd het geloof te verbreiden 'dat de moderne kunst de enige kunst van deze tijd was’, is, aldus Kraaijpoel, 'omdat ze de wind van de Koude Oorlog mee hadden’. En die onaantastbare positie van de kunst van het modernisme valt met geen mogelijkheid ter discussie te stellen, want in Nederland heerst 'een monocultuur, waarin geen verscheidenheid van meningen, maar slechts morele kwalificatie bestaat. Er is een indeling in kunstenaars die goed en die fout zijn. Abstracte, conceptuele, experimentele kunstenaars zijn progressief en zitten aan de goede kant. Wie daarentegen een grasspriet etst of een portret schildert, zit fout.’ Oudere lezers moet deze voortdurende keuze tussen goed of fout bekend voorkomen, stelt Kraaijpoel, zij 'stamt immers uit de Tweede Wereldoorlog’: 'De privé-smaak van Adolf Hitler heeft tot gevolg gehad, dat na de ineenstorting van het Derde Rijk de renaissancekunst besmet was. Er was een gaslucht aan gekomen. De voorkeur van Stalin op kunstgebied heeft deze benadering nog versterkt.’
Ook voor de kunstopleidingen van tegenwoordig heeft Kraaijpoel geen goed woord over. Daar is ouderwetse vakkennis, zoals tekenen en schilderen naar de waarneming, ten koste gegaan van nieuwe media als fotografie, film en video. Het gevolg is dat 'de jongens en de meisjes’ tegenwoordig weinig meer kunnen dan 'met de camera dingen vastleggen, of bestaande objecten tot ready-made benoemen, of handgeschilderde fotomontages maken, of vormen afgieten en ze desgewenst met de computer wat bijwerken’.
Kraaijpoel haakt in zijn betoog gretig in op de tendens die er in recente publikaties te zien is, waarin wordt geprobeerd het belang van de kunst van negentiende-eeuwse 'avantgardisten’ als Courbet, Manet en de impressionisten te nuanceren en die van de toen veel succesvoller (Salon-)schilders te revalueren, zoals Mariëtte Haveman dat doet. Kraaijpoel sluit zich van harte aan bij haar pleidooi en haakt daarop in om het belang van de kunst van het modernisme voor de twintigste eeuw te ondergraven.
In het tweede deel van zijn boek doet hij verwoede pogingen om de vakmatige kwaliteiten van een kunstwerk (kundig handwerk, gebaseerd op kennis van de traditie of imitatio, een 'natuurlijk’ streven naar harmonie en eenheid) af te zetten tegen de kunst van het modernisme, die het - volgens hem - eerder moet hebben van interpretatie en metacommentaar dan van zichtbare kwaliteiten. Helaas bestaat Kraaijpoels argumentatie uit ongenuanceerde kretologie: kunst is verzand in al dan niet ironische vrijblijvendheid; critici zoeken slechts naar verklaringen over de 'inhoud’ van een kunstwerk en letten niet op kwaliteit; museumdirecteuren verzamelen allen werk van dezelfde kunstenaars.
Kraaijpoel spreekt zichzelf ook tegen. Zijn pleidooi voor meer 'realisme’ en minder 'conceptualisme’ berust op de aanname dat kunst die berust op een andere basis dan het 'kunnen tekenen’ geen kunst is. Hij wil helemaal geen discussie en pleit ook niet, zoals hij zelf stelt, voor 'meerdere stijlen naast elkaar’. Er heeft immers - Kraaijpoel erkent het zelf - nog nooit zo'n stilistische en inhoudelijke diversiteit in de kunst bestaan? Vanwaar dan die merkwaardige neiging tot elimineren van een groot deel van de hedendaagse foto-, video- en installatie-kunst? Dat waar Kraaijpoel zichzelf (en waarschijnlijk niemand anders) naar toe praat, heeft niets te maken met een herwaardering van de traditionele kunst, eerder met een herschrijving van de kunstgeschiedenis waarin alles wat zweemt naar abstractie, naar ironie en naar maatschappelijke of intellectuele reflectie buiten de deur wordt gehouden. Was Pollock kleurenblind? is een warrige, querulanteske en paranoïde getoonzette oproep tot een nieuwe retour à l'ordre. 'Wordt vervolgd’, staat er aan het einde van dit boek. De lezer zij gewaarschuwd!