Introspectie en zelfkritiek op de Architectuurbiënnale

Alle regels het raam uit

Op de Architectuurbiënnale in Venetië maakt de sterrencultus rond architecten plaats voor ­gemeenschapszin en burgerinitiatief. ‘Als architecten er nog toe willen doen, moeten ze kijken wat er écht in de stad gebeurt.’

Medium amerikaans paviljoen

Het geld is op, er wordt – zeker in het Westen – nauwelijks gebouwd. De architectuur is in vertwijfeling geraakt. Alles is dan ook anders dit jaar op de dertiende editie van de Architectuurbiënnale in Venetië, de grootste internationale bijeenkomst in deze discipline. Nooit eerder heeft de biënnale zo’n sterke politieke en sociale insteek gehad; nooit eerder is er hier, in het hart van het vak, zo’n sterk mea culpa uitgesproken. Sterker nog, aan veel van de projecten die worden getoond komt geen architect te pas.

De gastcurator van dit jaar, de Engelse architect David Chipperfield, heeft gekozen voor het thema Common Ground. Dat is natuurlijk voor velerlei interpretaties vatbaar, maar hij lijkt daarmee te willen zoeken naar verbindingen tussen architectuur en de rest van de wereld. Hij liet er op de openingspersconferentie geen misverstand over bestaan dat het vak het vertrouwen van de samenleving heeft verspeeld. ‘Alle goede architecten geloven oprecht dat ze een bijdrage aan de maatschappij leveren’, zei hij, ‘maar die maatschappij is wantrouwig. Die ziet hen als self-promoting, autobiographical animals.’

Medium omabiennale

Tijdens een debat met de toepasselijke titel Een betere wereld noemde Rahul Mehrotra, stedenbouwkundige uit Mumbai en professor aan de Harvard Graduate School of Design, nog een andere reden voor deze déconfiture: ‘Impatient capital is running the world and architecture has become a slave to it.’

Op het ogenblik is er sowieso niet veel kapitaal in omloop, ongeduldig of anderszins. De biënnale laat zien hoe burgers het initiatief naar zich toe trekken, buiten de professionals om. Het Amerikaanse paviljoen is zelfs geheel gevuld met liefst 124 voorbeelden van wat de samenstellers ‘spontane interventies’ noemen, oftewel voorbeelden van ‘micro-urbanism’. Allemaal hangen ze aan het plafond als een soort rolgordijnen die je naar beneden kunt trekken om de foto’s en korte beschrijvingen te bekijken. Die variëren van semi-ludieke ideeën, zoals een fietslampje dat groene lichtstrepen naast je fiets projecteert waardoor je altijd je eigen fietspad bij je hebt, tot tijdelijk gebruik van lege ruimte, bijvoorbeeld de vestiging van een museumdependance en een café in containers op de lege strook waar tot voor kort een stuk snelweg lag. Sommige zijn uitgesproken politiek gemotiveerd, zoals Chair-bombing door DoTank: uit protest tegen een wet die het lanterfanten in de publieke ruimte verbiedt heeft dit bureau stoelen van oude pallets gemaakt en ze demonstratief op straat neergezet. Waarom zo veel? ‘We willen laten zien dat dit geen incidenten zijn, maar een beweging’, zegt David van der Leer van het Guggenheim Museum, een van de drie curatoren.

Ook het project van de Urban-Think Tank uit Venezuela bejubelt architectuur zonder architecten. Midden in de Arsenale, het voormalige wapendepot van Venetië, hebben Hubert Klumpner en Alfredo Brillembourg een Zuid-Amerikaans café opgetrokken met een barretje, harde muziek en slordig gemetselde muren. Net zo’n café als je vindt in Torre David, een 45 verdiepingen hoge wolken­krabber in het centrum van Caracas. Het moest een bankgebouw ­worden, maar midden jaren negentig viel de bouw halverwege stil. Inmiddels hebben 750 arme gezinnen bezit genomen van het karkas – zonder lift, water, of elektra. Op de vloeren van deze vertical slum trekken ze kamers op van baksteen of doek, maken ze cafés en ­sportscholen en winkels. ‘Dit is pas common ground!’ roept de onstuitbare Klumpner. ‘Torre David is een ­laboratorium van wat vandaag de dag ­relevant is in de architectuur en stedenbouw. Als ­architecten er nog toe willen doen moeten ze de oude regels en voorschriften uit het raam gooien en gaan kijken wat er écht in de stad gebeurt.’

De sterrencultus in de architectuur en de bouw van dure iconen als musea en kantoren heeft al langer zijn glans verloren. Zelfs Lord Norman Foster, iconenbouwer bij uitstek, heeft ervoor gekozen zich niet op de pure bouwkunst toe te leggen, maar op de ervaring die een gebouw of een stad kan bieden. In een verduisterde ruimte met dikke bakstenen zuilen laat hij een intense reeks beelden op alle vier de muren voorbij flitsen met dito soundscape. Het zijn allemaal beelden van gezamenlijke belevenissen: kolkende menigtes rond de Ka’aba in Mekka, samen juichen bij een goal in het stadion, zich samen verzetten tegen de politie bij rellen.

Collega_-‘starchitect’_ Rem Koolhaas keert zich juist af van de roem en laat vijftien gebouwen zien van anonieme bureaucraten. En wat blijkt: daar zitten heel wat beeldbepalende gebouwen uit de jaren zestig en zeventig bij, zoals het Wibauthuis in Amsterdam, de Akademie der Künste in Berlijn, de Hayward Gallery in Londen. Allemaal producten – meesterwerken zelfs, volgens Koolhaas’ architectenbureau Office for Metropolitan Architecture (oma) – van wat oma-partner Reinier de Graaf noemt ‘een korte, fragiele periode van naïef optimisme, voordat de harde heerschappij van de markteconomie de gemene deler werd’. Dit is geen bureau dat in nostalgie grossiert, maar voor de biënnale heeft het toch gekozen om terug te kijken naar een tijd, die niet eens zo ver achter ons ligt, toen de overheid zich met markante publieke gebouwen bewees als hoeder van de publieke zaak. ‘In het tijdperk van de starchitect is het bijna ondenkbaar dat je je eigen praktijk opgeeft ten gunste van een gedeelde ideologie’, zegt De Graaf. ‘Maar te oordelen naar het aantal architecten dat daarvoor heeft gekozen was het dienen van de publieke zaak veertig jaar geleden een krachtige bron van inspiratie.’ En kennelijk nog steeds.

Idealen – je komt ze nu overal tegen in Venetië, ook op het onderdeel van het Rotterdamse bureau Crimson, The Banality of Good, over zes decennia bouwen aan new towns. Ze hebben er uit honderden zes gekozen, in landen variërend van China tot Ghana, van Brazilië tot Nederland. ‘Architectuur is naar mijn idee veel te veel verbannen naar het getto van het unieke’, zegt Wouter Vanstiphout, mede-oprichter van Crimson. ‘Maar met een al te verheven definitie van het vak kom je er niet in deze nieuwe steden. De uitdaging van new towns is juist het ontwerpen voor het alledaagse leven van honderden miljoenen mensen. Er worden nog net zo veel new towns gebouwd als na de oorlog, en vaak vele malen groter dan toen.’ Van ieder van de zes steden heeft Crimson een paneel als een uitklapbaar altaarstuk gemaakt: de droom aan de voorkant, de banale realiteit van later, en de melancholie, aan de achterkant.

Medium 3 alvarosizavieira

De biënnale is en zal voorlopig een euro­centrische uitstalling blijven, met opvallend weinig présence van de plekken op de wereld waar wél wordt gebouwd, zoals India en China – wat Rahul Mehrotra uit Mumbai the majority world noemt. China heeft alleen een klein achteraf-paviljoen met daarin drie kunstwerken; India is helemaal niet vertegenwoordigd. Koeweit is er voor het eerst dit jaar, met een mooie lege zaal met kussens langs de randen en een vloer die geplaveid is met afbeeldingen van eindeloze hoeveelheden masterplannen voor het land. Er hangt een ring van luidsprekers waar je onder kunt staan om gesprekken te beluisteren die op allerlei plekken in het land en in de samenleving zijn opgenomen: een kerk, een moskee, een cricketwedstrijd, de markt, een bijeenkomst van schrijvers, op kantoor bij het ministerie van Publieke Werken. De curator heeft zich goed gerealiseerd dat het bij deze tijd paste om van al die ontmoetingen de hoofdmoot te maken.

Al met al is deze editie van de biënnale een moedige poging tot introspectie en zelfkritiek. Maar onderweg naar buiten vraag je je ook af of het niet allemaal te lief, naïef en politiek correct is, en of de pendule niet doorzwaait naar een utopisch gezellig-samen-de-wereld-beter-maken. In zijn blog op archdaily.com verwijt de Nederlandse architect Jaakko van ’t Spijker de biënnale dat die wel veel vragen opwerpt, maar de antwoorden uit de weg gaat.

De huidige _small is beautiful-_houding en de afkeer van de professionals is een reactie, en daarin schuilt tevens iets reactionairs. Ironisch genoeg heerst die retro-beweging al een aantal jaar in de architectuur zelf, kijk maar naar de nep-jaren-dertigwijken en de ‘borgen’, de ‘grachtenpanden’ en de ‘kastelen’ die overal uit de grond schieten. Toch heeft die knieval voor de nostalgie de huidige geloofscrisis niet kunnen afwenden.

De vraag naar de toekomst van de architectuur wordt met deze biënnale alleen maar prangender. Zal er nog ruimte zijn voor grote ideeën, voor duurzame technologische vernieuwing? Is er nog ruimte voor schoonheid? Ja, die is er. In de tuinen van de Arsenale, bijvoorbeeld, waar de Portugese architect Alvaro Siza een folly heeft opgetrokken van simpele roodgeschilderde houten wanden die rond drie bomen meanderen. Een functieloos maar fundamenteel statement over wat architectuur is: ruimte maken waar voorheen open ruimte was. Het Poolse paviljoen is grijs geschilderd en leeg; je ziet niets, je hoort alleen het versterkte geluid uit de omgeving. Ook het Nederlandse paviljoen is leeg, op het bewegende gordijn na van Petra Blaisse. Om de paar minuten verschuift het en deelt het daardoor de lege ruimte opnieuw in. Een antwoord op de prangende sociale vragen van deze tijd is het niet; een reflectie op ruimte en onze beleving daarvan is het wel. En ook dat is, nog steeds, architectuur.


De Architectuurbiënnale is t/m 25 november in Venetië te zien


Beelden: www.labiennale.org