FILM Pièce Unique

Alle registers open

Van de titels in het Filmmuseum-programma Pièce Unique: Hommage aan invloedrijke regisseurs-van-één-film springt vooral het ongewone, gewaagde Phase IV (1974) van grafisch ontwerper Saul Bass (1920-1996) in het oog. Bass werd beroemd door zijn strak gestileerde titelsequenties van films van Martin Scorsese (Casino, 1996), Otto Preminger (The Man with the Golden Arm, 1955) en vooral Alfred Hitchcock (Vertigo, 1958, North by Northwest, 1959, Psycho, 1960). In zijn ontwerpen staan lijnen en bewegende typografie centraal, vaak als vloeiende overgangen naar elementen in het echte verhaal, bijvoorbeeld een oog van een personage (Vertigo) of de lijnen van het gebouw van de Verenigde Naties in New York (North by Northwest). Ironisch genoeg heeft de enige film die Bass zelf regisseerde, Phase IV, geen titelsequentie. Dat hoeft ook niet, want het werk bevat al in bijna ieder beeld de grafische handtekening van Saul Bass, waarbij lijn en figuur en vorm doorgaans thematisch relevant zijn. Dat máákt de film.
Phase IV valt in de categorie ‘psychedelische jaren-zeventigsciencefiction’ met een vleugje filosofie en engagement: films als THX 138 (1971) en Silent Running (1972) en even daarvoor Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey (1968). Bass’ script, het moet gezegd, is bizar: de teksten zijn houterig en de acteurs zijn zo slecht dat ze weer goed worden. En toch heeft de film een unieke kwaliteit waardoor je hem keer op keer wilt zien. Misschien is juist dat het geheim van regisseurs-van-één-film: cineasten die in één keer alle registers opentrekken, geen grenzen respecteren en vooral niet denken aan ‘goede smaak’ of ‘reactie van critici’.
Dat doet Bass met Phase IV. Zijn film begint met vervreemdende beelden in de ruimte en een stem die een kosmisch event aankondigt. Een wetenschapper, Hobbs, ontdekt dan vreemd gedrag bij mieren in de woestijn in Arizona. Met een collega, James, zet hij er een onderzoeksstation op. Een aantal incidenten leidt tot een crisis: een kolonie mieren valt een boerderij aan en ‘vermoordt’ drie mensen, waarna Kendra, een mooie jonge vrouw, haar toevlucht zoekt bij het station van de wetenschappers. Snel wordt duidelijk dat de mieren inmiddels kunnen communiceren en complexe structuren in de woestijn kunnen opzetten. En ze hebben het gemunt op Kendra, Hobbs en James. Misschien wel op de hele mensheid.
In de handen van een doorgewinterde regisseur zou dit gegeven hebben geresulteerd in een exploitatiefilm, subgenre: ‘de natuur neemt wraak’ (genietbare nonsens als Kingdom of the Spiders of Empire of the Ants). Maar Bass maakt pulp tot kunst, tot ‘design’: een shot uit de lucht van kriskrassende woestijnwegen die een raster vormen, geometrische lijnen die James op een vel papier trekt in een poging een gemeenschappelijke, wiskundige taal te vinden om met de aanvallers te communiceren. Verbijsterend zijn de scènes waarin de mieren de elektronische apparatuur van het onderzoeksstation binnendringen, en Bass’ camera hen hierbij volgt, waardoor de omgeving van het moederbord even belangrijk wordt als de grote wereld van de mensen. De beelden zijn strak: een mier in een kronkelende, koperen spoel, natuur tegenover technologie, wie zal overleven? Bass’ antwoord stemt tot nadenken. Halverwege de film is er al een prachtige suggestie in een scène waarin Hobbs, Kendra en James onder een desinfecterende douche staan. Ze hebben grote, zwarte brillen op.

Phase IV is uit op dvd (import) en is tevens te zien tijdens Pièce Unique, van 1 mei t/m 3 juni in het Filmmuseum te Amsterdam