De jaren negentig van …

Alle soorten haar

Ik wilde goed voor de dag komen op het Kwakoefestival — «hét multiculturele festijn van Nederland» — en vond mijn weg naar Hassan, mijn vaste kapperszaak toen ik hier nog woonde. Ik was destijds blij met Hassan, want na al die decennia kon je nog steeds niet terecht bij de doorsnee kapper die uitsluitend kundig was met sluik, hooguit grof krullend haar. Dat weerbarstige kroeshaar vergde de behendigheid van een kunstig snoeiende hovenier. Bij de Noord-Afrikaanse Hassan was ik in veilige handen.

Ooit was het qua uitstraling een achterafkapperszaakje, vlak bij de kleurige Albert Cuypmarkt. Nu is het een hypermodern ingerichte kapsalon met een heuse damesafdeling en geavanceerde apparatuur. Ik werd overmand door trots omdat de eigenaar als migrant had doorgezet en zijn zaak voldeed aan hoge kwaliteitseisen. Nu werken er diverse mensen voor hem. Met zijn stemmige pull-over en zijn grijzende haar zag hij er gearriveerd uit.

Terwijl hij mijn hoofd tondeusde, vertelde ik hem dat ik al zo’n vijftien jaar geleden voor het eerst bij hem kwam en dat ik inmiddels zes jaar in Suriname woon. «Ik ben echt trots op je zaak», zei ik tegen hem. Met een verraste blik keek hij mij aan. «Je leest alleen maar over de schaduwzijde van de multiculturele samenleving», lichtte ik toe. «Alles wat de klok slaat is fanatieke imams, moslimextremisme en criminele kut-Marokkaantjes. Waarom lezen we niks over mensen als jij?»

«Nee, wat dat betreft is het echt heel slecht in Nederland», beaamde hij. «Het enige wat je hoort is aanpassen. Je moet je precies gedragen zoals zij.» We waren het roerend eens dat je je moest aanpassen aan de toch ook wel oprechte Nederlandse tolerantie. «Maar verder moeten ze me met rust laten», zei hij.

We kwamen op de definitie van «zwarte school»: als minstens «de helft van de leerlingen van allochtone afkomst is». Een ronduit belachelijke normering, want zo’n school is net zo goed «wit». Bovendien kunnen die scholen moeilijk wit blijven als de randstedelijke jeugd zo zoetjesaan voor meer dan de helft van migrantenafkomst is. En doodziek word je ervan dat ze voortdurend als «slecht» worden gekwalificeerd. Volgens «hun» normen, ja.

«Al in de jaren zeventig hebben we gepleit voor eigen taal- en cultuuronderwijs. Als ze naar ons hadden geluisterd, dan hadden we niet zulke grote achterstanden gehad», beklaagde de kapper zich over de Nederlandse hoogmoed. Hij had wel geen vloeiend accent, maar in zijn eigen tempo maakte hij volzinnen. Er stak nog veel meer achter de man. Hij lachte vaderlijk toen ik vertelde dat ik van 1963 ben. «Jeetje, in 1964 kwam ik hier naartoe», onderstreepte hij ons leeftijdsverschil.

Het moet hoogmoed zijn geweest toen de poort wagenwijd werd opengezet voor «gastarbeiders» omdat Nederlanders hun neus ophaalden voor het vuile werk, maar ook deels dachten alle onrecht van de wereld te kunnen opvangen. Het moet hoogmoed zijn geweest te denken dat de eigen onwrikbaar geachte tolerantie vanzelfsprekend en onvoorwaardelijk de uitdijende multiculturele samenleving zou dragen. Toen de overvolle boel verontrustend begon te wankelen, moet het ook hoogmoed zijn geweest in de jaren negentig het «taboedoorbrekende» minderhedendebat — eenzijdig versterkt door de kleurloze media — zónder de minderheden te voeren. Zo moet het ook hoogmoed zijn geweest dat de middenstand het «allochtone» segment niet zag staan, waardoor vele traditionele buurtwinkeltjes de expansiedrift van Albert Heijn niet overleefden terwijl migrantenwinkeltjes juist als paddenstoelen uit de grond schoten. Ook de traditionele kapperszaak vond het in de jaren negentig welig tierende migrantenhaar nog steeds geen knip waard, terwijl Hassan opbloeide.

Ik vertelde dat mijn invalshoeken bij de krant te zeer als die van een «allochtone» journalist werden bezien en dat er hoogmoedig werd gezegd: «Wat jij wilt, duurt nog tien jaar.» Ik kon niet zo lang langs de zijlijn blijven, terwijl het ook om óns ging! Daarom pakte ik mijn koffers.

«Maar we hebben mensen zoals jij nodig, die kunnen schrijven wat we denken en voelen», zei de eigenaar. Het raakte me. Zoiets was ik alleen gewend te horen in Suriname: een ontwikkelingsland dat almaar verder leegloopt. Over de beleidsmakers zei hij licht fulminerend: «Ze luisteren niet. Het kan toch niet dat je uren vertelt hoe het huis er van buiten én van binnen uit moet zien, en dat je dan later in twee regels leest hoe het er slechts van buiten uit zal zien, ondertekend door meneer Janssen als bedenker van het plan. Ze pakken niet alleen je ideeën af maar kleineren die ook. En dat tast ieder wezenlijk gevoel van je aan. Ik praat niet meer met ze, want er wordt toch niet geluisterd.»

Op fortuyniaanse wijze legde hij de politieke hoogmoedigheid bloot ten aanzien van de inrichting van de multiculturele samenleving.

We concludeerden dat er evenmin kleur zat in de door de LPF afgekondigde «politieke vernieuwing». Met olijke ironie zei hij bij het afrekenen: «Het is waar: wíj zijn hier naartoe gekomen en niet zij naar ons. Dus wíj moeten ons aanpassen. Het werkt niet als we zeggen: ‹Hassan móet minister worden.› Ze moeten zelf de noodzaak ervan inzien en dat duurt nog minstens twintig jaar.» De hoogmoed, bedoelde hij met zoveel woorden.

Ik moest hem beslist een ansichtkaart uit Suriname sturen. Hij drukte me een chique visitekaart in de hand.

Ik las: «Hassan Haute Coiffure — Kapsalon voor alle soorten haar».