Alle taal is als gras

OP HET OMSLAG van Jacob Groots bundel Natuurlijke liefde staat een ‘anatomische engel’ afgebeeld: een vrouw op de rug gezien, haar hoofd zijwaarts gedraaid, zodat we haar gezicht en profil zien. Ze kijkt wat dromerig, met een vage glimlach, naar iets buiten beeld. Een vredige blik die op het eerste gezicht volkomen in tegenspraak is met wat de afbeelding laat zien. Want zeggen dat ze naakt is, zou onjuist zijn. Haar rug is ‘opengewerkt’: huid en spierweefsel zijn zijwaarts geklapt, als vleugels van vlees, en we zien haar ruggegraat, de ribben, een blauwige nier, nekspieren, donkerrode aders die onder haar opgestoken, bruine haar verdwijnen. Geen naaktheid, maar de naakte waarheid daaronder. En tegelijkertijd de grootste leugen. Want wie op zoek naar die waarheid het lichaam ‘openlegt’, het opsomt in al zijn onderdelen, vindt daarin niet wat hij zoekt, zo lijkt deze afbeelding te zeggen. De vrouw op het omslag ontsnapt dan ook aan wat ze in haar opengelegde rug toont. Sterker nog: ze ontsnapt daaraan juist dóór het te tonen. Niet hier, in deze wirwar van spieren, bot en bloed, is ze aanwezig, maar in het verlangen van degene die haar ‘opende’ om door te dringen tot haar kern.

Daarmee worden de gebruikelijke verhoudingen omgekeerd: in plaats van dat wij iets te zien krijgen, lijkt het veeleer die rug te zijn die ons ziet, die ons toont wie of wat wij zelf in de kern zijn, maar waar we meestal met onze rug naartoe staan: onstilbaar verlangen. Het is een in Jacob Groots poëzie typerende omkering. ‘Je zag hoe dat licht naar je haakte in plaats van/ andersom, en hoe je verlangen ernaar achterbleef/ bij de manier waarop het zich meester van je maakte’, zo lees je in het ene gedicht. Elders is sprake van 'het landschap dat op je uitkeek’. In gedichten die vaak uit één lange, meanderende zin bestaan, wordt zo telkens kijken en zien omgedraaid. En niet alleen kijken en zien. Ook heden en verleden, gebeurtenis en herinnering verwisselen nogal eens van plaats. DE BUNDEL kent in het totaal zeven afdelingen, met titels als 'Toen ik jong was bestond ik in vormen van het leven dat komen zou’ (een citaat van J.C. Bloem), 'Je verhief je tot een ranking’ (citaat van Gorter) of 'Neem je kamer laat op de avond in ogenschouw als er bijna geen kleur meer is te onderscheiden, en doe dan het licht aan en schilder wat je in het schemerlicht gezien hebt’ (citaat van Wittgenstein). Alleen in de eerste en in de laatste afdeling is sprake van een 'ik’ in de gedichten; in de overige afdeling gaat het steeds om een 'jij’. De bundel suggereert 'geheugenkunst’, zoals ook één gedicht werkelijk heet: de poging het verleden terug te halen, zeg ik nu maar even voor het gemak, om maar niet te zeggen dat het hier gaat om die beroemde zoektocht naar het verloren paradijs, het kinderparadijs. Om dat níet te zeggen, inderdaad, want bij dergelijke poëzie verwacht je nostalgie, en daar gaat het Groot niet om, ook al bestaan alle gedichten op één na uit veertien regels, gerangschikt op de wijze van het sonnet - een dichtvorm die bij uitstek geschikt lijkt om een dergelijk nostalgisch verlangen uit te drukken. Maar hier wordt niet terugverlangd, althans niet ondubbelzinnig. Herinnering is heden, zo weet Groot, en in elk heden is men dezelfde die men altijd al was: 'In je herinnering is de jongen geen ander’, en: 'Steeds ben je jong.’ Iets terugroepen in de herinnering is van dat wat je je herinnert heden maken, nu. Het is wat bijvoorbeeld in het eerste gedicht gebeurt, waarin de dichter aan zijn tafel dezelfde is als degene die in een schriftje zijn eerste letter schrijft: de A waarmee het gedicht begint, de A van het woord 'Als’. Heden en verleden lossen op in het schrijfmoment - een moment waarop alles wat gebeurde al gebeurd is en tegelijkertijd nog te gebeuren staat: 'als al alles is dat nog afkomt nu ik de deur al/ achter me dichtsla vlak voor ik buiten sta in de/ jongste nacht van mijn leven die mijn begin besluit.’ De deur die achter de dichter dichtslaat, hem opsluit in zijn kamer, boven zijn schrijftafel, is de deur die dichtslaat achter het jongetje dat voor het eerst de wereld intrekt. 'Komende terug naar wat opnieuw terugkeerde nu/ het, diep in je overstelpte ogen, aanstaande/ raakte als domein van de kamer, waarin de deur/ dichtklapte en achter je rug verscheen’, zo heet het in een ander gedicht. Terugkomen naar wat terugkeert als het aanstaande. En daarin, lezen we weer elders, was het paradijs 'niet verloren maar nog onvindbaar’. Dat paradijs wordt dus wel gezocht, maar niet in het afgeronde en voorbije. Het school altijd, en schuilt ook nu nog, in het heden, in de velden, de melkbussen, de wolken, het gewas, in de tekenles, de muziekles, op het schoolplein, in de ontluikende seksualiteit, het ruisen van een oude radio, het ouderlijk huis. Kortom, in al die zaken die Groot uit het verleden opdiept en al schrijvend laat gebeuren in het nu van deze bundel. Het paradijs ligt verscholen in de ervaring zelf, de ervaring die niet ophoudt zolang men leeft. 'De ervaring leert je en leert je ervaring te zijn’ - elke verdere poging daarin door te dringen, er de betekenis van vast te stellen, er een essentie in te ontdekken is als het openleggen van een verleidelijke vrouwenrug: men ziet niets meer. 'Dat je geen afstand deed van de dag, eenmaal beleefd,/ was je fout; dat je diezelfde dag vergat zoals ze was/ weefde je door je beeld van je vergissing; de vergeelde/ versie die je overhield legde je weg in een “gisteren”,/ dat verschilde van de dag die je tegen het licht hield.’ MISSCHIEN klinkt dit alles nogal ingewikkeld, maar Natuurlijke liefde is een bundel waarin datgene waar het Groot om te doen is, alleen maar ervaren kan worden door je mee te laten slepen door zijn vaak merkwaardig gebouwde (aan de vroegere Ouwens herinnerende) zinnen, door de grammatica van het geheugen. 'Alle taal is als gras’, zo heet het laatste gedicht, en de allusie op het bijbelse 'alle vlees is als gras’ zal duidelijk zijn. Zodat hier alle taal vlees wordt, het woord een ondeelbaar lichaam dat zowel te lijf wordt gegaan op zoek naar de essentie, als juist daarin toont dat het alles is wat is en nog komen zal.