DE ENTREE VAN AMERIKA IN HET MIDDEN-OOSTEN 

Alle wegen leiden naar Washington

Een halve eeuw geleden kreeg het Midden-Oosten de huidige contouren. Door de Suezoorlog van 1956 maakte de wereld voor het eerst kennis met gemobiliseerde Arabische volken én met de VS als dé speler in de regio. Sindsdien is regime change alleen maar riskanter geworden. De Suezcrisis vijftig jaar later.

Lang voordat Saddam Hoessein die mantel overnam, had het Westen al een nieuwe Hitler ontwaard in Gamal Abdel Nasser, de Egyptische couppleger (1952) en latere president. De propagandaoorlog die Nasser onder meer via de radiozender Shaut-al-Arab voerde tegen de oude koloniale machten en Israël sprak tot de harten van de Arabieren in de gehele regio.

Eind september 1956, twee maanden nadat hij de Suez Kanaal Maatschappij had genationaliseerd en daarmee de wereld naar de rand van een crisis had geloodst, bracht Nasser een bezoek aan het Saoedische koningshuis. Na hem steun te hebben betuigd sprak kroonprins Feisal waarschuwende woorden: ‘Broeder Gamal, wees voorzichtig met het opzwepen van de menigte. De massa is een grillige, gewetenloze kracht. Als wilde beesten. Als je ze uit hun kooi laat, lukt het je nooit meer ze er weer in te krijgen. Wij allen lopen het risico door de massa te worden gegijzeld.’

Nasser en zijn chroniqueur Muhammed Heikal glimlachten fijntjes. Dit was precies waarin Nasser zich onderscheidde van de andere Arabische heersers: hij was de stem van de gekrenkte Arabische trots. Had bij zijn aankomst de toegestroomde menigte niet hém bejubeld in plaats van hun koning Saoed, zodat Nasser, in verlegenheid gebracht, demonstratief de hand van de koning had gepakt?

Door Nassers revolutionaire elan geïnspireerd en gestimuleerd zagen in verschillende Arabische landen oppositionele nasseristische bewegingen het licht. Washington had begrip voor de Egyptische ambitie om zich te ontdoen van de restanten van de koloniale tijd, zoals de Britse basis in de Suezkanaal-zone. Als kampioen van de vrijheid zagen de Verenigde Staten zich graag aan de zijde van landen die vreemde overheersing wilden afwerpen. Problematisch was echter de export van de Egyptische politiek. De revolutionaire retoriek creëerde een voedingsbodem voor communistische invloed in de regio. Nassers filippica’s tegen het Bagdadpact van 1955 (een defensieverdrag tussen Engeland, Irak, Turkije, Pakistan en Iran) ondermijnden de Amerikaanse politiek om de Sovjet-Unie in bedwang te houden met een keten van bondgenootschappen.

De beleidsmakers in Washington waren verdeeld. De groep Egypt-first wilde de Amerikaanse kaart op de voorman van het Arabische nationalisme zetten en hem door samenwerking verleiden tot een antisovjethouding. Anderen zagen in Nasser juist een bedreiging voor de antisovjetkrachten. President Dwight Eisenhower en zijn minister van Buitenlandse Zaken John Foster Dulles kozen voor Egypt-first.

De Egypt-first-politiek werd echter op de proef gesteld toen in september 1955 bekend werd dat een groot arsenaal Russische wapens via Tsjecho-Slowakije aan Egypte zou worden geleverd. Een forse tegenslag tijdens de Koude Oorlog, en voor Israël, dat hemel en aarde bewoog om compenserende wapenleveranties te verkrijgen. Niettemin hield Washington vast aan de Tripartite Verklaring van 1950, waarin de drie grote westerse landen zich verplicht hadden een wapenwedloop in het Midden-Oosten te voorkomen.

Washington besloot tot een initiatief om Egypte en Israël tot elkaar te brengen. Zou dat lukken, zo werd Nasser in het vooruitzicht gesteld, dan zouden financiële steun en wapens volgen. Israël wilde echter geen land afstaan voor een corridor door de Negevwoestijn om Egypte met Jordanië te verbinden. Een idee dat overigens ook door Nasser was weggehoond. Tegen de Amerikaanse ambassadeur zei hij: ‘Ik stem niet in en zal niet instemmen met een Israël dat Egypte scheidt van de Arabische wereld. Vroeg of laat zal Israël de Negev moeten afstaan en we zijn bereid er oorlog om te voeren. Egyptes scheiding van de rest van de Arabische wereld is een oud imperialistisch plan bedoeld om Egypte tot een Afrikaans land te maken. Maar ik ben een Arabier en wil een Arabier blijven.’

In maart 1956 stelde Israël de geheime Amerikaanse onderhandelaar Robert Anderson voor een ontmoeting te arrangeren tussen premier Ben-Goerion en Nasser. Tevergeefs. In zijn dagboek noteerde Eisenhower, die in het najaar als ‘vredespresident’ herkozen wilde worden: ‘Nasser blijkt een volstrekt struikelblok. Hij is er kennelijk op uit als de politieke leider van de Arabische wereld te worden erkend. (…) Ik heb het State Department voorgesteld te investeren in een andere toekomstige leider van de Arabische wereld, met de gedachte dat elkaar tegenwerkende persoonlijke ambities een einde kunnen maken aan de agressieve plannen die Nasser duidelijk aan het ontwikkelen is.’

De weigering van Nasser om te praten had z’n weerslag op de Amerikaanse bereidheid om met de Wereldbank en Groot-Brittannië een lening aan Egypte te verstrekken voor de bouw van een megadam in de Nijl nabij Assoean. Toen Egypte in mei 1956 ook nog eens de Volksrepubliek China erkende, was de maat vol. Dulles ontbood de Egyptische ambassadeur en luchtte in een donderpreek de frustratie van de Egypt-first’ers: ‘Erkenning van communistisch China heeft een vrijwel onmogelijke situatie gecreëerd. Ik kan bijna niets verzinnen wat het voor ons moeilijker zou hebben gemaakt onze goede betrekkingen met Egypte voort te zetten. (…) Het Congres kookt (van woede) over de combinatie van wapens voor Saoedi-Arabië, geen wapens voor Israël en de erkenning van Communistisch China door Egypte.’

Antikoloniale nationalisatie

Het opzeggen van de lening was voor Nasser aanleiding om twee maanden later de Suez Kanaal Maatschappij te nationaliseren, waarvan de inkomsten zouden worden aangewend voor de bouw van de Assoeandam. Noodgedwongen hadden de Amerikanen het antikolonialisme van Nasser vleugels gegeven.

In het antikolonialistische wereldbeeld is Israël een westerse volksplanting, die in geleende tijd bestaat. Nasser noemde Israël een ‘intern probleem’ dat door de Arabische wereld zou worden opgelost. Anders dan Israël vond Egypte (evenals Syrië en Jordanië) dat de wapenstilstandsakkoorden van 1949 niet synoniem waren aan de beëindiging van de oorlog. Voortdurende acties over de grenzen moesten Israël hieraan herinneren. Sinds 1948 bleef het Suezkanaal gesloten voor Israëlische schepen. Begin jaren vijftig sloot Egypte ook de langs de Sinaï stromende Straat van Tiran, zodat Israëlische schepen met bestemming Azië via de Middellandse Zee om Afrika heen moesten varen. En in de zomer van 1955 schroefde Nasser de economische blokkade op door het luchtruim boven de zee-engte van Tiran te sluiten voor Israëlische vliegtuigen.

In Israël werd beseft dat het land in 1947-48 had kunnen ontstaan dankzij een naoorlogs, tijdgebonden sentiment in de wereldgemeenschap. Nadien kreeg in Europa het veiligstellen van de olietoevoer de overhand en raakten de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie geïnteresseerd in het strategische belang van de Arabische wereld. In Israël was men ervan overtuigd dat de wereldgemeenschap niet zou bijspringen in een onvermijdelijke nieuwe oorlog, die zou uitbreken zodra de Arabische landen zich sterk genoeg achtten om Israël te kunnen verslaan. De in september 1955 aangekondigde Russische wapenleveranties aan Egypte veroorzaakten dan ook grote paniek. Egypte zou een voor die tijd immens aantal geavanceerde wapens krijgen, waaronder ruim vijfhonderd tanks en tweehonderd bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen, waartegen Israël kwalitatief noch kwantitatief opgewassen was. De mogelijkheid van een preventieve oorlog werd overwogen. Het Israëlische leger was getraind op het voeren van een voorwaartse oorlog om het gebrek aan strategische diepte in eigen land op te vangen. Stafchef Mosje Dajan produceerde snel een voorstel. Maar de regering, bang voor de internationale repercussies, besloot tot het overtuigen van de internationale gemeenschap van het dreigende gevaar. Voor de zekerheid werden grote verdedigingswerken uitgevoerd. Verloven werden ingetrokken en tienduizenden vrijwilligers werkten mee aan dit Plan Kanteel.

Sjimon Peres, directeur-generaal van het ministerie van Defensie, zocht vanaf begin 1954 contact met Frankrijk, het meest kansrijke land om Israël van wapens te voorzien. Groot-Brittannië viel af vanwege zijn positie in de Arabische wereld en van Eisenhower verwachtte men weinig. De Fransen wilden hun wapenindustrie ondersteunen met verkopen aan het buitenland, al waren ze ook partner in de Tripartite Declaratie die een wapenwedloop in het Midden-Oosten moest tegengaan. Het meest gebrand was Israël op het moderne gevechtsvliegtuig Mystere 4. De ontwikkelingen in Algerije brachten de verhouding in een stroomversnelling. De steun die de Algerijnse opstandelingen kregen van vooral Egypte dreef de Fransen richting Israël. Als tegenprestatie voor wapens leverde Israël inlichtingen over wapenleveranties aan het Algerijnse Front de Libération Nationale. In april 1956 arriveerden 24 lang verbeide Mystere 4-vliegtuigen in Israël. Om de schijn van de Tripartite Declaratie op te houden, leverde Frankrijk ook tanks aan Egypte.

Maar de spil van de Europese betrokkenheid bij het Midden-Oosten bevond zich in Londen, dat in nauw contact stond met veel Arabische landen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de basis langs het Suezkanaal uitgegroeid tot de grootste militaire presentie buiten Groot-Brittannië. Ook met Jordanië was de relatie innig, geformaliseerd in een politiek en militair bondgenootschap en een opperbevelhebber (Sir John Glubb, een der opvolgers van Lawrence of Arabia) van het Jordaanse leger. Hand in hand met de VS werkte Groot-Brittannië rond 1950 aan het verenigen van de Arabische landen tegen de Sovjet-Unie. Het Bagdadpact tussen Turkije en Irak, waar zich later Groot-Brittannië, Iran en Pakistan bij aansloten, was daarvan een onderdeel. Londen wilde daarin ook Jordanië opnemen. Nasser op zijn beurt zag het Bagdadpact als een buitenlandse wig in de Arabische wereld. Jordanië kwam onder druk te staan. Om het oplaaiende Arabisch nationalisme onder zijn bevolking te temperen verklaarde de jonge koning Hoessein begin 1956 generaal Glubb demonstratief persona non grata. Londen zag de hand van Nasser in deze Jordaanse coup.

De nationalisatie van de Suez Kanaal Maatschappij vier maanden later bevestigde voor Downing Street de vrees dat Nasser een nieuwe Hitler was. Net als zijn vermeende voorganger ging hij stukje bij beetje te werk. Wat het Rijnland voor Hitler was geweest, was nu het Suezkanaal, de levensader van de West-Europese olievoorziening. Twee derde van de Britse oliebehoefte ging door het kanaal. Londen zou niet wéér in de val van appeasement trappen. Premier Anthony Eden riep direct zijn kernkabinet, de chefs-van-staven en de Franse en Amerikaanse ambassadeurs bijeen. Hij opende met: ‘De Egyptenaar heeft zijn duim op onze luchtpijp.’ Een juridisch adviseur die uitlegde dat de nationalisatie niet onwettig was, kreeg ten antwoord: ‘Het kan me niet schelen of het wettig is of niet, (…) ik laat hem er niet mee wegkomen.’ Eden gelastte de legertop een aanval op Egypte uit te werken. Een week later werd de noodtoestand afgekondigd en werden reservisten opgeroepen. De oude Churchill vertolkte het breed gedragen gevoel dat ‘we dat kwaadaardige zwijn niet over onze communicatielijnen kunnen laten heersen’.

Geheime alliantie

De Egyptenaren wisten het kanaal probleemloos operationeel te houden. Washington zag geen rechtvaardiging voor een militaire actie en trachtte zijn bondgenoten te sussen met initiatieven gericht op internationale deelname aan het beheer van het Suezkanaal.

Parijs schatte de situatie bijzonder ernstig in. Premier Mollet overwoog zelfs Frankrijk te laten opnemen in het Britse Gemenebest, volgens recent geopende archieven. Maar twijfel of Engeland wel bereid zou zijn zonder Amerikaanse rugdekking in te grijpen, bracht de Fransen ertoe hun blik ook op Israël te richten. Samen met Groot-Brittannië legde Parijs de kwestie voor aan de VN. Eden hoopte Nasser in de Veiligheidsraad voor een onmogelijk dilemma te plaatsen. Of Egypte zou het beheer over het kanaal moeten delen met een internationale gebruikersorganisatie, óf Nasser zou dit afwijzen en het kanaal sluiten, hetgeen reden zou zijn om in te grijpen. Half oktober 1956 werd een resolutie aangenomen die Egypte opriep tot samenwerking, maar die geen inbreuk maakte op zijn soevereiniteit. Eden was afgetroefd en Nassers prestige bereikte een nieuw hoogtepunt.

Al tijdens de beraadslagingen bij de Verenigde Naties was de Frans-Israëlische samenwerking in beweging gezet. Een Franse missie had Israëls militaire behoeften in kaart gebracht en bekeken of de infrastructuur kon dienen als uitvalsbasis voor Franse troepen. Medio oktober verlieten drie schepen vol wapens Toulon met bestemming Haifa.

De Israëliërs waren benauwd om een aanval te beginnen zonder Britse en bij voorkeur ook Amerikaanse deelname, of ten minste voorkennis. De minimum voorwaarde voor Israël was dat het alleen zou aanvallen als Frankrijk tegelijkertijd hetzelfde deed. Generaal Maurice Challe, de Franse vice-chef-staf, zag tijdens een bezoek aan Israël echter dat het land sterk genoeg was om enkele dagen alleen te strijden. Op grond daarvan rijpte het masterplan van de Suezoorlog. Op 14 oktober bezocht Challe de Engelse premier en legde hem zijn scenario voor. Israël zou een offensief in de Sinaï beginnen. Daarna zouden Engeland en Frankrijk per ultimatum van beide strijdende landen eisen zich tot tien mijl van het Suezkanaal terug te trekken, zodat een Frans-Engelse troepenmacht zich er kon stationeren. Egypte zou uiteraard weigeren. Het plan leverde Eden de casus belli (de bedreiging van de doorvaart door het Suezkanaal) die het Lagerhuis van hem eiste.

Eden was enthousiast, op voorwaarde dat van samenwerking met Israël niets naar buiten zou komen. Dat zou de doodsteek zijn voor het Britse prestige in de Arabische wereld. Ben-Goerion explodeerde toen hij werd geïnformeerd. Israël was voor het ‘perfide Albion’ kennelijk een partner die het daglicht niet kon verdragen. Parijs zag de Engelse steun voor het plan juist als een doorbraak. Het Israëlische leger was inmiddels afhankelijk van Franse wapens, hetgeen Parijs manoeuvreerruimte gaf. De Franse diplomatie toog aan het werk.

Op 21 oktober werd een zware Israëlische delegatie onder leiding van Ben-Goerion opgehaald met het vliegtuig dat door Truman ooit aan De Gaulle was geschonken. In de lucht trachtte generaal Challe de Israëlische angsten weg te nemen. ‘De Engelsen doen alleen mee als zij gezien kunnen worden als interventiemacht. (…) Niemand zal hierdoor worden misleid, maar de Britten staan nu eenmaal op deze vertoning. (…) En Israël zal in het bezit zijn van door de Britse regering ondertekende documenten en altijd kunnen aantonen dat het van a tot z is geënsceneerd.’

De daarop volgende Sèvres-conferentie is de geschiedenis ingegaan als de geboorteplaats van de collusion, de samenspanning tussen de twee Europese koloniale mogendheden en hun Israëlische bentgenoot. Bij aanvang was de race nog niet gelopen. Op de avond van 22 oktober arriveerde de Britse minister Lloyd van Buitenlandse Zaken. Dajan beschreef Lloyds verschijning: ‘Alles aan hem drukte weerzin uit, tegen de plaats, tegen het gezelschap en tegen de materie waarmee hij zich moest inlaten.’ Ondanks de slechte atmosfeer stond Ben-Goerion zijn chef-staf toe een suggestie te doen. In plaats van een aanvalsoorlog zou Israël een enkelvoudige strafactie met parachutisten uitvoeren, niet ver van het Suezkanaal, die als bedreiging van het kanaal kon worden uitgelegd. De actie zou lijken op een represaille die Israël placht uit te voeren na een Egyptische aanslag. Niettemin zou daarmee het alibi voor een Frans-Brits ultimatum zijn verschaft. Lloyd keerde terug naar Londen, waar zich de volgende dag de Franse minister van Buitenlandse Zaken Christian Pineau vervoegde. Met een document van Dajan waarop in acht punten de acties en afspraken werden opgesomd. Pineau overtuigde de Britse regering ervan dat de Israëlische actie voldoende substantieel zou zijn om de zogeheten Operatie Musketier te lanceren. En Ben-Goerion kreeg het document waarin de collusion was vastgelegd, zoals Challe had voorspeld.

Contraproductieve politiek

De geheimhouding van de collusion had haar prijs. Behalve een handvol betrokkenen was vrijwel niemand van de plannen op de hoogte. Op 29 oktober begon Israël zijn schijnaanval niet ver van het Suezkanaal. Het Israëlische luchtruim werd door Franse vliegtuigen beschermd tegen Egyptische bommenwerpers, die nooit verschenen. Israëlische generaals, niet geïnformeerd over de strategie achter de actie, deden hun werk soms te goed. Conform de doctrine waarin zij waren geschoold vielen enkelen de Egyptische troepen aan, in plaats van zich te beperken tot de onbegrijpelijke opdracht een loze aanval diep in de woestijn uit te voeren.

Volgens afspraak stelden Frankrijk en Groot-Brittannië op 30 oktober hun terugtrekkingsultimatum aan Israël en Egypte, gekoppeld aan de eis om ruimte te maken voor een Brits-Franse legermacht ter beveiliging van het Suezkanaal.

Het Brits-Franse ultimatum kwam de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Dulles verdacht voor. Door de telefoon vertrouwde hij een senator toe: ‘Het heeft er veel van weg dat de Israëliërs zijn ingezet als lokaas.’ Eisenhower voelde zich door Eden verraden. Enkele dagen voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen was deze een koloniale oorlog begonnen, nota bene in heimelijke samenwerking met Israël. Een recept voor politieke zelfmoord in de Arabische wereld. Bovendien verknoeide Eden de unieke kans om de Hongaarse crisis mondiaal uit te buiten. In plaats van een baken van vrijheid te zijn, laadde het Westen nu het imago van imperialistische onderdrukker op zich. Ook had Washington geconcludeerd dat niemand in de Arabische wereld Nassers charisma kon evenaren. Zonder remplaçant was de onderneming futiel. Anders was dit geweest in 1953, toen de cia en m16 een coup organiseerden tegen de Iraanse premier Mossadeq. Die kon worden vervangen door de bij een deel van zijn volk populaire sjah.

De VS weigerden het Engelse pond, dat op de valutamarkt in een vrije val was gekomen, te steunen. De Algemene Vergadering van de VN drong in resolutie op resolutie aan op een staakt-het-vuren. Op 5 november stemde de assemblee voor de oprichting van een United Nations Emergency Force (Unef), die de plaats kon innemen van het Brits-Franse expeditieleger. Diezelfde dag legde de Sovjet-Unie, direct na het neerslaan van de Hongaarse opstand, de Veiligheidsraad een resolutie voor die opriep tot militaire steun aan Egypte. De resolutie werd verworpen, waarna Moskou Frankrijk, Engeland en Israël dreigde met raketten te interveniëren als men niet zou overgaan tot een staakt-het-vuren – ofschoon Jeruzalem de wapenstilstand al had aanvaard, daags erna gevolgd door Parijs en Londen.

Nadat de Unef was gemobiliseerd en zich langs het Suezkanaal had geïnstalleerd, blies het Brits-Franse expeditieleger op 22 december de aftocht. De Israëlische presentie zou tot maart 1957 duren. In ruil voor de terugtrekking eiste Ben-Goerion aanvankelijk garanties dat de blokkade van de Straat van Tiran zou worden opgeheven en de aanvallen vanuit de Gazastrook zouden worden stopgezet. Hoe terecht ook, deze eisen stonden haaks op wat internationaal als de kern van de Suezcrisis werd gezien: het recht van Egypte op soevereiniteit over eigen grondgebied.

De VN hielden vast aan hun opvatting dat de Israëlische eisen alleen bespreekbaar waren in het kader van vredesonderhandelingen, maar eerst moest Israël het veroverde gebied ontruimen. Ten slotte verklaarde Jeruzalem zich begin maart bereid de Sinaï en de Gazastrook te ontruimen op voorwaarde dat Unef de plaats van zijn troepen zou innemen. Nadat de Israëlische troepen zich hadden teruggetrokken en de VN-macht de Gazastrook was binnengegaan, nam Egypte tot woede van Jeruzalem het beheer toch over. Niettemin gebruikte Egypte de daarop volgende tien jaar de Gazastrook niet langer als uitvalsbasis voor aanvallen op Israël. Ook over de openstelling van de Straat van Tiran kreeg Israël formeel niet zijn zin, maar wel de facto. Vóór de terugtrekking had Jeruzalem van Washington een memo ontvangen waarin de Amerikanen toezegden de Straat van Tiran als een internationale waterweg te beschouwen. De VS zouden er zowel schepen onder Amerikaanse vlag door sturen als andere naties aanmoedigen hetzelfde te doen. Aldus ondersteunden de Amerikanen het beleid van de VN, maar vulden zij het vacuüm op dat door het formalisme van dit wereldforum dreigde te ontstaan.

Voor Israël was de Suezcrisis een waterscheiding in zijn streven naar internationale erkenning. Toen Nasser in 1967 de Unef-troepen gelastte de Gazastrook en Sinaï te verlaten, deelden veel hoofdsteden het Israëlische standpunt dat een casus belli was gecreëerd.

Nasser was ogenschijnlijk de grote overwinnaar van de Suezcrisis. Maar uiteindelijk bleek geen van zijn Arabische projecten duurzaam, net zomin als de aanspraak van het postkoloniale Egypte op het leiderschap van de Arabische wereld. Zijn pan-Arabische politiek culmineerde in een nederlaag tegen Israël in 1967, waarbij hij niet alleen de Sinaï en de Gazastrook verloor maar ook zijn belangrijkste bron van inkomsten: het Suezkanaal.

Hoofdrol voor Washington

De Verenigde Staten waren in het vacuüm gestapt dat de Verenigde Naties en de Europese ex-grootmachten hadden achtergelaten. De afwikkeling van de Suezcrisis was het schoorvoetende begin van een directe betrokkenheid bij het Midden-Oosten. Anderhalf jaar later landden Amerikaanse mariniers in Libanon op verzoek van de christelijke president Chamoun, vanwege de bedreiging van ‘nasseristische rebellen’, die werden aangestuurd door de Verenigde Arabische Republiek (Egypte en Syrië).

Washington had zich tijdens de Suezcrisis principieel opgesteld, maar kon in het Midden-Oosten keuzes niet ontlopen. Ook moest Amerika aanvaarden dat zijn morele politiek geen dam had opgeworpen tegen de Sovjet-Unie. Sinds de Suezcrisis zagen de VS zich genoodzaakt steeds vaker een sturende rol te spelen, met als hoogtepunten het vredesakkoord tussen Israël en Egypte in 1979, gevolgd door de ondertekening van de Oslo-akkoorden tussen de plo en Israël in het Witte Huis in 1993 en de vrede tussen Jordanië en Israël in 1994. Ook in het hedendaagse Kwartet (VS, Rusland, EU en VN) dat ‘de routekaart naar vrede’ tussen Israël en de Palestijnen heeft uitgezet, speelt Washington de hoofdrol.

De Suezcrisis was ook anderszins een breuk. Washington zag steun aan Israël niet meer als last, maar als hefboom. Die positie ontstond langzamerhand. En Nasser was daarin een factor. John F. Kennedy wilde het Egypt-first-beleid na 1960 een tweede kans geven. In aan Nasser gerichte brieven refereerde hij aan de Amerikaanse steun tijdens de ‘kritieke dagen’ van Suez. Maar toen Nasser de correspondentie in 1962 ongevraagd publiceerde, was Kennedy not amused en werd een partnerschap met de leider van de Arabische wereld afgeschreven.

In de reeks interventies na 1956 werd wel een zekere voorzichtigheid betracht. De verdediging van Amerika zelf stond niet op het spel. Tot 9/11. De VS voelden zich pants down aangevallen. Gevolg was de onbesuisde voorwaartse verdediging tegen Irak, waarbij alle andere factoren van internationale politiek rücksichtslos opzij werden geschoven. De supermacht ging door de trechter van de angst en kwam terecht in het Iraakse moeras.

Thomas Simon is historicus