Alle wetenschap is menselijk

Wetenschappelijke blunders, elk genie heeft ze wel gemaakt. En ze zijn populair, getuige de boeken die erover verschijnen. Maar hoe lachwekkend de domheid ook is, aan de wetenschap zelf wordt zelden getwijfeld.

HET GAAT GOED met de wetenschap. Bijna dagelijks worden grote ontdekkingen gedaan: nu eens het bewijs voor de laatste stelling van Fermat, dan weer een ontbrekende schakel in de menselijke evolutie of een transgene muis. De boekwinkels liggen vol met sporen van de vooruitgang: de populair-wetenschappelijke literatuur valt nauwelijks aan te slepen. Vreemd genoeg lijkt vooral onwetenschappelijkheid populair. Why People Believe Weird Things; Pseudoscience, Superstition, and Other Confusions of Our Time van Skeptic-hoofdredacteur Michael Shermer is sinds het verschijnen in 1997 vrijwel voortdurend uitverkocht of in herdruk. Zijn Nederlandse tegenhanger, Tussen waarheid & waanzin: Een encyclopedie der pseudo-wetenschappen van Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys, kreeg binnen korte tijd een derde editie. Het leutige The Best of the Annals of Improbable Research ligt na ruim een jaar nog tussen de pas verschenen boeken in plaats van te verdwijnen in de ramsj. Serieuzer is Scientific Blunders van Robert Youngson, die onlangs aan de hand van historische missers een geschiedenis van de westerse wetenschap schreef. Hoewel verschillend van opzet en diepgang brengen de boeken steeds dezelfde boodschap over: er valt veel over domheid te lachen, maar uiteindelijk moeten we dankbaar zijn dat de wetenschap ons uit de duisternis heeft geleid. De onwrikbare drie-eenheid van observatie, falsificatie en redenatie behoedt ons blijvend voor de verdwazing. Alleen Thomas Gieryn plaatst daar in Cultural Boundaries of Science essentiële kanttekeningen bij. Hulspas en Nienhuys verzamelden in hun encyclopedie Tussen waarheid & waanzin 627 voorbeelden van ‘pseudowetenschap’, een begrip waar zij veiligheidshalve geen sluitende definitie van willen geven. Anders dan de verzameling 'pseudo’s’ die zij presenteren, nemen de samenstellers wetenschap zeer serieus. Zij beweren alleen wat aantoonbaar waar is. En zij zijn nooit klaar met onderzoeken. De derde druk van deze uitgave is dan ook flink herzien en aangevuld. Een keur aan curiosa, zoals gedachtefotografie en fengshui (Chinese methode voor energetische woninginrichting), wordt afgewisseld met diepgravender besprekingen van bijvoorbeeld astrologie, creationisme of ufo’s. Naast het boven- en buitenaardse is er veel aandacht voor 'pseudodiagnosen’, zoals drapetomanie (vooral bij slaven voorkomende vluchtzucht), hysterie en candiasis (vage klachten veroorzakende schimmelinfectie), met de bijbehorende alternatieve geneeswijzen. Ook het pseudowetenschappelijke systeem van nationalisme en racisme wordt ontleed onder lemma’s als 'theorie van de joodse samenzwering’. Door een uitgebreid systeem van kruisverwijzingen komt alles met alles in verbinding te staan. Je raakt reddeloos verloren op de talloze zijpaden die zich aandienen, maar het is heerlijk te verdwalen in de vreemde uithoeken van het menselijk brein. Op cruciale momenten ontbreekt echter een toelichting. Alleen de korte inleiding vermeldt enkele algemene overwegingen voor het opnemen van lemma’s. Maar vertegenwoordigt Freud nu 'bonafide wetenschap’ waar 'verwarring over heerst’, 'achterhaalde wetenschap’ of een 'curieus therapeutisch systeem’? Slechts de toon biedt uitkomst: wat de samenstellers niet bevalt krijgt een snerende behandeling. DE ONZIN die Marc Abrahams opvoert als het beste uit de Annals of Improbable Research (AIR) is goedmoediger. AIR is een blad voor opgeblazen wetenschap en persoonlijkheden, aldus Abrahams. De redactieraad bevat ettelijke Nobelprijswinnaars, alsmede Marilyn Vos Savant, die naar eigen zeggen het hoogste IQ ter wereld heeft en die volgens Hulspas en Nienhuys het domst denkbare commentaar schreef op het bewijs van Fermats laatste stelling. Abrahams’ bloemlezing staat vol met kolder, gepresenteerd als regulier onderzoek. De meeste artikelen zijn alleen in AIR gepubliceerd, zoals onderzoeken naar het Mickey Mouse-gen of de aerodynamica van chips. Dergelijk onderzoek is wetenschappelijk blijkbaar minder relevant dan de ook in de reguliere wetenschappelijke pers gepubliceerde bevindingen van een dierenarts die zelf eens wilde voelen hoe het was om mijten in je oor te hebben. AIR wil meer zijn dan een persiflage op de wetenschapsbeoefening, getuige bijvoorbeeld de aanbeveling om het te gebruiken in het onderwijs. Het blad reikt ook jaarlijks 'Ig Nobel’-prijzen uit voor 'prestaties die niet kunnen of mogen worden gereproduceerd’. De prijs ging in 1996 onder meer naar het tijdschrift Social Text, dat een nonsensartikel over quantumzwaartekracht serieus had genomen. De website van AIR (www.improb.com) verwijst hartelijk door naar de site van Alan Sokal, de inmiddels wereldberoemde fysicus die Social Text voor schut zette. De streek van Sokal tekent een kentering in het denken over wetenschap. Het is bijna alsof de gevestigden, na de verwoestende bombardementen vanuit het postmodernisme, genadeloos terugslaan met een breed waarheidsoffensief. Er is nu wel lang genoeg geneuzeld over de betrekkelijkheid van kennis: wetenschappelijke vooruitgang bestaat gewoon, en als die postmodernisten zich wat meer hielden aan de regels van het ambacht zouden ze dat allang hebben gemerkt. In de Verenigde Staten woedt zelfs al enkele jaren een wetenschapsoorlog tussen 'harde’ en 'zachte’ wetenschap. Het offensief is ingezet door harde wetenschappers, gevestigden die 'postmodernisme’ en 'academisch links’ willen weren uit de wereld die wetenschap heet. Dat weren is tamelijk letterlijk te nemen: zo is een belangrijke leerstoel tweemaal geweigerd aan vooraanstaande wetenschapshistorici omdat zij een antiwetenschappelijke houding zouden hebben. De meeste slagen worden echter geleverd in boeken waarmee de harde wetenschappers elkaar en het grote publiek willen overtuigen van de gevaren van de andere kant. De hier besproken auteurs hanteren weliswaar geen oorlogsmetafoor, maar kiezen wel allemaal partij voor de 'harde’ kant. Hulspas en Nienhuys zetten zich af tegen onterechte aanspraken op wetenschappelijkheid. Abrahams’ bloemlezing uit AIR lijkt in eerste instantie juist de verwording van de wetenschap te markeren, maar in feite is het boek een hommage aan het echte werk. Het experimentele kunstje is niet genoeg, blijkt keer op keer: anders zouden de leerstoelen wel worden vergeven voor onderzoek van het type 'Gedrag van een vallend vel papier’. Voor echte wetenschap moet je kunnen nadenken en leren van je fouten. OOK SCIENTIFIC Blunders van de Engelsman Robert Youngson past in dit rijtje. De harde wetenschapsopvatting komt hier het uitdrukkelijkst naar voren. Het is een overzicht van onze wetenschappelijke vooruitgang, beschreven aan de hand van de flaters die er onvermijdelijk bijhoorden. Niet alleen Aristoteles zat er vaak naast, alle grote en kleine genieën uit de geschiedenis begingen wel enormiteiten. Youngson ordende ze in een elftal disciplines, zoals kosmologie, natuurkunde, psychologie en technologie. Een klein deel van de zeventig hoofdstukken beschrijft 'echte’ missers. Dat zijn grove fouten, zoals begaan door moleculair bioloog en Nobelprijswinnaar Paul Berg die bijna een kankerverwekkend virus (SV40) in de doodgewone bacterie E. coli had geknutseld. Vaker zijn het misvattingen. De frenologie bijvoorbeeld: gedurende de negentiende eeuw bloeide de theorie dat karaktereigenschappen zijn af te lezen van het schedeloppervlak. Voor het eerst werd het karakter in de hersenen gezocht en niet in het hart of de goddelijke voorzienigheid. Alleen nam men die gedachte wat al te letterlijk. Of de n-stralen: in 1903 beweerde natuurkundige Blondot een nieuw soort straling te hebben gevonden door het zichtbare licht uit de pas ontdekte röntgenstralen te filteren. De wetenschappelijke wereld, nog maar nauwelijks bekomen van alle andere ontdekkingen in die tijd, stond op zijn kop. Helaas werd al snel aangetoond dat n-stralen onmogelijk konden bestaan. Ook koude kernfusie, een recente blunder van dit type, komt aan bod. Zulke gevallen kunnen evengoed voor simpel bedrog doorgaan. Zo is er ook het geval van de meesterlijke G.W. Sleeper, die al in een publicatie uit 1849 gedetailleerd zou voorspellen wat Darwin (evolutie), Pasteur (bacteriën) en Metchnikoff (fagocyten) pas decennia later ontdekten, ware het niet dat zijn publicatie waarschijnlijk uit deze eeuw dateert - als de man al heeft bestaan. De meeste blunders komen echter voort uit de beperkingen die de historische context oplegt aan onze verbeelding. De achterflap vermeldt dan ook de welgekozen bewering van Einstein die 'geen enkele aanwijzing (ziet) dat er ooit energie uit atomen is te winnen’. Vanaf de oude Grieken die meenden dat de aarde plat was, via miskende genieën die hun tijd werkelijk vooruit waren, tot de vreemde omzwervingen van het stress-concept langs tal van disciplines: Youngsons geschiedenis leert ons vooral dat de meeste blunders voortkomen uit veranderingen in de interpretatie van verschijnselen. Hoe verder het verleden, des te makkelijker verklaart Youngson de wetenschappelijke domheid uit culturele omstandigheden. Naarmate blunders recenter zijn verdwijnt de cultuur echter uit het verhaal, alsof ons denken niet meer tijdgebonden is. Maar de platte aarde is eeuwenlang net zo waar geweest als in onze tijd het uitdijende heelal. Het laatste deel van het boek begint niettemin met een hoofdstuk over hoe pseudowetenschap te ontdekken; blijkbaar bezit de mens inmiddels een onfeilbaar middel om echte waarheden te onderscheiden van valse. Dat middel heet bij Youngson, en bij de anderen, Karl Popper. Observatie, falsificatie en rationaliteit houden ons gegarandeerd vrij van pseudowetenschappelijke of quasi-religieuze blunders. Het is echter niet voorbehouden aan historische figuren om wetenschappelijk verantwoord op het verkeerde spoor te zitten. Youngson lijkt te menen dat de moderne wetenschap vrij is van menselijke smetten. Zo beweert hij bloedserieus dat de scheikunde pas vooruitging als wetenschappelijke discipline toen het streven naar persoonlijk gewin (van alchemisten) plaatsmaakte voor het streven naar kennis. Het lachen vergaat je danig bij zoveel wetenschappelijke zelfverzekerdheid. 'Twijfel aan alles op zijn minst één keer, zelfs al gold het de regel: twee maal twee is vier’, zei Lichtenberg al in de achttiende eeuw. Maar dat geldt in de besproken boeken niet voor de heersende wetenschappelijke methode. Die lijkt verheven boven alle kritiek, als was ze een bovenmenselijke macht. Toch is ook wetenschap een menselijke activiteit. Volgens socioloog Bourdieu strijden wetenschappers evenzeer voor wetenschappelijk gezag als voor het vergroten van kennis. Dat geldt zeker voor de Amerikaanse wetenschapsoorlog, die is ingezet door de ene partij om de andere het recht van spreken te ontnemen. Maar ook een affaire van eigen bodem past in dit beeld. De onwelkome boodschap van de antropologen A.J.F. Köbben en H. Tromp heeft de gemoederen binnen en rond de Nederlandse wetenschap danig in beroering gebracht. Het boek is een ontmoedigende verzameling voorvallen van opdrachtgevers die onderzoeksresultaten naar hun hand wilden zetten. Als onderzoekers niet meer kunnen zeggen wat ze denken, komt de wetenschap als vormende kracht van de samenleving in gevaar, menen de auteurs. Door dit boek en het circus eromheen wordt echter niet alleen de vrijheid van wetenschap in bescherming genomen tegen politieke of commerciële belangen, maar ook de vrijheid van wetenschappers om zelf te bepalen hoe zij hun werk opzetten en beoordelen. DE GRENZEN der wetenschap staan doorlopend op het spel, ook nadat Popper The Logic of Scientific Discovery publiceerde. Juist in de randgebieden, zoals pseudowetenschap of contractonderzoek, speelt een voortdurende geloofwaardigheidswedstrijd, zegt Thomas Gieryn in Cultural Boundaries of Science. Gieryn, Amerikaans socioloog, analyseerde de argumenten waarmee strijdende partijen in vijf grensgevallen het wetenschappelijk gezag aan hun kant probeerden te krijgen. Koude kernfusie en frenologie komen aan bod, beide ook behandeld door Youngson en Hulspas en Nienhuys. Daarnaast onderzocht Gieryn inspanningen voor publieke financiering van wetenschap in Engeland, debatten in het Amerikaanse Congres over de plaats van sociale wetenschappen in de National Science Foundation, alsmede het leven van Albert en Gabriëlle Howard, uitvinders van de composthoop. De koude kernfusie biedt een goed voorbeeld van Gieryns boeiende werkwijze. In 1989 verklaarden Martin Fleischmann en B. Stanley Pons op een persconferentie dat zij kernfusie bij kamertemperatuur hadden bereikt. Zij wilden met dit grote nieuws niet wachten op een reguliere wetenschappelijke publicatie. Hadden zij dat wel gedaan, dan was sneller duidelijk geworden dat hun experiment alleen herhaalbaar was door onzorgvuldig observeren. In Scientific Blunders ligt de nadruk op de verblindheid van beide onderzoekers. Hulspas en Nienhuys schilderen in hun encyclopedie de onderzoekers en hun navolgers af als regelrechte stomkoppen. Gieryn gaat daarentegen na hoe zij sluw aan hun geloofwaardigheid werkten. Ondanks het ontbreken van wetenschappelijke erkenning voor hun ontdekking debatteerde het Congres een maand later al over een mogelijke subsidie van vijfentwintig miljoen dollar voor toepassingsgericht onderzoek. De onderzoekers presenteerden de beslissing als een volgordeprobleem: wachten op wetenschappelijke erkenning voor het zoeken naar toepassingen of beide tegelijk doen. Zo bezien konden politici bij uitstek beslissen over wetenschappelijk onderzoek. Dit is een omgekeerde strategie als die van Köbben en Tromp, die de wetenschappelijke competentie van geldschieters juist in twijfel trekken. Gieryn analyseert uitgebreid de argumenten voor en tegen financiering in het debat, dat uiteindelijk in het nadeel van Fleischmann en Pons uitviel. Toen hun afgang definitief inzette, maakten collega’s er dankbaar gebruik van om hun monopolie te versterken: zie je wel, wetenschap is een zaak van wetenschappers. Als toegift bespreekt Gieryn de wetenschapsoorlog. Het onderscheid tussen 'hard’ en 'zacht’ blijkt dan te gaan over de vraag wie de beste instrumenten heeft om wetenschap te beoefenen. Wetenschap is natuur in het ene kamp en cultuur in het andere. Gieryn betoont zich de wijste in het gezelschap door een positie boven de partijen te kiezen. Hij werd uitgenodigd voor de redactieraad van een boekenserie ter meerdere eer en glorie van rationaliteit en wetenschappelijke vooruitgang. Hij accepteerde de uitnodiging, met een wezenlijke toevoeging: 'Ik steun uw pogingen om normen van rationaliteit, empirische toetsing en moderniteit hoog te houden. Het is mij echter duidelijk geworden dat de betekenis van termen als “rationeel”, “empirisch”, “modern” - zelfs “wetenschap” - uitermate wisselend, politiek en contingent is (en niet universeel of transcendent). Ik ben zulke concepten niet gaan zien als een systeem van regels voor goede waarheidsvinding, maar als retorische instrumenten voor het nastreven of de verdediging van wetenschappelijke autoriteit, of in pogingen de geldigheid van rivaliserende claims te ondermijnen.’ Veel van de pseudowetenschappen, blunders en onwaarschijnlijke onderzoeken worden er niet minder onzinnig om, maar de wetenschappelijkheid van wetenschap is zo wel een stuk minder hard.