Sorry in België

‘Alle zwartheid werd uitgewist’

De Belgische regering betuigde dit jaar spijt voor de ontvoering van metiskinderen die aanloop naar de onafhankelijkheid van gekoloniseerde landen naar België werden gebracht. Maar wat betekent een sorry zonder actie?

Jacqui Goegebeur (het meisje in tranen met de deken omgeslagen) komt aan op het Belgische vliegveld Zaventem, 1959 © metisbe.squarespace.com

‘In naam van de Belgische federale regering wil ik mijn excuses aanbieden aan de metissen van de Belgische kolonisatie, aan hun gezinnen, voor de onrechtvaardigheden en het leed dat hen werd berokkend.’ Het zijn de woorden van de voormalig eerste minister van België, Charles Michel. In het anders zo verdeelde federale parlement klinkt op 4 april 2019 luid applaus. Een delegatie van metissen kijkt en luistert mee, sommigen zichtbaar geëmotioneerd. De parlementsvoorzitter probeert het applaus tevergeefs te dimmen.

Metissen zijn kinderen die in de voormalige Belgische koloniën geboren zijn uit een Belgische witte vader en een Afrikaanse zwarte moeder. In aanloop naar de onafhankelijkheid haalde de Belgische staat met behulp van de kerk de kinderen eind jaren twintig van de vorige eeuw bij de moeders weg en plaatste ze in katholieke instellingen. Uiteindelijk werden ze naar België ontvoerd, waar ze in het beste geval terechtkwamen als pleeg- of adoptiekinderen bij middenstandsgezinnen.

De Belgische praktijk van het onder dwang scheiden van gemengde kinderen en hun inheemse moeders is vergelijkbaar met de stolen generations in Australië, waar ongeveer honderdduizend kinderen van Aboriginals ontvoerd en in de witte samenleving geassimileerd werden. Gemengde kinderen vormden immers een bedreiging voor de koloniale hiërarchie. Families werden ontwricht. Achtergebleven moeders werden tot waanzin gedreven. Identiteiten werden vervalst. Erfenisrechten werden geschonden.

‘De essentie van ons mens-zijn werd ons ontnomen’, vertelt Jacqui Goegebeur, ondervoorzitter van de vereniging Métis de Belgique/Metis van België en een van de pioniers in de strijd voor de erkenning van het lot van de metiskinderen uit Congo, Rwanda en Burundi. ‘Voor de slachtoffers betekent een excuus een erkenning van het onrecht dat ons is aangedaan. We zijn niet meer de bastaards. Dat is belangrijk voor ons geweest. En toch is ook meer nodig dan een sorry. Er moet een actie volgen. Een herstel van de fout.’

Jacqui Goegebeur werd in 1956 geboren als derde kind van een Belgische witte man en een Rwandese zwarte vrouw. Zes maanden later stierf de vader. Op de dag van de begrafenis werd haar broer weggehaald en als boy in een Deense missiepost driehonderd kilometer verderop geplaatst. Twee jaar later zouden Jacqui en haar zus ondanks de vluchtpogingen van haar moeder ook weggehaald worden en in Save, een instelling van de Witte Zusters in het huidige Rwanda, worden geplaatst.

‘Het werd onze moeders moeilijk gemaakt om contact te houden. De nonnen verstopten de kinderen of lieten de honden los op de vrouwen. Uiteindelijk lieten ze hen documenten ondertekenen die ze niet begrepen, met de belofte dat we naar België werden gebracht om te studeren’, vertelt Goegebeur.

De familie Goegebeur zou er nooit meer in slagen om een intieme relatie met elkaar op te bouwen. Het zou decennia duren voordat de twee zussen en broer elkaar weer zouden ontmoeten. De Belgische strategie was immers om de resetknop in te drukken: alle verbindingen verbreken en opnieuw beginnen.

De Belgische staat kon daarbij rekenen op de hulp van de kerk, die het onderwijs en de gezondheidszorg in de koloniën domineerde. De triniteit van Koning, Kapitaal en Kerk heerste in de Belgische kolonie Congo en het mandaatgebied Ruanda-Urundi, waar zwart en wit strikt gesegregeerd hoorden te leven. Voor de ‘kinderen van de zonde’, zoals de metissen werden genoemd, was geen ruimte.

De Belgische kerk bood in april 2017, precies twee jaar voor de officiële verontschuldigingen van de regering, haar excuses aan. ‘Deze kwestie is pas de laatste twee jaar aan de oppervlakte gekomen. Er is een verschil tussen iets weten en de dag waarop feiten naar buiten komen gesteund door cijfers en getuigenissen’, zei bisschop Johan Bonny. De houding van de kerk is er niet onverwachts een van wir haben es nicht gewusst. Nog steeds weigeren katholieke organisaties, zoals de gewezen Christelijke Middenstands en Burgervrouwen, toegang voor gefundeerd onderzoek.

‘Als kind glimlachte ik nooit. De zusters van Save konden maar geen goede foto van mij nemen om me te presenteren aan potentiële Vlaamse pleeggezinnen’, zegt Jacqui Goegebeur. Ze belandde uiteindelijk in een gezin in de West-Vlaamse kustgemeente Blankenberge, haar zus doelbewust aan de andere kant van het land in het Limburgse Hasselt. Dat ze een zus had, wist Jacqui niet meer.

‘Ik herinner me nog de dag dat ik in België aankwam. Ik nam mijn pleegvader vast en liet hem dagenlang niet meer los.’ Het door de Tweede Wereldoorlog getraumatiseerde pleeggezin had één dochter en nog een kinderwens. ‘In de traditie van het christelijk denken was ik voor het Vlaamse gezin geen échte dochter, maar een “goed werk”. Ze wilden de hemel verdienen door mij, een kind van de zonde, in hun armen te sluiten.’

Dat ze anders was en er niet bij hoorde, heeft ze altijd gevoeld. ‘Ik was me vanaf het begin bewust van mijn precaire situatie. In Blankenberge was ik een attractie. Mijn komst stond in de kranten. Mensen zetten hun auto aan de kant en stapten uit om naar me te staren.’ Later zou ze afrikanistiek studeren. Volgens haar dochter, historica en schrijfster Heleen Debeuckelaere, om toch maar iets van culturele input over haar Afrikaanse afkomst te hebben.

Het werd de moeders moeilijk gemaakt om contact te houden. Ook de moeder van baby Pauline had veel liefde voor haar dochters, veel strategische intelligentie en een beetje steun van een bevriende koloniaal nodig om haar kinderen op afstand te kunnen blijven © metisbe.squarespace.com

‘Lange tijd stond er een oude foto op onze keukenkast van een witte man op een geschoten zebra met een wapen. Een typische koloniaal. Ons huis staat vol oude artefacten, dus ik had dat niet geassocieerd met mijn eigen leven. Tot ik op een dag vroeg “wie is dat eigenlijk?” en mijn moeder “dat is je grootvader” antwoordde. Ik wist niet wie mijn grootvader was, maar die foto stond al die tijd in ons huis. Dat was bevreemdend.’ Heleen Debeuckelaere ontdekte het levensverhaal van haar moeder beetje bij beetje. ‘Ik begreep niet hoe mijn moeder in België terecht was gekomen. Als ik ernaar vroeg, antwoordde ze zonder te antwoorden.’

Het verliezen van familie, cultuur en identiteit is een traumatische ervaring die langdurige psychologische gevolgen kan hebben, zelfs bij de volgende generaties. ‘Het verwerken van mijn familiegeschiedenis is een proces dat nooit zal eindigen’, vertelt Debeuckelaere. ‘Het ergste wat je iemand kunt aandoen is het wegnemen van zijn of haar identiteit. Dat is precies wat België heeft gedaan met de metiskinderen en wat doorleeft in mij. Wij zijn eigenlijk het perfecte koloniale subject. Alles van zwartheid wat in ons zat, werd uitgewist. Wij zijn totaal doordrongen van de westerse cultuur, een cultuur die ons niet wilde. Dat is heftig. Ik ben dertig en ik heb mijn leven opgebouwd met de intentie om die leegheid in mij op te vullen. Ik heb mijn studies daarop gebaseerd. Ik heb daar mijn carrière van gemaakt. Het heeft me gemotiveerd, maar het heeft ook iets in mij gebroken.’

Na een bezoek aan Rwanda in 2014, waar Debeuckelaere haar familie opzocht, ontwikkelde ze een paniekstoornis. ‘Ik kan het niet anders zeggen dan dat het alles in mijn leven heeft bepaald.’

Goegebeur bezocht Rwanda in 1977, op zoek naar haar biologische moeder. ‘Ik heb mijn moeder gevonden, maar ik ben er niet in geslaagd om een band met haar op te bouwen. Iedereen in Rwanda – tot de tolk aan toe – waarschuwde me dat ik niemand mocht vertrouwen, dat vrouwen zouden claimen mijn moeder te zijn om me te pluimen. Ik ging erheen met een enorm wantrouwen. Het was een totaal verbijsterende ervaring’, vertelt ze. Uiteindelijk werd de vrouw, die later haar moeder bleek te zijn, vermoord tijdens de genocide van 1994.

De excuses tegenover de metiskinderen zijn het resultaat van een jarenlang lobbytraject. ‘Het begon allemaal met een oproep op de radio van een alleenstaande moeder in 1970’, vertelt Jacqui Goegebeur. ‘Zij wilde haar pleegdochter, die metis was, een kans geven om lotgenoten te ontmoeten.’ Het informele netwerk van metissen zou dertig jaar later uitmonden in een vereniging, die werk zou maken van historische erkenning en het openstellen van archieven om hun identiteit te achterhalen. ‘Het is van levensbelang dat wij onze eigen dossiers in kunnen zien. > Iedereen heeft het recht om te weten wie hij of zij is. Ik had mijn geboorteakte. Ik wist wie mijn vader was en kon mijn familiegeschiedenis achterhalen, maar niet iedereen heeft dat geluk.’

Dat het inzien van dossiers van levensbelang is, bewijst de zaak van Jaak Albert, die in de Belgische media stof deed opwaaien. De 67-jarige man is een metis van een Belgische witte man en een zwarte Rwandese vrouw zonder geboorteakte met een door een non verzonnen achternaam. De kafkaëske gevolgen zijn niet te overzien. Zijn biologische vader was Belg, maar toch moest hij staatsburgerschap aanvragen. Toen hij wilde trouwen kon dat niet zomaar omdat er geen geboorteakte was. En pas nadat hij in 2015 via de Vlaamse overheidsorganisatie Kind & Gezin zijn dossier kon inzien, ontdekte de man dat hij een broer had.

De toegang tot dossiers blijft een heikel punt, ook na de excuses van de regering

Hoeveel metissen zoals Goegebeur en Albert er naar België ontvoerd zijn, is onduidelijk. Door het ‘clean break’-model probeerden overheid en kerk zo veel mogelijk sporen te wissen of dossiers te verstoppen. Wel zeker is dat er driehonderd metiskinderen in 1959 tot eigendom van de Belgische staat werden verklaard en naar België werden gebracht vanuit de instelling Save, waar Jacqui Goegebeur ook was ondergebracht. Vermoedelijk ligt het aantal metiskinderen hoger. In 2010 verscheen het boek Bastaards van de kolonie: Verzwegen verhalen van Belgische metissen van Kathleen Ghequière en Sibo Kanobana. Met 21 getuigenissen van metissen werd de stilte over deze zwarte pagina in de Belgische geschiedenis voor het eerst aan Nederlandstalige kant verbroken.

In dezelfde periode startte historica Sarah Heynssens in opdracht van cegesoma, een expertisecentrum voor conflicten uit de twintigste eeuw, een archiefonderzoek naar het lot van de metiskinderen uit de Rwandese instelling Save. Haar boek De kinderen van Save: Een geschiedenis tussen België en Afrika (2017) was het eerste wetenschappelijke werk in het Nederlands over het lot van metissen. ‘Zij vonden niks terug over hun verhaal in de geschiedenis, dus daar wilden ze hulp bij’, legt Heynssens uit. ‘De meesten waren nog kinderen toen ze ontvoerd werden en waren zich niet bewust van de context waarin het gebeurde. Daar kwamen ze soms pas achter na het lezen van mijn boek.’

Op zondagochtend werden de kinderen van het weeshuis Bambino mooi aangekleed en in de voortuin tentoongesteld voor geïnteresseerd © metisbe.squarespace.com

De toegang tot dossiers blijft een heikel punt, ook na de excuses van de regering. ‘De dossiers lagen bij het archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In theorie zijn ze toegankelijk, maar in de praktijk kunnen mensen zelden geholpen worden, omdat de dossiers niet in de beste omstandigheden bewaard werden en inventarissen ontbreken’, legt Heynssens uit. ‘Nu is dankzij metissen het historisch archief overgebracht naar het Rijksarchief, waar ze voor de uitdaging staan om kilometers archief te organiseren. Dat duurt nog even.’

Gewapend met getuigenissen en historisch onderzoek vonden de metissen hun weg naar de senaat en het parlement, waar ze pleitten voor erkenning én voor het rechtzetten van statutaire problemen. De resolutie die zou leiden tot de excuses in 2019 werd unaniem goedgekeurd. ‘De metiskinderen zijn een goed voorbeeld van een verenigde lobby. Ze hebben sterk werk geleverd door politieke partijen te benaderen en parlementaire onderzoekscommissies op te zetten’, vertelt politicologe Nadia Nsayi, die als dochter van een Congolese moeder en een metisvader in haar zojuist verschenen boek Dochter van de dekolonisatie de geschiedenis van België en Congo vertelt aan de hand van haar persoonlijke verhaal.

Nsayi maakt ook een kanttekening bij het succes van de lobby. ‘Metiskinderen zijn voor de helft wit en hebben dus een link met de witte wereld en instituten.’ Heleen Debeuckelaere bevestigt dat. ‘Via mijn vader Willem Debeuckelaere, hoofd van de federale Privacy Commissie, hadden we een enorm sociaal kapitaal. Metissen zijn bovendien sociaal acceptabeler dan zwarte mensen.’ Vanuit politiek perspectief is een sorry tegenover de metiskinderen volgens haar ook makkelijker verteerbaar dan een sorry voor het koloniaal verleden als geheel. ‘Het is een universeel gegeven dat een kind stelen van een moeder inherent slecht is.’

Tijd voor verontschuldigingen

Een staat die zijn excuses maakt voor fouten in het verleden. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels komt het steeds vaker voor. Maar echt van harte gaat het zelden. En soms laat men het verleden liefst links liggen. Dit was de laatste aflevering in de serie over ‘sorry’ van staatswege.

De excuses aan de metiskinderen vormen niet het eerste sorry van de Belgische regering. In 2002 stond de vader van Charles Michel, Louis Michel, op dezelfde plaats in het parlement en verontschuldigde hij zich voor de ‘morele verantwoordelijkheid’ van België voor de moord in 1961 op Patrice Lumumba, de eerste democratisch gekozen leider van het pas onafhankelijke Congo. Ook de toenmalige eerste minister Guy Verhofstadt bood in 2000 tijdens een staatsbezoek in Kigali namens de regering zijn excuses aan voor de verantwoordelijkheid in de Rwandese genocide van 1994.

Dat het steeds politici van de liberale partij zijn die zich verontschuldigen, is geen toeval. De sorry’s pasten toen in een strategie van ‘new politics’ waarin de liberalen sneren uitdeelden aan de christen-democraten, die onder de paars-groene regering-Verhofstadt I van 1999 tot 2003 voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog in de oppositie zaten.

Ook de recentere excuses tegenover de metissen passen in een politieke strategie. Een paar maanden eerder werd België door een expertcommissie van de Verenigde Naties op de vingers getikt voor het uitblijven van excuses voor de wreedheden tijdens het koloniaal bewind in Congo, maar daar ging de regering niet op in. Ook het heropende Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, waar je tijdens de Wereldexpo van 1958 een menselijke dierentuin van zwarte mensen kon bezoeken, kreeg stevige kritiek op zijn poging het museum te dekoloniseren.

‘Een zeer raar rapport’, noemde eerste minister Charles Michel de bevindingen van de VN. Ondertussen werd de roep om een sorry uit linkse hoek steeds luider en zag de Vlaams-nationalistische n-va de kans om haar pijlen te richten op het koningshuis, een doorn in het oog van de separatistische partij. ‘Als je over het koloniaal verleden spreekt, dan denk ik dat je onvermijdelijk naar de figuur van Leopold II moeten kijken’, liet partijvoorzitter Bart De Wever weten. Voor een historisch pardon moet je dus bij de koning zijn. Met een sorry dat specifiek aan de metissen gericht was, kon België aan damage control van haar internationale imago doen zonder zich over het koloniale verleden in zijn geheel te moeten uitspreken.

De regering-Michel had op het moment van de excuses bovendien ontslag genomen en boog zich alleen nog over lopende zaken; de verklaring kwam slechts enkele weken voor de nieuwe verkiezingen. ‘De timing laat zien dat het enkel ging om het scoren van electorale punten’, vindt Debeuckelaere. ‘Geen enkele eis uit de resolutie werd uitgevoerd. Het maakte me woedend. Excuses waren nooit de vraag, maar de toegang tot dossiers en het rechtzetten van statutaire fouten.’

Volgens Nsayi zijn de verschillende verontschuldigingen die de liberalen in naam van de regering de afgelopen jaren hebben uitgesproken stuk voor stuk problematisch, omdat ze zich richten op specifieke dossiers en niet op het koloniaal verleden as such. ‘In de verontschuldigingen schuilt een perverse discriminatie, omdat je veronderstelt dat bepaald lijden belangrijker is dan ander lijden.’

‘Je zit met iets wat je niet kunt vergeven’, zegt Goegebeur. ‘De overheid moet zich niet alleen excuseren, maar in de mate van het mogelijke de fout herstellen. Ze kunnen er op zijn minst voor zorgen dat alle metissen toegang krijgen tot hun dossiers, zodat ze kunnen achterhalen wie ze zijn. Ze kunnen er ook voor zorgen dat we geen statutaire problemen meer hebben, die zij door hun eigen administratie toen hebben gecreëerd.’

De statutaire problemen gaan van het ontbreken van een geboorteakte, waardoor bijvoorbeeld een huwelijk praktisch onmogelijk is, zoals bij Jaak Albert, tot het niet verkrijgen of ontnomen worden van de Belgische nationaliteit. Ook erfenisrechten zijn problematisch. ‘De naam van mijn biologische vader heb ik behouden omdat ik niet werd geadopteerd door mijn pleeggezin. Zij wilden de erfenis voor hun échte dochter vrijwaren’, vertelt Goegebeur. Hoewel haar vader zijn kinderen in Rwanda officieel had erkend en ze dus zijn erfgenamen waren, zouden ze in België noch in Rwanda krijgen waar ze recht op hadden. Het huwelijk in Rwanda werd niet erkend in België, waardoor de kinderen onwettig werden verklaard.

‘Excuses zonder daden zijn betekenisloos’, vindt Debeuckelaere. ‘In de geschiedenis bestaat er niet zoiets als een trans-actionele daad. Je kunt tegenover een actie in het verleden niet een andere actie zetten in het heden, waardoor alles terug naar een beginpunt wordt gebracht. Je kunt sorry zeggen, maar je lost het trauma en de schade niet op.’

Dat excuses zonder actie onvoldoende zijn, vinden ook Léa Tavares Mujinga, Monique Bitu Bingi, Noëlle Verbeeken, Simone Ngalula en Marie-José Loshi. De vijf vrouwen, die als metiskinderen in Congo zijn geboren, daagden in juni de Belgische staat voor de rechter wegens misdaden tegen de menselijkheid. Als kind werden ze bij hun families weggehaald en in een katholieke missie verstopt, waar ze na de onafhankelijkheid in de steek werden gelaten. Zij eisen een wet van herstel en compensatie. ‘Men moet de dingen erkennen en benoemen zoals ze zijn: misdrijven van ontkenning, rassenmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid’, laat hun advocate Michèle Hirsch in het Vlaamse weekblad Knack optekenen.

Overheid en kerk probeerden zo veel mogelijk sporen te wissen. Ook Madeleine Arendt (op de foto in de witte blouse) verloor het recht om die achternaam te dragen. Haar broer Cécare Bin Kingombe kon haar pas vinden na haar dood. Ze had de naam van haar moeder overgenomen © metisbe.squarespace.com

En toen was daar plots de onverwachte brief van Koning Filip aan de Congolese president Félix Tshisekedi naar aanleiding van zestig jaar Congolese onafhankelijkheid. ‘Ten tijde van Congo-Vrijstaat werden geweld- en gruweldaden gepleegd die op ons collectieve geheugen blijven wegen. Gedurende de daaropvolgende koloniale periode werd eveneens leed veroorzaakt en zijn vernederingen toegebracht. Ik houd eraan mijn diepste spijt te betuigen voor die wonden uit het verleden.’ Het was de eerste keer dat het Belgische koningshuis zich openlijk over de gruwel tijdens de koloniale periode uitsprak, want door de persoonlijke relaties ligt de kwestie extra gevoelig.

Vanaf 1885 was ‘Congo-Vrijstaat’ een persoonlijk wingewest van Leopold II, de betovergrootoom van Filip. Tijdens zijn bewind kwamen miljoenen Congolezen om het leven door extreme uitbuiting, geweld, hongersnood en pandemieën, tot Congo-Vrijstaat onder internationale druk uiteindelijk in 1908 aan België werd overgegeven. De woorden in de brief van Koning Filip werden dan ook zorgvuldig gekozen. De naam van Leopold II en het woord ‘excuses’ komen er niet in voor.

De brief kwam bovendien kort na de dood van de Amerikaanse George Floyd en de wereldwijde Black Lives Matter-protesten, die de discussie over het koloniale verleden in België weer deden oplaaien. Overal in het land werden standbeelden van Leopold II met rode verf beklad, in brand gestoken of vernield. ‘This man killed 15 million people’ en ‘pardon’ stond in grote letters te lezen op de borst van de koning die letterlijk van zijn voetstuk was gevallen. In Antwerpen en Leuven werden standbeelden weggehaald.

Afgelopen juli werd in het federale parlement een bijzondere commissie Congo/Koloniaal Verleden in het leven geroepen om zich over de kwestie te buigen. Over de samenstelling en de werkwijze van de groep ontstond meteen ophef. Een zestigtal historici en wetenschappers uitte in een open brief in De Standaard en Le Soir hun bezorgdheid. De commissie zou zich te sterk focussen op verzoening zonder een ‘neutraal’ historisch verslag af te wachten, waardoor alle bevindingen niet-legitiem zouden zijn. Ook de positie van Laure Uwase als expert in de commissie zorgde al voor internationale ophef, omdat Rwanda haar als een ‘negationiste van de Rwandese genocide’ beschouwt.

Antropologe en wetenschappelijk commissaris van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika Bambi Ceuppens meent dat er eerst bewustwording nodig is voor er een algemeen excuus kan komen voor het koloniaal verleden. ‘Voor de meeste Belgen blijft de tijd van de Belgische kolonisatie van 1908 tot 1960 un longue fleuve tranquille: een vreedzame periode waarin België Congo uitbouwde tot een modelkolonie met scholen, ziekenhuizen, industrie en infrastructuur en de Congolezen allemaal lachten. Zolang er daar geen publiek debat over is, lijkt elke discussie over excuses me voorbarig’, laat ze in een mail weten.

‘Ik ben het grondig oneens met dat standpunt’, zegt Debeuckelaere. ‘Als je als voorwaarde stelt dat iedereen voldoende kennis moet hebben over het koloniaal verleden voordat je excuses kunt formuleren, kun je nog lang wachten. Sterker: hoe meer mensen over de zwarte geschiedenis te weten komen, hoe meer ze het proberen goed te praten. Ik denk niet dat we voortschrijdend inzicht aan het creëren zijn. We denken erover na, praten erover, maar we gaan geen collectief maatschappelijk louteringsproces bereiken. Daar heb ik geen hoop meer op.’

Waar wel op? Ze denkt lang na. ‘Het begint niet met sorry. Het begint met tewerkstelling, onderwijs, culturele instellingen. De economische kloof die door de kolonisatie is ontstaan dichten, dat is het doel van dekoloniseren. En ik vind dat je mag geloven in iets waarvan je denkt dat het niet gaat lukken.’