Alledaags ploeteren

Jannie Regnerus schrijft onsentimenteel en toch ontroerend © Jean-Pierre Jans / ANP

Al dertien eeuwen lang wordt de Ise Jingu-tempel in Japan elke twintig jaar afgebroken en opnieuw opgebouwd. Dit zuiveringsritueel snelt voor het verval uit, waarborgt de schoonheid van het bouwwerk en zorgt ervoor dat eeuwenoude technieken en ambachten aan volgende generaties worden doorgegeven. Geen wonder dat Luut, protagonist van de nieuwe roman van Jannie Regnerus, als twintigjarige architect gefascineerd raakte door het heiligdom.

Het wolkenpaviljoen begint als Luut in het vliegtuig naar Japan zit, voor zijn tweede bedevaart naar de Ise Jingu. Hij is inmiddels veertig, zijn huwelijk is gestrand en hij tobt met het parttime vaderschap van zijn dochter Tessel. Zijn bevlogenheid voor zijn werk is hij helemaal verloren. Kortom, net als de tempel heeft hij na twintig jaar een ‘spirituele schoonmaak’ nodig.

Haar vorige roman Het lam was een puntgave proeve van vakmanschap, en in Het wolkenpaviljoen vindt Regnerus opnieuw een wonderschoon evenwicht in contour, contrast, kleur en licht. De binnenwereld van Luut ontvouwt zich door het vertelperspectief, de derde persoon enkelvoud, dat ze laat zweven tussen verteller en personage. Luut blikt veelvuldig terug op zijn leven, wat een zekere afstand impliceert, maar de tegenwoordige tijd waarin het verhaal is gesteld geeft zijn overpeinzingen juist emotionele directheid. De 39 ongenummerde hoofdstukjes, zelden langer dan drie bladzijden, voelen in het begin als uit de kluiten gewassen strofes van een prozagedicht – het hele werk telt ook niet meer dan 101 pagina’s. Maar Regnerus trekt het geheel snel strak, door de hoofdstukken associatief met elkaar te verknopen, symbolen en motieven door het verhaal te weven.

De architect die huizen ontwerpt maakt van zijn eigen dochter een nomade

Niet vaak zag ik iemand zo onsentimenteel en toch ontroerend schrijven over ouders die peilloos diep van hun kinderen houden en ze willen beschermen tegen onvermijdelijke pijn. In Het lam werd de onderdrukte paniek van een moeder met een ernstig ziek zoontje invoelbaar, in Het wolkenpaviljoen maakt Luut zich zorgen over de impact van de scheiding op zijn dochtertje: ‘Noodgedwongen heeft ze in zichzelf een thuis moeten oprichten om het bij de halfwekelijkse verplaatsing weer af te breken en mee te nemen naar de overkant.’ De architect die huizen ontwerpt waar gezinnen kunnen aarden heeft van zijn eigen dochter een nomade gemaakt; met zulke tegenstellingen geeft Regnerus haar roman met een paar ferme lijnen diepte. De liefdevolle ouderblik toont zich ook in terloopse observaties, zoals wanneer Luut, als Tessel niet thuis is, neerknielt ‘naast haar speelgoedwereld en kijkt, op zoek naar nieuwe details en scènewisselingen waaraan hij kan aflezen wat haar momenteel bezighoudt’.

Luuts vraag hoe hij zijn dochter een thuis kan bieden waar ze kan wortelschieten hangt samen met de weerstand die hij voelt tegen de hedendaagse woningbouw. De lelijkheid van prefabhuizen en het razende tempo waarin ze uit de grond worden gestampt doen hem verlangen naar de toewijding van de bouw van de Sagrada Familia, want ‘wie ziet dat men ongeacht wereldoorlogen en doemscenario’s stug is blijven bouwen aan een kathedraal kan niet anders dan erin geloven dat de mensheid nog een grootse toekomst tegemoet gaat’. Luuts visie op architectuur lijkt Regnerus’ kunstopvatting te weerspiegelen, hij koestert de overtuiging ‘dat ieder huis in een menselijk tempo moet groeien en aanraking nodig heeft, dat de bakstenen een voor een worden bezield in de warme handen van een metselaar’. Je zou moeiteloos geloven dat de heldere, ritmische zinnen van Regnerus ook met de hand zijn geschreven, dat elk woord op die manier bezield is geraakt en op precies de goede plek terechtgekomen. De schrijfster heeft niet meer nodig dan een tegen de fris gestucte muur gesmeten theepot om duidelijk te maken hoe de liefde tussen Luut en Kris is uitgelopen op een scheiding.

Op driekwart van de roman zoomt Luut uit van zijn stadse vaderschap naar de manier waarop hij in zijn eigen jeugd is gevormd door het polderlandschap en de plattelandscultuur. De schets van de benepen dorpsbewoners uit zijn geboortestreek roept een Hollandse nooit-je-kop-boven-het-maaiveld-uitsteken-mentaliteit op die naar een karikatuur neigt. Dat doet tussen alle sensitiviteit ineens wat bot aan, maar maakt wel duidelijk hoe verstikkend Luut de eenheidsdwang ervaren heeft, de verwachting dat hij net als zijn vader muurtjes zou gaan metselen: ‘Wie achter de dijk met een kunstenaarsziel in zijn borst wordt geboren, doet er verstandig aan die zo diep mogelijk in de binnenzak van zijn overall te verstoppen.’ Het is Luut gelukt zich beroepsgewijs aan de erfopvolging te ontworstelen, maar het oneindige landschap heeft hem in essentie net zo introvert gemaakt als zijn vader: ‘De ruimte heeft zich in Luut genesteld en vermomd als onbestemdheid reist ze in zijn volwassen leven met hem mee.’

Het is bijzonder hoe Het wolkenpaviljoen met haar bescheiden omvang een weidse mentale ruimte opentrekt. Aanvankelijk ligt de symboliek er wel dik bovenop – tempels, nesten, huizen, wortels, metselaars – maar naarmate het verhaal vordert, creëren die beelden zoals gezegd steeds meer verbindingen tussen de fragmentarische hoofdstukken. Zelfs het vele wit op de bladspiegel draagt bij aan de lucht, de rust. De roman is opvallend gelijkmatig, bijna zen, en daar moet je van houden, maar het helpt dat Het wolkenpaviljoen zelf de gemoedstoestand oproept waarin ze misschien wel het beste te lezen valt.

Over de moed die het dagelijks leven van je kan vragen dichtte Judith Herzberg eens: ‘Een schoonheid die de dagen doorstaat. Stevig en helder. Het gewone magistrale, waar jaren ploeteren in gaat.’ Over dat alledaagse ploeteren, hoe we iets opbouwen dat uit elkaar valt, waarna we onszelf bij elkaar rapen en weer met opbouwen beginnen, over de veerkracht die je daarvoor in jezelf moet aanboren, daarover heeft Regnerus een louterende roman geschreven.