Alledaagse marteling in Jeruzalem

De strips Jeruzalem en De Muur geven tezamen een goede indruk van het Israëlisch-Palestijns conflict. De ene keer vanuit westers, de andere keer vanuit Palestijns perspectief.

Guy Delisle, Jeruzalem. Vertaald door Arend Jan van Oudheusden € 24,90

Maximilien Le Roy, De Muur. Casterman, 104 blz., € 17,50

Een paar decennia geleden waren stripboeken bijna synoniem met avonturenverhalen. Even kon je 48 bladzijden lang wegdromen met Robbedoes, Suske en Wiske of Kuifje die steevast op exotische locaties een schurk probeerden tegen te houden. Dat soort strips voor jongeren zijn er nog steeds, maar er zijn ook avonturenverhalen voor volwassenen. Dan gaat het niet alleen om de dikke graphic novels, die vaak een literaire pretentie hebben, maar ook om autobiografische romans van tekenaars die zelf op pad gaan. Niet omdat ze nu per se iets spannends willen beleven, maar omdat ze op zoek gaan naar interessante onderwerpen, stripjournalistiek willen bedrijven (Joe Sacco) of toevallig ergens terechtkomen, om zich heen kijken en geïnspireerd raken door wat ze zien. In die laatste categorie valt de Canadees Guy Delisle (1966).

Delisle heeft inmiddels vier dikke autobio­grafische bundels op zijn naam staan, die zich afspelen op plaatsen die tot de verbeelding spreken. Zijn eerste boek Shenzhen ging over een grauwe industriestad in China (waar hij voor een animatiestudio werkte), daarna volgde Pyongyang (weer voor een tekenfilm) en vervolgens Birma (zijn vrouw werkte daar een jaar voor Artsen Zonder Grenzen). Geen doorsnee bestemmingen voor toeristen, maar je voelt wel aan dat ze interessante stof voor een verhaal opleveren. Echt spectaculair zijn Delisle’s verhalen echter nooit. Dat heeft te maken met zijn onderkoelde humor en het feit dat er weinig onverwachts gebeurt, of er moet iets misgaan met de douane of vergunningen waardoor Delisle terechtkomt in een bureaucratisch drama. Delisle is een scherp observator en rijgt kleine anekdotes aan elkaar die samen een goede indruk geven van hoe je leven als bezoeker van China, Noord-Korea of Birma eruitziet.

Of Jeruzalem, waar zijn nieuwste boek zich afspeelt. Net als in Birma reist hij met zijn vrouw mee naar deze dramatische plek waar de conflicten al decennialang aanhouden. Het gezin met twee kinderen belandt in Beit Hanina, Oost-Jeruzalem, dat in 1967 werd geannexeerd en waar veel ‘expats’ leven. Iemand van azg probeert Delisle uit te leggen wat de status van het gebied is: ‘Volgens de Israëlische regering zijn we in Israël, maar volgens de internationale gemeenschap, die de herindeling van 1967 niet erkent, bevinden we ons op de Westelijke Jordaanoever dat Palestina moet worden als het ooit zo ver komt.’ Als hij vraagt of Jeruzalem dan de hoofdstad is, wordt het nog ingewikkelder en raakt hij de draad kwijt.

Het verblijf in Beit Hanina levert massieve logistieke problemen op, omdat het openbaar vervoer ofwel in de oude stad ofwel in de Arabische gebieden rijdt. Delisle en zijn gezin bevinden zich in het Arabische gedeelte en moeten veel moeite doen om van A naar B te geraken. Zijn vrouw Nadège heeft een drukke baan, dus speelt Delisle voor huisvader. Een paar dagen per week gaan de kinderen naar de opvang, waar de hele dag de tv aan staat. Als Delisle ze ophaalt, blijven ze maar doorgaan over Tom en Jerry (waar ze de hele dag naar hebben gekeken). Maar goed, de tekenaar kan in z’n eentje op pad om de stad te verkennen en materiaal te verzamelen voor zijn boek. Zo bezoekt hij meermalen de enorme scheidingsmuur die om Israël wordt gebouwd, waar steevast gedoe is bij de checkpoints. Journalisten, fotografen, soldaten, vrijwilligers die de boel ‘monitoren’ en natuurlijk Palestijnen die gewoon erdoor willen, draaien daar constant om elkaar heen.

Delisle slaat zich manmoedig door zijn verblijf heen en zorgt voor de kinderen. Het duurt even voor de tekenaar zijn draai vindt, maar hij maakt contact met een paar andere expats met kinderen met wie hij samen de stad verkent of in de speeltuin rondhangt. Interessant wordt het als Delisle de stoute schoenen aantrekt en Hebron of Nablus bezoekt. Dat gebeurt later in het boek als Delisle wordt uitgenodigd lezingen te geven over zijn werk dat geëxposeerd wordt. In gesprek met de organisatoren komt hij (en wij ook) weer veel te weten over de bizarre situatie in Israël. Bijvoorbeeld de nederzettingen. Die worden door kolonisten gebouwd op Palestijns grondgebied, maar omdat er te weinig huizen door joden worden gekocht, betrekken steeds meer Israëlische Arabieren de huizen. De nederzettingen worden dus weer terug gekoloniseerd.

Delisle blijft net als in zijn andere boeken buitenstaander. Hij doet keihard zijn best contact te leggen om het raadsel dat Jeruzalem is te begrijpen, maar het wordt alleen maar verwarrender. Een mooi voorbeeld is een kleine kerk van St. Lazarus die Delisle heeft ontdekt tijdens zijn omzwervingen. De muur is pal naast de kerk gebouwd, waardoor de doorgang naar een nonnenklooster vlakbij is afgesloten. Nu moeten ze een lange reis met een auto maken, voordat ze via een checkpoint elkaar kunnen bezoeken. De muur loopt als een rode draad door het verhaal en zorgt voor veel ellende.

Over de ellende van het wonen aan de verkeerde kant van de muur lezen we in De Muur van Maximilien Le Roy. Daarin gaat het over Mahmoud, een jonge Palestijn die in het vluchtelingenkamp Aida (Cisjordanië, vlak bij Jeruzalem) woont. Hij verveelt zich de hele dag in de kruidenierswinkel van zijn familie. Al dromend tekent hij schetsboeken vol, rookt sigaretten en mijmert: ‘Het alledaagse is als een marteling, als druppels die steeds op dezelfde plek vallen.’ Soms wordt zijn lethargie onderbroken door een mooie vrouw die de winkel in wandelt. Zoals een knappe Israëlische die hij niet kan vergeten of azg-medewerkster Audrey, die vraagt of hij haar kan helpen een ‘stukje couleur locale op te snuiven’. Mahmoud wil Audrey wel meenemen naar zijn zus in Israël, maar voor hem is het een stuk moeilijker de andere kant te bereiken dan voor Guy Delisle. Waar de een als Europeaan zo door mag, moet Mahmoud enorm veel moeite doen om alle roadblocks te passeren.

De Muur heeft niet echt een plot; we volgen de dagelijkse beslommeringen van een jongeman die gevangen zit in de gevangenis die Palestina heet. Hij kan nergens heen en verveelt zich. Het is de verdienste van de tekenaar dat het verhaal, dat af en toe overloopt van poëtisch bedoeld zelfmedelijden, interessant blijft. Hij hanteert meerdere stijlen en kleuren en brengt zo wat schwung in het vrij statische, maar desalniettemin indringende verhaal over een jongeman in Cisjordanië. Behalve het stripverhaal bevat dit boek ook een fotoreportage van Maxence Emery en een interview met Alain Gresh, waardoor de problematiek van het boek van wat meer achtergrond wordt voorzien.

Als je Jeruzalem en De Muur achter elkaar leest, heb je het gevoel een aardige indruk van de problematiek te krijgen. De ene keer vanuit westers, de andere keer vanuit Palestijns perspectief. Om het helemaal compleet te maken, zou je ook nog een boek van stripjournalist Joe Sacco erbij kunnen pakken, bij voorkeur Palestine. Dat boek, waarvoor hij twee maanden in bezet gebied verbleef, is weliswaar al meer dan tien jaar oud, maar nog steeds actueel omdat de situatie nog net zo uitzichtloos is.