Alleen de verandering blijft

Voor welk verleden kies je bij het conserveren van fotografie?

‘Bent u bekend in het museum?’ vraagt de vrouw terwijl ze de museumkaart scant. Voordat ik kan antwoorden vervolgt ze: ‘In de kelder draait een diashow. Hij duurt een kwartiertje en start elke twintig minuten.’

Houten stellages, geprojecteerde video’s en grote prints waar de kleuren van afspatten. Er is zichtbaar een hoop moeite gedaan, maar soms is moeite alleen niet genoeg. Het belang van het restauratieproject staat buiten kijf, het schimmelende oeuvre moest worden gered, maar op een tentoonstelling die voor alles levensvreugde wil uitstralen heeft het allemaal iets onwerkelijks, als een maquette op ware grootte. Wat gevierd wordt is niet het werk zelf, maar een benauwd idee ervan. Ed van der Elsken equals levenslust.

Als ik minder naïef in het leven had gestaan had ik vast direct begrepen dat in de beloofde diashow geen daadwerkelijke dia’s werden vertoond. Zulk gerestaureerd materiaal is ongetwijfeld te kostbaar en te kwetsbaar om het maanden achtereen in een projector te laten zitten en het dag in, dag uit driemaal per uur te vertonen.

Nee, vanaf de comfortabele banken in de donkere kelder keken de tweejarige en ik, met lichtgevende koptelefoons als omgekeerde bankschroeven om onze hoofden geklemd, zij aan zij naar een video-installatie waarbij foto’s die we boven hadden gezien nogmaals voorbijkwamen – nu voorzien van een soundtrack waarop Lou Reed en Iggy Pop de geneugten van respectievelijk de liefde en het leven bezongen. De tweejarige vond het prachtig.

Liefdevol was het zeker, maar er bleef op de een of andere manier zo weinig over van Van der Elskens foto’s. Ik rook opeens te vaak dat sentimentele en onuitroeibare je-kunt-er-langs-de-grachten-lopen-chauvinisme – dat opzichtige hoofdstedelijke gehunker naar ongecompliceerdheid – en zag in veel te veel foto’s het uiteindelijk-zijn-we-allemaal-gewoon-mensen-humanisme dat doet alsof het de onderlinge verschillen tussen mensen vervaagt, maar dat intussen vooral de totale ongelijkheid in onze omstandigheden lijkt te verzachten. Van der Elskens foto’s van over de hele wereld leken er plotseling vooral op uit in algemeenheden te spreken en als gevolg daarvan bar weinig los te laten over de unieke omstandigheden van ieder leven.

Conserveren, dacht ik, terwijl de tweejarige uitgelaten de zaal uit rende, is niet simpelweg het verleden bewaren, het is oog in oog met de onvermijdelijke verandering van alle dingen antwoord geven op de vraag welk verleden we verkiezen.

Ik rook opeens dat je-kunt-er-langs-de-grachten-lopen-chauvinisme

Op de terugweg zag ik op mijn telefoon hoe een vriend op Instagram een reeks foto’s van Robert Frank deelde: ‘There has not been and never will be a photographer more influential than Frank.’ Het duurde even voor ik doorhad dat hij het bericht had geplaatst nadat bekend was geworden dat Frank op 94-jarige leeftijd was overleden. Inmiddels verscheen het ene na het andere bericht over Frank en hoewel ik vrijwel alle gedeelde foto’s meteen herkende, besefte ik ook dat ik nooit langer dan een paar minuten door The Americans, het boek dat hem onsterfelijk had gemaakt, had gebladerd. Ik nam me voor een exemplaar te kopen.

Franks foto’s zijn niet sentimenteel. Ze zijn verbaasd, maar met een donkere ondertoon. Met stomheid geslagen door de werkelijkheid die de vanuit Zwitserland gemigreerde fotograaf in Amerika aantrof toen hij, een beetje als Sal Paradise en Dean Moriarty in On the Road maar dan met steun van een Guggenheim-beurs, in een tweedehands Ford kriskras van kust naar kust raasde. Het is de blik van de buitenstaander, maar van binnenuit. Een perfecte appeltaart, met deeg uit Zürich. Criticus Peter Schjeldahl noemde het boek ‘one of the basic American masterpieces of any medium’.

Op de cover staat een van Franks bekendste foto’s. Het is het zijaanzicht van een tram, al is de vorm waaraan je een tram doorgaans herkent buiten het kader gevallen: we zien vijf ramen op een rij en begrijpen slechts dat dit een vervoersmiddel moet zijn. Vanuit elk venster staren twee of vier ogen de fotograaf aan. Ze zijn jong en oud, man en vrouw. En ja: voorin zijn de gezichten wit, achterin zijn ze zwart.

In 1956, het jaar waarin Frank veel van de bijna dertigduizend foto’s maakte die de basis voor The Americans vormden, schreef essayist E.B. White The Ring of Time. Het verhaal gaat over de indrukwekkende act van een jonge amazone in een circus in Florida, maar plots komt White te spreken over de ‘separate but equal’-doctrine die op dat moment in het diepe zuiden de verhoudingen bepaalt.

De zelf uit het liberale noorden afgedaalde White vertelt hoe het gezicht van zijn Finse kokkin betrekt wanneer hij haar de bushalte toont en wat beschaamd zegt dat ze maar beter voorin kan gaan zitten. ‘A look of great weariness came onto her face, as it does when we use too many dishes, and she replied, “Oh, I know – isn’t it silly!”’

Het idee van ‘separate but equal’ was zogenaamd gebaseerd op ‘common sense’, schrijft White. Maar het eerste slavenschip met mensen geketend op het dek, zal de eigenaren van de boot en de plantagehouders die ervan profiteerden, ook normaal hebben toegeschenen. Wat normaal is, verandert. ‘The only sense that is common is the sense of change – and we all instinctively avoid it, and object to the passage of time, and would rather have none of it.’