Die Wand, Marlen Haushofer

‘Alleen ik kan genade schenken’

De vrouw in Marlen Haushofers ‘Die Wand’ is, afgezien van een paar dieren, als enige levende op de wereld overgebleven. Dat werpt essentiële vragen op over haar rol in het leven en over het leven zelf.

‘Het enige wezen in het bos dat werkelijk recht of onrecht kan doen ben ik’ © Ullstein Verslag

Een Oostenrijkse vrouw van in de veertig verblijft bij vrienden in een jachthut in een bergdal. Op de eerste ochtend wordt ze alleen wakker en ontdekt dat een onzichtbare muur haar afschermt van de rest van de wereld. Achter de muur, concludeert ze al snel, is iedereen dood. Daarbinnen, in een gebied dat behalve het dal ook een deel van de bergen beslaat, is ze de enige overgebleven mens. Voordat haar verbijstering kan omslaan in radeloosheid zet de vrouw zich aan het werk. Ze inventariseert haar spullen en maakt een plan. Ze is de laatste mens op aarde, maar ze heeft gezelschap. Luchs, de hond van haar vrienden, is bij haar. Later voegen zich nog een koe en een poes bij hen. De naam van de hoofdpersoon uit Die Wand (vertaald als De wand), Marlen Haushofers roman uit 1963, komen we nooit te weten. Ze heeft geen naam meer, er is niemand die hem zal noemen. Op haar beurt geeft ze haar dieren wel een naam. Het bestaan van de vrouw is, hoewel teruggebracht tot zijn meest basale vorm, geenszins primitief.

Haushofer werd in 1920 in Oostenrijk geboren. Haar vader was boswachter, de natuur was altijd dichtbij. De vrijheid van haar jeugd werd enkel begrensd door de regels van haar streng katholieke moeder. Haar kinderjaren beleefde ze als idyllisch; met tegenzin groeide ze op en werd volwassen. Ze ging studeren, trouwde later met een tandarts en kreeg twee zoons. In 1970 overleed ze op 49-jarige leeftijd aan botkanker. Ze liet een klein oeuvre na, waarvan De wand nog steeds haar bekendste en meest geprezen werk is.

In De wand vertelt de naamloze vrouw heel precies en in sobere zinnen hoe ze de afgelopen twee jaar leefde. De afgemeten stijl, waarin geen ruimte is voor sentimentaliteit, sluit aan bij een bestaan waarin handelen voorop staat. ‘Op het dak hingen een paar spanen los’, schrijft ze, ‘en die schade moest ik zo snel mogelijk herstellen. Ik zag er wel tegenop, want ik heb wat hoogtevrees, maar hoogtevrees of niet, ik moest gewoon het dak op om het te repareren.’

De wand is een survivalrelaas, een overlevingsverhaal als dat van Robinson Crusoe. In het verlengde van Henry David Thoreau’s Walden is het een ode aan een teruggetrokken en zelfvoorzienend bestaan. Je kunt het post-apocalyptisch noemen of, zoals een recensent van The Guardian schreef, kafkaësk. De wand is het allemaal en, op de een of andere manier, nog meer. De wereld die Haushofer beschrijft, met achter haar taal altijd de dreiging van onheil, zou je dystopisch kunnen noemen. Tegelijkertijd is het verlangen van de schrijver bijna voelbaar. In De wand beschrijft ze net zo goed een utopie; een bestaan dat dan wel eenzaam is, maar ook volkomen onafhankelijk.

De vrouw windt elke dag haar klokken op en streept de datum af op haar kalender. Ze wast zich en maakt het huis schoon. Ze klampt zich vast, zo schrijft ze, aan de overblijfselen van menselijke orde. ‘Misschien ben ik bang dat ik anders langzaam zou ophouden een mens te zijn. (…) Niet dat ik bang ben om een dier te worden, dat zou niet zo erg zijn, maar een mens kan nooit een dier worden, hij stort voorbij het dier in een afgrond.’

Ze legt een aardappelakker aan. De koe, die ze op een van haar tochten met Luchs heeft gevonden, geeft melk. Langzaam wordt haar lichaam – ze omschrijft het als een stuk gereedschap – pezig en sterk. Ze treurt om het veranderen van haar uiterlijk, om het feit dat het er niet meer toe doet hoe ze eruitziet. Ze treurt om het verlies van cultuur, en om het feit dat ze nooit meer sinaasappelen zal eten. Haar verdriet kan heel klein zijn, zoals ook haar geluk dat soms is. Ze vindt genoegen in de aanblik van een zonnende adder. Of in de zoete frambozen waarvan ze een hele emmer leeg eet.

‘Ik ben warm en levend en ze voelt dat ik haar goedgezind ben. Meer zullen we nooit van elkaar weten’

Ook de band met haar dieren is van een ontroerende eenvoud. Over haar koe, die ze Bella noemt, schrijft ze: ‘Ik ben warm en levend en ze voelt dat ik haar goedgezind ben. Meer zullen we nooit van elkaar weten.’ Haar relatie met haar dieren draait om zorg, vertrouwen, gezelschap, afhankelijkheid. Door te observeren en zich in te leven ontdekt ze hoe ze hen kan behagen. Met Luchs maakt ze wandelingen, voor Bella richt ze een stal in. Hun afhankelijkheid maakt haar belangrijk; dat de dieren haar nodig hebben, is haar enige bestaansrecht. Zelfs de autonome, eigenwijze kat slaapt elke nacht bij haar op bed.

De vrouw vraagt zich af hoe ze haar beproeving had ervaren als ze gezelschap had gehad van een man. Had het haar leven makkelijker gemaakt? Als de zwakkere van de twee zou ze afhankelijk van hem zijn geweest. Misschien had hij haar wel voor zich laten werken, bedenkt ze zich. Ze had hem ‘dood verzorgd’, schrijft ze, want ‘zo ben ik nu eenmaal, en daar heeft ook het bos niets aan veranderd’. De man onderdrukt, de vrouw zorgt. Zelfs het einde van de mensheid kan dat rolpatroon niet doorbreken. Maar het is Haushofer om een ander dogma te doen: de vrouw die de man wantrouwt. Die altijd op haar hoede is.

Over haar voorbije leven vertelt de vrouw niet veel. De lezer sprokkelt de feiten bij elkaar. Ze was weduwe, en ze had twee volwassen dochters. Haar leven – dit is iets wat ze zich dan pas realiseert – werd getekend door verveling en onbehagen. Dat haar dochters nu dood zijn, lijkt ze niet te willen weten. Liever denkt ze terug aan de tijd dat ze nog kinderen waren, en hun moeder nodig hadden. Nu, achter de muur, is haar rol net zo helder als toen: ze zorgt. Ze hoeft niet na te denken over welk pad ze zal volgen: er is maar één pad. Haar leven is tot een scherpe punt geslepen. Ze heeft dan wel geen naam, maar de rol die ze zichzelf heeft toebedeeld is cruciaal. Door zich klein te maken, maakt ze zich groot.

In het kleine stadje Steyr leidde Haushofer het onopvallende bestaan van een huismoeder. Het was een onopvallendheid waar ze hard aan werkte, zo schreef ze eens aan een vriendin. Haar boeken schreef ze vroeg in de ochtend, of tussen het werk door, aan de keukentafel. Haar buren wisten niet dat ze schrijver was; dat leven bewaarde ze voor Wenen, waar ze zich in literaire kringen begaf en affaires onderhield. Op een gegeven moment scheidde ze van haar man, om jaren later opnieuw met hem te trouwen. Al die tijd woonde ze bij hem in huis en hield de schijn op van een gelukkig huwelijk. Zelfs over haar terminale ziekte loog ze.

Het verlangen dat verstopt zit in De wand spreekt ook uit Haushofers tegenstrijdige leven. Het is een verlangen om centraal te staan en toch anoniem te zijn, om je te laten gelden, maar daar niet de verantwoordelijkheid voor te dragen. Er is iets kinderlijks aan het leven dat de vrouw in De wand leidt. Het herinnert aan de neiging van kinderen om hutten te bouwen in huis. Zijn het vooral meisjes die zich graag terugtrekken in een besloten, beheersbare ruimte? Is het typisch meisjesachtig om over een eigen universum te willen heersen? Trekken meisjes, en later vrouwen, zich in hun eigen wereld terug omdat de rest van de wereld al van de mannen is?

De vrouw heeft een geweer en munitie. Ze moet de bossen wel in om wild te schieten, maar ze doet het niet graag. Ze doodt alleen de zwakste bokken. Het is het soort nederigheid waar grootheidswaan achter verscholen zit. ‘Het enige wezen in het bos dat werkelijk recht of onrecht kan doen ben ik’, schrijft ze. ‘En alleen ik kan genade schenken. Soms zou ik willen dat die beslissingslast niet op mijn schouders lag.’ Is ze God in haar eigen mini-universum of is ze juist een radertje in een veel groter geheel? Verderop schrijft ze: ‘Tegen mijn gepruts is het bos wel bestand. Ik ben geen ordeverstoorder die je serieus hoeft te nemen. De brandnetels naast de stal zullen heus wel doorgroeien, ook al roei ik ze honderd keer uit, en ze zullen mij ongetwijfeld overleven. Ze hebben zoveel meer tijd dan ik.’

Ze observeert het wild in de bossen. De gemzen worden uitgeroeid door schurft. De reeën zijn juist met te veel, in de winter zullen ze verhongeren omdat er niet genoeg voedsel is. Ze voegt zich steeds meer naar de natuur. Wanneer al haar klokken stuk zijn, meet ze de tijd af aan de kraaien die elke dag op hetzelfde uur naar de hut komen. Er zit ook een witte kraai tussen. Er ligt altijd iets in het verschiet, al was het maar een nieuw seizoen. Dat de tijd verstrijkt, ook als een deel van de wereld stilstaat, biedt troost. Een dier gaat dood, een ander dier wordt geboren. De aardappels doen het goed, de bonenplanten groeien tegen de staken die de vrouw in de aarde heeft gezet. Maar – ze vermeldt het bijna achteloos – intussen raken de lucifers op.

De wand is een schrijnend, een ontzettend boek. Je kunt het niet neerleggen en je kunt er niet in verder lezen. Tegen het einde wordt de toon somberder, juist omdat de vrouw steeds hoopvoller klinkt. Haushofer maakt het leven zo klein dat je je wel moet afvragen wat het eigenlijk waard is. Het is een confronterende vraag, die zijn nagels diep in je vel zet, zoals ook De wand een boek is om niet makkelijk te vergeten. Elke dag voert de vrouw de witte kraai. Ze doet het tegen beter weten in. De kraai is verstoten door de groep en zal toch niet overleven. Maar ze kan niet anders. Door de kraai in leven te houden houdt ze ook zichzelf in leven. Wat is het leven anders dan je ogen dichtdoen voor de dood?