Alleen in boekwinkels thuis

Norman Manea
De terugkeer van de hooligan: Memoires
Uit het Roemeens (Întoarcerea huliganului, 2003) vertaald door Ellen Bredius
Meulenhoff, 445 blz., € 24,90

Medium manea 20omslag

Erg bekend is de Roemeen Manea (1936) hier niet. Van zijn verhalend en essayistisch werk zijn in het Nederlands alleen twee verhalenbundels vertaald: Leergeld en andere verhalen (1989) en Het verhoor (1992). Misschien had men toen genoeg van Oost-Europese dissidenten. In 1992 werd de in 1986 naar Amerika uitgeweken schrijver in Roemenië ‘staatsvijand nummer één, internationale divisie’ toen hij het fascistische verleden van de godsdiensthistoricus en mythenonderzoeker Eliade had onthuld. Het zojuist vertaalde zelfportret scharniert om de twee keer dat Manea in Roemenië terugkeerde: in 1945, toen hij met zijn ouders uit een Duits concentratiekamp terugkeerde in Buconiva (nu Oekraïne); en in 1997, toen hij een bezoek aan Roemenië bracht en zag hoe velen zich een nieuw masker hadden aangemeten. Alleen in boekwinkels voelde Manea, die altijd in het Roemeens bleef schrijven, zich enigszins thuis.
De titel verwijst naar een boek dat in 1936 geschreven werd door de Roemeens-joodse schrijver Michail Sebastian. In het Slavisch betekent hooligan zoiets als herrieschopper, grappenmaker; Manea gebruikt het als ‘rebel’.

Memoires, zoals de Nederlandse ondertitel luidt, zijn het niet; het is eerder een zelfportret in stukken (43 hoofdstukken). Het dikke boek bevat herinneringen aan de vroege jeugd, de ouders, het landschap; de periode dat hij als waterbouwkundige werkzaam was, het begin van zijn literaire carrière en de ballingschap. De keuze van episodes is selectief, al wordt niet duidelijk wat Manea overslaat en waarom. Het resultaat is een verzameling aantekeningen van zeer verschillend gehalte, en daar had Manea selectiever kunnen zijn; in zijn essays en verhalen is hij veel strakker en scherper.

Het uitgebreide dagboek van de tweede terugkeer, 1997, vind ik een beetje teleurstellend. In het echt én op papier lijkt Manea het hem vreemde heden te ontwijken. Zijn waarnemingen worden dan wat verongelijkt, verbitterd, om niet te zeggen laatdunkend. Het is bijna alsof hij de angst uit de tijd van de ‘socialistische farao’ mist. Als hij op een joods feest te gast is ontbreekt de spanning van vroeger, toen zoiets verboden was, en ziet hij alleen maar apathie. Jood is hij geworden, schrijft Manea, door holocaust, communisme en ballingschap. Misschien toont dit boek vooral de sporen van de ballingschap, in den vreemde een voortzetting van het buitenstaanderschap van de hooligan in eigen land.