Bij de glasbakken begint een buurtgenoot tegen me aan te praten. ‘Ik ga nu maar voor België juichen’, zegt hij op allerminst juichende toon. Eén voor één laat hij zijn wijnflessen door de opening glijden, met lange tussenpozen, zodat hij ze ondergronds uiteen kan horen spatten. ‘Of anders voor Frankrijk’, vervolgt hij. Het is maandagochtend. Niet alles kan nog gebeuren, maar wel veel.

‘Waarom ben je niet meteen voor Italië?’ vraag ik als ik een Barbera d’Asti in het naburige gat deponeer. ‘Dan ben je in één keer klaar.’

De man verfrommelt zijn plastic tasje en stapt gelaten weg van het afvalpodium. Hij draait zich om en zegt, onverwacht vrolijk: ‘Italië…! Je probeert me toch niks aan m’n laars te lappen hè?’

Woordgrap, bedenk ik pas als hij weg is. Daar had hij geel voor moeten krijgen.

En toch blijft het vreemd, dat je altijd ‘voor’ één specifiek land moet zijn. Ik herinner me een zinnetje bij Ian McEwan, ik meen uit Saturday, waarin de hoofdpersoon een discussie tussen twee mensen aanhoorde, alsof hij, ik parafraseer, naar een voetbalfinale tussen twee buitenlandse teams keek. Zonder een voorkeur of affiniteit te hebben.

Maar kan zoiets wel, zo’n neutrale positie innemen? In het potje tussen Kroatië en Spanje probeerde ik het, maar al vóór het eerste doelpunt van de Kroaten hadden ze mijn sympathie. Net als de Zwitsers later die avond tegen Frankrijk, die ook van een 3-1-achterstand terugkrabbelden.

Objectief gesproken is er geen enkele reden om met welk voetbalclubje dan ook te sympathiseren, zelfs niet met het Nederlands elftal. Ik ken niemand ervan persoonlijk. De kans dat ik met een van die spelers samen een genoeglijke avond zou kunnen hebben, is hoegenaamd nul.

Ik heb een lichte afkeer van de materialistische lifestyle van de meeste stervoetballers en hun entourage. Ik heb zo mijn bedenkingen bij de buitensporige macht van het geld in deze sport. Dat de UEFA aanvankelijk regenboogvlaggen in het stadion van Boedapest verbood, zou op zichzelf al een rechtvaardiging moeten zijn voor een kijkboycot van dit hele toernooi. Telkens als de reclame voor Qatar Airways naast het veld in beeld is, denk ik aan die zes-en-een-half-duizend arbeidsmigranten die in Qatar stierven voor ons kijkplezier bij het volgende lolletje.

Jonge mannen die tien, twaalf uur per dag onafgebroken zwoegden in de zinderende hitte en stierven van uitputting en hartaanvallen. Al die duizenden lijkenkisten, met rouwende familieleden en kinderen erachteraan. Dat louter en alleen om andere jonge mannen het podium te geven waarmee ze auto’s van drie ton verdienen, privéjets en jachten – heel die opera van wansmaak is gedrenkt in onschuldig bloed.

Nou ja, er zijn ergere dingen in de wereld. En af en toe moet je ook kunnen relaxen en voetbal kijken. Terug naar Kroatië en terug naar Zwitserland dus. Spelers die zonder enige twijfel net zulk schorem zijn als de rest hebben hier plots mijn sympathie.

Raadselachtig, en toch is het mechanisme wel te verklaren. Je bent vóór ze om dezelfde reden om vóór het lelijke eendje te zijn, voor David in plaats van Goliath, voor Kees de Jonge, voor Walter Vedder, voor Ferdinand Bardamu, voor Eline Vere en vooral ook voor Donald Duck.

De underdog, de uitgeslotene, de outcast die zich door alle tegenslagen heen een eigen weg knokt, die steelt ons hart, omdat we ons armzalige zelf er vervormd en uitvergroot in terugvinden.

Alleen losers zijn voor de winnaar. Alleen de zwakkeling gaat lafjes schuilen onder de paraplu van de gedoodverfde. Als je daarbij ook nog met een regenboogvlaggetje staat te wapperen, mag je van mij meteen afdouchen.

De regenboogkleuren! Heineken, Booking.com, Volkswagen… Zelfs TikTok had ze in de lichtreclames rond het veld. Je zou er bijna genegenheid voor Qatar Airways door krijgen, dat tenminste rebels in de homofobe rouwkleur bleef adverteren.

Als ik mijn buurman morgen bij de glasbak spreek zal ik het hem uitleggen. Het is tijd om kleur te bekennen. Als het dan onmogelijk is om neutraal te blijven, kies ik voor de loser die daar het dichtst bij de in buurt komt. Zwitserland.

‘Daar zit wat in’, zal hij reageren. ‘En hun vlag is ook een grote plus.’

Dan krijgt hij meteen rood.