Alleen maar echte mensen

In het sprookjesachtige witte landschap van Pamuks Sneeuw versmelten politiek en werkelijkheid.

Medium sneeuw

Sneeuw begint met onder meer een citaat van Stendhal, uit De chartreuse van Parma (1839): ‘Politiek in een literair werk is als een pistoolschot tijdens een concert; ongepast maar niet te negeren. We gaan het nu hebben over hele kwalijke zaken…’ Het is zelfplagiaat van Stendhal, dat wil zeggen, in Het rood en het zwart (1830) laat Stendhal zijn jonge held Julien Sorel iets soortgelijks noteren. Sorel wordt door zijn mecenas in de betere salons van Parijs ingezet als notulist bij een van de bijeenkomsten van een groepje bobo’s. Sorel schrijft op wat een verder naamloos blijvende auteur zegt: ‘Politiek’, reageert de auteur, ‘is een steen om de hals van de literatuur en brengt haar binnen een half jaar tot zinken. Politiek is voor de verbeelding als een pistoolschot tijdens een concert. Het is een verscheurend geluid dat geen draagkracht heeft: het harmonieert met de klank van geen enkel instrument. Politiek zal de ene helft van zijn lezers dodelijk beledigen, maar vervelend zijn voor de andere helft, omdat die haar heel wat bekwamer en kernachtiger zag toegelicht in de ochtendkrant.’
Julien noteert het zonder er verder bij na te denken. In zijn borst brandt het vuur van de Romantiek, en om zoiets als politiek wil hij zich niet eens bekommeren. Wat een verschil met de hoofdpersoon van Sneeuw, de Turkse dichter Ka, die de laatste twaalf van zijn 42 levensjaren doorbracht in politieke ballingschap in Berlijn. Elk vuur dat ooit in zijn hart brandde – een links ideaal van gelijkheid, een geloof in de zuiverende kracht van poëzie – is uitgeblust; het enige dat resteert is politiek. Pamuk laat zijn personage dit beseffen als het tegenover zijn liefdesrivaal zit. In hun fantasie spreken ze tegen elkaar: ‘Daar zitten we dan alletwee, veel meer dan een soort ballingschap is ons leven niet, en dat we er veel van gemaakt hebben, dat we zo succesvol en gelukkig zijn, kun je ook niet zeggen (…) Je kunt wel een dichter zijn, maar ook dat is kennelijk niet genoeg… Daarom is het ons niet gelukt om uit de schaduw van politiek te treden.’ Toen dat eenmaal gezegd was konden ze het in zijn fantasie geen van tweeën laten om te zeggen: ‘Toen het geluk in de poëzie niet volstond, vielen we de politiek in de armen.’

Als Sneeuw al niet het beste boek van Orhan Pamuk is, dan is het precies om deze reden wel het interessantste – en waarschijnlijk de reden dat Pamuk in 2006 de Nobelprijs kreeg. Zoals Stendhal meende dat politiek altijd een keiharde breuk is met de literaire wereld, zo doet Pamuk zijn uiterste best de twee met elkaar te vermengen, totdat het een kleur oplevert die niets anders kan zijn dan wat we lezen: een verhaal waarin de werkelijkheid en de fantasie naast elkaar leven, elkaars contouren invullen.
Dat klinkt nogal clichématig. Een roman waarin de werkelijkheid en de fantasie naast elkaar leven. Geldt dat niet voor elke roman?

De grote truc, en zo krijg je een Nobelprijs, is een roman schrijven waarin de optelsom van literatuur en politiek meer is dan de som der delen. Pamuk doet dat. Het verhaal van Sneeuw doet op het eerste oog denken aan Sleepy Hollow van Washington Irving. De dichter Ka – de verwijzing naar Kafka’s K. is onmiskenbaar – reist af naar het provinciale dorpje Kars, ergens ver weg van Istanbul, tegen de grens van Armenië, om daar een reportage te schrijven over de lokale verkiezingen en de golf van zelfmoorden onder jonge meisjes. Iedereen wil hem ontvangen en zijn versie van de waarheid vertellen – loco-burgemeesters, politici, imams, hoofdredacteuren, verzetsleiders. Het is een klassiek perspectief: we volgen Ka op zijn rondgang door de stad, luisteren naar de uiteenlopende verhalen van zijn gesprekspartners, leren Kars op ons duimpje kennen.

Maar het is geen klassieke roman. Het boek heeft een postmoderne touch; het verhaal wordt onderbroken door krantenberichten, verslagen van audiotapes, en de alwetende verteller begint steeds meer aandacht op zichzelf te vestigen, totdat hij, een schrijver genaamd Orhan, zelf het verhaal binnen stapt. Dit is precies de werkwijze van Orhan Pamuk, die steeds twee werelden tegenover elkaar zet, die van de literatuur en die van de politieke werkelijkheid.

Allereerst in de setting. Het stadje waar alles zich afspeelt, Kars, kent de grauwe realiteit van het hedendaagse Turkije: de werkloze mannen drommen samen in de duistere koffiehuizen, een deel behoort tot het seculiere kemalistische kamp, het andere deel tot het islamitische kamp. Gespreksonderwerpen zijn voetbal, het verbod op hoofddoekjes en de mogelijke aanwezigheid van een PKK-achtige guerrillaleider in de stad. De politie luistert alles af, de kranten schrijven wat de staat wil.
Tegelijk zwaait Pamuk met zijn toverstafje en maakt van het dorp een sprookjeslandschap; tijdens Ka’s vier dagen in Kars sneeuwt het onafgebroken. Kars is afgesloten van de buitenwereld, en het landschap krijgt een maagdelijke, mystieke sfeer. Zelfs de atheïstische Ka denkt bij de sneeuw aan God, aan hoe mooi en mysterieus de wereld is, hoe waardevol het leven.

Ook de golf van zelfmoorden onder jonge vrouwen heeft iets dubbelzinnigs. Uitsluitsel over de oorzaak wordt niet gegeven. Aan de ene kant lijken ze zich als martelaar van de islam te zien: ze plegen zelfmoord vanwege het verbod op het hoofddoekje – één hangt zich zelfs op aan haar sluier. Of zoals een dorpsbewoner het zegt: mannen geven zichzelf een godsdienst en vrouwen plegen zelfmoord. Aan de andere kant doet het gegeven van een golf van zelfmoorden – hoeveel het er zijn houdt de politie geheim – oudtestamentisch aan. Alsof er een vloek is neergedaald op Kars. Bovendien is er de suggestie dat de vrouwen iets romantisch nastreven, dat hun actie het gevolg is van een hunkering naar vrijheid en liefde.
Net zo paradoxaal is het feit dat de treffendste beschrijving van wat God en religie kunnen betekenen niet van de islamieten komt, maar juist van Ka, de wereldse atheïst, nadat hij een paar glazen raki achterover heeft getikt: ‘Ik wil een God van wie ik niet mijn schoenen hoef uit te doen, iemands hand hoef te kussen en op mijn knieën te gaan zitten om met Hem in contact te komen. Ik wil een God die mijn eenzaamheid begrijpt. (…) Omdat ik alleen ben, kan ik niet in God geloven, en omdat ik niet in God kan geloven, kan ik geen uitweg uit de eenzaamheid vinden.’

En dat is misschien nog het mooiste aan Sneeuw, en Pamuks meest waardevolle toevoeging aan die schijnbaar botsende beschavingen: dat niemand fungeert als zwart-wit uithangbord voor een idee, elk personage dat voorbijkomt draagt een onmiskenbare menselijkheid in zich mee. Het staat misschien wel bekwamer en kernachtiger in de krant, zoals Stendhal meende, maar Pamuk weet van politiek literatuur te maken, en daarmee uit het abstracte, ideologische te trekken, de wereld van de echte mensen in.


Beeld: (Tolga Sezgin / Narphotos / HH)