PIETER BOSKMA, DOODSBLOEI

Alleen maar jij

Pieter Boskma, Doodsbloei. € 24,95

Soms sla ik als damp van een ven in het duin
als daar in de winter rood zonlicht op schijnt.
Soms dwarrel ik als een sliertje tabaksrook
soms naar beneden, en soms omhoog.

Soms vraag ik iets en soms ben ik het antwoord,
soms groet ik een kraai en soms groet hij mij.
Soms ben ik een koorddanser en soms het koord,
soms vangt mij het net, soms val ik er voorbij.

Soms denk ik een uitweg te zien voor ons beiden,
soms is die gedachte alleen al genoeg
om weer zin in een lichaam te krijgen.

Soms ben ik kielzog, maar steeds meer de boeg,
soms ben ik jong, maar steeds vaker oud.
Soms ben ik nog mij, maar steeds meer al jij.
Ieder rouwt op zijn eigen wijze, maar ruwweg valt het leger der verdrietigen in twee divisies uiteen: zij die stilvallen en zij die hun leed uitventen aan ieder die het maar wil horen. Pieter Boskma (1956), die twee jaar geleden zijn vrouw verloor, lijkt tot beide categorieën te behoren. In Doodsbloei wordt het beeld opgeroepen van een man die zo compromisloos in zijn verdriet opgaat dat hij niemand meer wil zien en alleen nog maar in volstrekte eenzaamheid door de duinen kan lopen. Tegenover deze neiging zich terug te trekken staat de behoefte het ondraaglijk gemis wereldkundig te maken, en wel op grote schaal. Doodsbloei telt ruim 250 gedichten, die in feite allemaal hetzelfde uitdragen. Boskma is een wel heel extraverte zwijger.
Dat iemand zo uitbundig in zijn rouw zwelgt, dwingt ontzag af. Boskma is nooit een dichter van het minieme gebaar geweest, maar hier pakt hij wel bijzonder onbekrompen uit. De bundel bevat een ongelooflijke hoeveelheid kitsch, en juist het feit dat Boskma daarin consequent volhardt, maakt dit project interessant. Blootgesteld aan deze overkill aan zware emoties gaat ook de meest sceptische lezer uiteindelijk voor de bijl. Het is de omvang van de bundel die maakt dat de dichter erin slaagt zijn treurnis over het voetlicht te brengen, niet de kwaliteit van de afzonderlijke gedichten. Daarmee is niet gezegd dat die allemaal mislukt zijn, maar ze moeten het wel hebben van het grotere verband.
Doodsbloei vertelt het verhaal van de ziekte en het overlijden van Monique, het langdurig rouwproces van de weduwnaar en zijn pogingen om, na een jaar, weer een beetje in de wereld te komen. Dat de gedichten kreupele, soms met extra regels uitgebreide sonnetten zijn, plaatst het boek in de traditie van Petrarca’s Canzoniere, terwijl Boskma’s afdaling in de onderwereld niet alleen verwijst naar Orpheus, maar natuurlijk ook naar Dante. De gestorven geliefde is Laura en Beatrice tegelijk: ‘Ik dacht aan Laura en Petrarca,/ Romeo en Julia, Beatrice en Dante,// en wist dat ik niet rusten zou, totdat/ ook wij in dat gezelschap waren/ opgenomen’. Gelukkig realiseert de dichter zich dat dit een megalomaan voornemen is, want de schim van zijn vrouw antwoordt schaterend:

'Voor minder doe je het nog altijd niet:
de allergrootsten der geschiedenis…
Zo veel gedichten in twee maanden,
dat zullen weinigen je nadoen…’

Waar kwaliteit onhaalbaar is, zoekt Boskma het in kwantiteit.
De bundel opent met een prachtig gedicht dat met de deur in huis valt: 'Ben jij het, liefste, ben je alles nu?’ De geliefde is opgegaan in het landschap, en alles wat de dichter ziet lijkt een teken van gene zijde. Is zij soms een stem 'die de diepste tonen zingen kan?’ Of gras 'dat koorddanst op een duinrug,/ zon die opvlamt uit een vennetje?’ Of knipoog 'je vliegtuigstrepen aan de lucht/ en plaag je me gewoon maar wat?’ Als Gerrit Achterberg probeert Boskma zijn vrouw weer tot leven te zingen, en schaamteloos schermt hij met het cliché dat in poëzie alles mogelijk is: 'Ik zie iets en ik zeg het, zeg het en het bestaat.’ Daarbij deinst hij niet terug voor de allerkatholiekste lulkoek:

Ik wacht op zinnen die zich zo groeperen,
dat in hun midden, desnoods van louter licht,
een bruggenhoofd geslagen wordt in de ijle sferen,

waar zij inmiddels even ijl en licht verblijven zal,
zodat zij, als zij dat wil, over de mogelijkheid beschikt
met de echo terug te keren in de stemmen van mijn zang.

Tenenkrommend zijn enkele conversaties met de Dood. Hoewel Boskma daar blijk geeft van de nodige zelfspot is de episode waarin Magere Hein in staking gaat en samen met de dichter afdaalt in het dodenrijk ronduit gênant. Heel erg is ook een opsomming van de vakantieoorden die het echtpaar in de loop van 34 jaar bezocht.
Dit alles neemt niet weg dat de bundel, als je goed zoekt, een aantal juweeltjes bevat. Boskma is altijd sterk geweest in erotische poëzie, en dat talent wordt hier bij vlagen uitgebuit: 'Alleen maar kussende kleuren, vrouw,/ alleen maar gladde huid en warmte’, zo zingt hij, 'alleen maar het luisterende vochtigzachte,/ alleen maar jij vrouw, alleen nog maar jij’. In een stijl die herinnert aan Gorters sensitieve verzen schrijft Boskma:

Er is alleen maar jij,
het duin egaal berijpt.
Er is alleen maar jij,
de hemel wolkenvrij.

Er is alleen maar jij,
de lage zon felrood.
Er is alleen maar jij,
er is alleen maar dood.

Strofen als deze zouden wel eens tot de Nederlandse klassieken van de 21ste eeuw kunnen gaan behoren. Fraai is ook een visioen waarin de spreker en zijn geliefde door de duinen wandelen. Terwijl zij elkaar kussen, komt 'door een duinvallei,/ als witte schimmen in een winterbui,/ nog altijd hand in hand en smoorverliefd,// een stokoud echtpaar onze richting uit’. Deze bejaarden blijken zijzelf te zijn, die glimlachend op hun jeugd terugkijken. Op zulke momenten bewijst Boskma dat hij behalve een hartstochtelijk weduwnaar ook nog een echte dichter is. Dat zou je bij het lezen van Doodsbloei soms bijna vergeten.

PIETER BOSKMA
DOODSBLOEI
Prometheus, 296 blz., € 24,95