Alleen, maar niet zielig

Martha Heesen, De vreemde vrouw van de Langestraat. Uitgeverij Querido, 84 blz., f22,90
De opvatting dat veel auteurs in wezen steeds hetzelfde boek schrijven is binnen de jeugdliteratuur minder houdbaar dan in de literatuur voor volwassenen, omdat in kinderboeken de gebeurtenissen vaak een belangrijker rol spelen dan de onderliggende gedachten. Op het kleine oeuvre van Martha Heesen echter is bovenstaand idee duidelijk wel van toepassing. De vier boeken die zij sinds haar debuut in 1993 schreef vormen een soort eeneiige vierling, ook al hebben de verhaalfiguren en hun belevenissen niets met elkaar te maken.

De hoofdpersonen zijn jongens van een jaar of elf, nog net niet aangeraakt door puberteitsellende. Zonder uitzondering zijn het gevoelige, beschouwelijk aangelegde eenpitters die veel alleen opereren, zonder echt zielig of verknipt te zijn. Elk verhaal biedt de centrale figuur de gelegenheid een bestaanshindernis te nemen, om zo wat beter toegerust te zijn op wat hem na de laatste bladzijde ongetwijfeld nog te wachten staat. In alle boeken zit een geheim en de mysterieuze sfeer wordt mede bepaald door een verzameling merkwaardige be jaarde types, die zo uit de negentiende eeuwse Engelse literatuur weggelopen lijken te zijn.
Ook Arend uit Heesens nieuwste boek De vreemde vrouw van de Langestraat belandt in een onwaarschijnlijke situatie, waarin hij geheel op zichzelf is aangewezen. Zijn ouders vertrekken voor een uitgebreide vakantiereis naar Australie. De jongen wordt uit logeren gestuurd bij grootouders die hij nauwelijks kent, omdat hun dochter c.q. Arends moeder zich niets aan hen gelegen laat liggen. De reden ligt in een familiedrama, dat de kleinzoon met grote omzich tigheid en flink geholpen door het toeval boven tafel weet te krijgen. De ellende wortelt in de intolerante dorpsgemeenschap, door de moeder die er opgroeide bestempeld als een plek vol ‘schijnheilige prevelaars’ dan wel 'bemoeizuchtige ouwe kwezels die de kerk platlopen’.
Omcirkelend en flardsgewijs schetst Heesen een mooi familieportret. Met de hoeksteen van de samenleving heeft zij niet veel op. Vaders en moeders scheiden, laten de kinderen aan hun lot over, of vertrekken voor een maandenlange reis, hun eigen ambities en verlangens achterna. Zijn grootouders vindt Arend 'allebei een beetje treurig’. Ze zijn onwennig in hun rol en zwijgen voornamelijk, zowel tegen elkaar als tegen hun kleinzoon.
Toch gaat Heesens kleine verhaal niet ten onder in treurnis. Dat komt doordat ze veel impliciet laat en de lezer vrijheid biedt te beslissen wat hij wil denken of voelen. Uit het knippen van de Australische weerberichten moet Arends verlangen naar een levensteken van zijn ouders blijken. Woede over de situatie waarin hij gemanoevreerd is, uit zich in de brief die een boek lang niet geschreven wordt. Maar het belangrijkste tegenwicht in de narigheid wordt gevormd door de stoicijnse manier waarop de hoofdpersoon ondanks zijn angst en onzekerheid het leven tegemoet treedt.
Zoals zoveel kinderen ziet Arend zich geplaatst in een onbegrijpelijke, door volwassenen gecreeerde situatie. Gestuurd door nieuwsgierigheid en nog door magisch denken gevoede verbeeldingskracht geeft hij daar zijn eigen invulling aan. Alleen zijn heeft ook zijn aantrekkelijke kanten en dat geeft de lezende burger moed.