Interview: Jürgen Osterhammel over de verlossing van pandemieën

‘Alleen na de Zwarte Dood volgde een bloeiperiode’

Corona schaart zich in een lange rij pandemieën in de geschiedenis. Niet altijd volgt op een pandemie een bevrijdingseuforie. Volgens de Duitse historicus Jürgen Osterhammel moet er dan immers een extreme ramp ervaren zijn.

Vaccinatielocatie in het Tweede Provinciale Ziekenhuis in Guangzhou. China, 2 juli © Chen Jimin / China News Service / Getty Images

De Duitse historicus en China-kenner Jürgen Osterhammel schreef in 2009 het monumentale boek Die Verwandlung der Welt, over de grote omwentelingen van de negentiende eeuw die de samenleving van de 21ste eeuw beslissend hebben beïnvloed, zoals industrialisering, globalisering en kolonialisme – niet alleen in Europa, maar ook in China, India en de Verenigde Staten. In het complexe vlechtwerk van deze ‘metamorfose van de wereld’ kent Osterhammel pandemieën een actieve rol toe. Pandemieën waren er ook lang voor de negentiende eeuw, maar na 1780 kwamen er meer, omdat de mensheid vanaf toen steeds mobieler werd. Reizen werd makkelijker en virussen verspreidden zich sneller.

Na de pandemie komt de euforie van de bevrijding. Is dat een historische wetmatigheid?

‘Om van bevrijding te spreken moet er een ervaring van een extreme ramp zijn geweest. Er waren tot nu toe nog niet zo veel zichtbare pandemieën. Vele waren onzichtbaar, daar kon of moest men zich niet van bevrijden omdat men ze helemaal niet als ramp waargenomen had. Zelfs nog niet zo lang geleden waren er pandemieën die bijna over het hoofd werden gezien en die men gewoon heeft laten lopen. Zo was er de Aziatische griep van 1957-58, met veertienduizend doden in Nederland, wereldwijd twee miljoen. Men heeft wel geregistreerd dat er meer mensen ziek werden, maar er was geen mondiale paniek, er waren geen gecoördineerde maatregelen. Datzelfde geldt voor de laatste grote pandemie voor corona, de Hongkong-griep van 1968-1970. Die had een vergelijkbaar dodenaantal – die heeft vier miljoen slachtoffers geëist, nu zijn we daar ook.’

De Spaanse griep tussen 1918 en 1920 werd wel zeer bewust waargenomen. Een columnist van de Berlijnse krant Der Tagesspiegel maakte onlangs een historische vergelijking: na de Spaanse griep volgden de ‘gouden jaren twintig’, dus, schreef hij hoopvol, dat zal nu ook weer kunnen gebeuren. Klopt dat?

‘Ik zie geen oorzakelijke samenhang tussen de Berlijnse ‘gouden jaren twintig’ en het eind van de Spaanse griep – los van het feit dat die culturele bloei voornamelijk een Berlijnse aangelegenheid is geweest. Van een bevrijdingsslag was na de Spaanse griep geen sprake. De terugblik laat vooral zien dat pandemieën eerder langzaam uitdoven dan op slag eindigen. De Spaanse griep was niet van vandaag op morgen ten einde, maar ze werd steeds minder merkbaar, er kwam steeds minder berichtgeving over. En op een bepaald moment, zoals bij elke pandemie, was het dan voorbij.’

Zijn er dan wellicht harde feiten die een opbloei na een pandemie kunnen meten?

‘Een echte gouden periode was er na het einde van de Zwarte Dood, in het laatste derde deel van de veertiende eeuw. Er was toen een ontspanning van de arbeidsmarkt en een significante stijging van de lonen te constateren. Aan de vooravond van de Zwarte Dood had er een sterke bevolkingsgroei plaatsgevonden, maar er bestond geen daaraan gerelateerde groei van de economie. Na de Zwarte Dood was een vierde van de bevolking niet meer in leven, dus was er weer werkgelegenheid. Het is een zeer wrede samenhang, maar die kan duidelijk worden bewezen. Economisch gezien was de Zwarte Dood een door niemand aangestuurde, maar zeer effectieve economische stimulans.’

Zoveel doden zijn er nu niet. Een dergelijke economische opbloei staat ons niet te wachten?

‘De economische gevolgen van de pandemie zullen in grote delen van de wereld eerder heel ernstig zijn. Dat is nu al te merken, juist bij economieën die zich in de laatste decennia langzaam omhoog hebben gewerkt. India was nog geen tien jaar geleden een kandidaat voor sensationele economische successen, er werden boeken over geschreven of India China zou kunnen inhalen, maar dat schijnt nu toch zeer de vraag te zijn. Dat komt door meerdere factoren, maar ook door de gebrekkige pandemiebestrijding. We moeten bewuster aan de rest van de wereld denken, aan de arme landen, die in ons publieke bewustzijn nauwelijks een rol spelen. Daar kan van bevrijding absoluut geen sprake zijn.’

In uw boek schrijft u hoe eind negentiende eeuw de pers een rol in het publieke bewustzijn rond ziektes ging spelen. De angst voor een ziekte uit verre landen werd al overgedragen voordat zij feitelijk aangekomen was. Ligt daar het beginpunt voor de publieke obsessie van de afgelopen maanden?

‘Dat permanente mediale monitoren is historisch natuurlijk nieuw. Destijds was er geen website van Johns Hopkins University waarop dagelijks de slachtoffercijfers te lezen waren; ik heb in het begin ook elke dag gekeken. Cultureel gezien hebben pandemieën altijd wel een bepaalde invloed, er is altijd wel een medium geweest waarin ze genoemd worden, anders hadden we er ook niets van geweten. Maar nu is het anders: de voortdurende reflectie is direct begonnen, dat is nog nooit eerder gebeurd.

Wat wel in de laatste decennia van de negentiende eeuw opkwam, is de snelle informatievoorziening door de wereldwijde verspreiding van de telegrafie. Die zorgde er toen voor dat buitenlandcorrespondenten overal naartoe werden gestuurd en die stuurden dan per telegram berichten naar hun land, ook over heersende ziektes. Die berichten doken alleen nog slechts in een klein deel van de pers op, zoals in The Times of London. Ook anders dan nu is dat de berichtgeving nog erg bleef steken bij de symptomen van de ziekte. Zo werd de Russische griep van 1889-1895 in de media zeer uitgebreid becommentarieerd, maar daar ging het er vooral om dat er veel beroemde mensen aan stierven, zoals een Engelse prins of prominenten uit de cultuur. Men kende de diepere achtergronden niet, de oorzaak bleef voor tijdgenoten een raadsel.’

Het bewustzijn van de macht van een virus is gegroeid?

‘Zelfs nog niet zo lang geleden waren er ­pandemieën die bijna over het hoofd werden gezien en die men gewoon heeft laten lopen’

‘Inzicht in de biochemie van virussen bestond niet vóór de jaren 1930. In de negentiende eeuw werd de bacterie bekend, en de microbe. Men werd zich bewuster van hoe besmetting bij infecties werkt, welke veroorzakers er zijn. De traditionele theorie was dat besmetting uit de lucht kwam, door onzuivere, giftige lucht. In de negentiende eeuw ontdekte men dat de pest door de vlo werd overgedragen. Het ensemble van spelers in de geschiedenis wordt dus steeds meer verbreed, ze worden steeds kleiner en onzichtbaarder – en ook onberekenbaarder. Door corona zijn ook historici zich daar veel bewuster van geworden.’

Zal de coronapandemie als een cesuur de geschiedenis in gaan?

‘De standaarduitvlucht van de historicus is altijd: je ziet dat pas later. In de tijd direct na 9/11 was algemeen de opvatting dat dat een diepe cesuur in de wereldgeschiedenis was geweest, maar vandaag zou men een andere cesuur vaststellen, namelijk de jaren 1990 met de wereldwijde toegankelijkheid van het internet. Ook de pandemie is in die zin minder een cesuur, maar versterkt bestaande ontwikkelingen.’

In uw boek beschrijft u hoe pandemieën na 1780 toenemen, omdat de mensheid vanaf dan steeds mobieler wordt. Die analyse heeft een nieuwe actualiteit gekregen. De relatie tussen de globalisering en de verspreiding van corona stond direct vast.

‘Corona heeft de kwetsbaarheid van een aantal mondiale systemen laten zien, zo duidelijk als niet eerder het geval is geweest. Maar als wereldhistorici zijn we al eerder opgehouden van “dé globalisering” te spreken. Er vinden verschillende globaliseringsprocessen op verschillende niveaus plaats die niet gecoördineerd zijn en waarvan de verhouding tot elkaar open is. Zo werd het personenluchtverkeer, een centrale categorie van de globalisering, in een paar weken tijd drastisch beperkt, in een vorm die geen theoreticus had kunnen voorspellen. Maar aan de andere kant zijn er in het containervrachtverkeer, de basis van de globalisering, bijna geen onderbrekingen geweest, dit werd zelfs belangrijker.’

Een bloeiperiode wat betreft de internationale verhoudingen lijkt de coronacrisis in ieder geval niet op te leveren. Landen sloten zich af, oplossingen werden zelfstandig gezocht.

‘Corona heeft ook daarin een bestaande crisis versterkt. De globaliseringstheoretici van de jaren 1990 hadden niet kunnen bedenken dat nationale grenzen weer terug zouden komen. De mythe van de globalisering was dat de natiestaat zou afsterven, maar dat is afgelopen jaren met onder andere de Brexit definitief weerlegd – en ook nu weer. Toch lijkt de EU zich ook enigszins te hebben bewezen. Corona is uiteindelijk niet tot een enorme last voor de EU geworden. Zo werd 750 miljard euro verdeeld over de landen die door de pandemie verzwakt waren.’

© Awakening / Getty Images

Gevoelens van bevrijding staan vaak gelijk aan ‘vrij reizen’. De kosmopoliet en de reizende waren de positieve uithangborden van de globalisering. Nu worden uitgerekend zij als de schuldige van de verspreiding van het virus aangewezen.

‘Ook deze negatieve blik op de “kosmopoliet” bestond al eerder, hij kwam op in samenhang met migratie en de vluchtelingencrisis. Toen ging het om de vraag hoe we met massale vluchtbewegingen moeten omgaan. De “kosmopolieten” waren voor open grenzen en hun tegenstanders voor het tegendeel. Binnen de oude traditie van het kosmopolitisme speelt immers een morele verplichting mee; kosmopolitisme gaat niet alleen om hedonistisch consumentisme en ver reizen, zoals nu ook wel terecht kritisch wordt opgemerkt.

Door de pandemie krijgen deze bestaande conflicten nieuwe betekenis. De morele verplichting van de kosmopoliet keert nu heel concreet terug in de vraag naar de mondiale verdeling van vaccinaties en de vrijgave van patenten. Amerika loopt daar voorop, Duitsland is terughoudend. De gevolgen kunnen groot zijn. Door de ongelijkmatige verspreiding van vaccinaties ontstaat nieuwe ongelijkheid in de wereld.’

In uw boek schrijft u hoe ‘de migrant’, vooral die uit Azië, in de negentiende eeuw als de belangrijkste schuldige van ziekteverspreiding werd aangewezen – met openlijk racisme tot gevolg. Tegelijkertijd schrijft u dat het feitelijk ook klopt: de meeste pandemieën beginnen in Azië.

‘Azië is vanwege de relatief hogere bevolkingsdichtheid altijd al een oorsprongsplek voor ziektes van deze soort geweest. In de negentiende eeuw was er het gevleugelde woord van de cholera als de Aziatische hydra: je slaat één kop eraf en de volgende groeit aan. Er was in het laatste jaar een bepaalde taboeïsering van dit onbetwistbare feit. Dat is ook mezelf overkomen. Toen ik ergens zei dat het virus Sars-Cov-2 volgens de kennis die we hebben uit Wuhan stamt, werd ik van China-bashing beticht.

‘Wat zal blijven is de verwachting dat de staat de opgave heeft een pandemie te bestrijden, en dat men hem de middelen ter hand moet geven’

Maar aan de andere kant staan de racistische aanvallen van Aziatisch uitziende mensen, omdat men ervan uitgaat dat zij iets met de verspreiding ervan te maken hebben. Dat was toen ook al zo. In Europa waren er in de negentiende eeuw nog niet veel Aziatische reizigers, maar in de VS en Australië werden vanaf 1880 zeer restrictieve wetten uitgevaardigd tegen de migratie van Aziaten. Dat was niet primair gemotiveerd door de angst voor ziektes, maar vooral ter bescherming van de arbeidsmarkt. Maar het idee dat de Chinezen en Japanners iets oncontroleerbaars met zich mee konden brengen speelde altijd onderhuids mee.

Zoiets is nu niet gebeurd. De politiek heeft nu eerder een sturende rol tegen deze sentimenten in gespeeld. Zo spreekt men heel bewust niet meer van de Indiase variant maar van de neutrale Delta-variant.’

In de negentiende eeuw waren er al vroege vormen van vaccinatie. Ligt daar het begin van het huidige medische succes: er komen meer pandemieën, maar tegelijk komt een medische beroepswereld op die ze probeert te bestrijden?

‘Ja, maar beide processen hebben niet gelijkmatig plaatsgevonden. Als de ziektes zouden toenemen en de bestrijding ervan ook, zouden ze elkaar opheffen. Dat is niet gebeurd. Het medische onderzoek nam toe, maar had nog geen massale werking zoals nu. De productie van miljarden vaccinaties is compleet nieuw. Dat zou in de negentiende eeuw onmogelijk zijn geweest, medisch niet en industrieel-technisch niet.

Wel kwam in de negentiende eeuw het georganiseerde en grootschalige onderzoek op, het systematisch onderzoek in de laboratoria, mét middelen van de staat. Je kunt zeggen dat tot aan de jaren 1860 het onderzoek meer of minder door geleerden alleen of door academies werd uitgevoerd, maar niet georganiseerd. Dat begon pas bij Louis Pasteur in Frankrijk en Robert Koch in Duitsland. De politiek liet zich door Pasteur, Koch en andere experts adviseren, en zij hadden ook de toegang tot de macht. Pasteur en Koch hebben het spectrum van de bekende ziektes systematisch afgewerkt. Maar ze speelden geen grote rol in de media, waardoor ze tot de “leraren van de natie” hadden kunnen uitgroeien, zoals dat met virologen nu het geval is. Dat is iets nieuws.

Je mag het succes van het toenmalige onderzoek dus niet overschatten. Bij de Spaanse griep heeft men op de een of andere manier de symptomen kunnen bestrijden – zie de foto’s waarop de mensen maskers dragen – maar dat de Spaanse griep een virusinfectie was, heeft men pas in de jaren 1930 ontdekt. Ter vergelijking: de eerste meldingen van Sars-Cov-2 kwamen eind december 2019 en al in januari 2020 was de volledige genetische analyse bekend.’

Het huidige medische succes kan ook consequenties hebben voor de machtsverhoudingen. In een artikel lanceert u het begrip ‘medisch-securitair complex’, een variatie op het kritische begrip ‘militair-industrieel complex’ uit de jaren zestig. Worden we gevangen door een nieuwe macht, die van de medisch specialisten?

‘Dat begrip was enigszins provocerend bedoeld, om de mogelijke politieke invloed aan te duiden die virologen kunnen gaan krijgen. Maar de voorspelling is niet uitgekomen. Het is zelden gebeurd dat de politiek de virologen de vrije hand hebben gelaten. In Zweden was er die ene staatsviroloog die zo machtig was dat hij de groepsimmuniteit kon proberen door te zetten, maar dat was een uitzondering – en het is niet gelukt. De meeste virologen waren eerder gefrustreerd dat de politiek van hun adviezen alleen dat nam wat in hun eigen concept paste. Wat wel zal blijven is de nabijheid tussen politiek en biomedisch onderzoek, en dat is eigenlijk een positieve les uit de pandemie.’

De rol van de staat was in de coronapandemie opvallend groot. Is ook die macht in de negentiende eeuw begonnen?

‘De staatscapaciteit groeide in de negentiende eeuw, de bureaucratie nam toe en werd belangrijker, er kwam een eerste epidemiewetgeving. Maar die delen van de overheid die in de vroege moderne tijd al “gezondheidspolitie” heetten, hadden maar weinig echte instrumenten tot hun beschikking. Tot op de dag van vandaag is een van de belangrijkste instrumenten ter bestrijding van de pandemie de quarantaine, bijna een archaïsch instrument. In de achttiende eeuw werd overal quarantaine verordend om diverse uitbraken van de pest onder controle te krijgen. Ook in de negentiende eeuw was dat het belangrijkste middel van de staat.

Dit gebrek aan mogelijkheden van de staat om iets tegen een pandemie te doen wordt zeer duidelijk bij de Spaanse griep. Toen deze begon, waren er nauwelijks mogelijkheden haar te beheersen. Bij Sars-Cov-2 zijn er mede dankzij de digitalisering nieuwe instrumenten opgekomen, ook al functioneren ze nog niet overal even goed – zoals in Duitsland als sommige gezondheidsdiensten in het weekend dicht zijn en ze hun data per fax versturen.’

Het is een paradox: we kunnen ons van de pandemie bevrijden door de staat onze vrijheid te laten inperken. Zal deze sterke staat blijven?

‘Het pandemiebeleid van de staat werd in alle Europese landen gelegitimeerd door de steun van een meerderheid van de bevolking. Het verwijt van de dictatuur is alleen van uiterst rechts en van uiterst libertaire zijde te horen geweest. Wat zal blijven is de verwachting dat de staat de opgave heeft een pandemie te bestrijden, en dat men hem de middelen ter hand moet geven. Daar krijgt hij dan de instrumenten voor, zoals de digitalisering van het gezondheidsbeleid, de versterking van het onderzoek en het preventieve onderzoek voor de virussen van morgen.’


Eind augustus verschijnt bij Atlas Contact Jürgen Osterhammels Die Verwandlung der Welt in Nederlandse vertaling als De metamorfose van de wereld