Alleen op de wereld

David Marksons recent vertaalde Wittgensteins minnares is te lezen als een pleidooi voor het gedachtegoed van de late Wittgenstein. Markson schreef een meesterlijke, volstrekt unieke roman.

Opening in de Saatchi Gallery in Londen, 2003 © Martin Parr / Magnum / HH

54 keer. Dat is hoe vaak het manuscript van Wittgenstein’sMistress werd afgewezen voordat de kleine uitgeverij Dalkey Archive Press in 1988 overging tot publicatie. Bij verschijnen werd het boek verrassend enthousiast onthaald en door aanhoudende kritische belangstelling groeide het onverwachts uit tot een internationale cultklassieker die inmiddels twaalf keer is herdrukt.

Het is een glorieus verhaal, maar niet geheel uitzonderlijk. Genoeg meesterwerken werden aanvankelijk niet op waarde geschat: het eerste deel van Marcel Prousts Recherche werd zo vaak afgewezen dat hij het maar op eigen kosten liet drukken, Nobelprijswinnaar William Golding moest met zijn nog immer populaire Lord of the Flies wel 21 uitgevers af. David Markson meende echter aanspraak te kunnen maken op het absolute record. In een interview in 1990 zegt hij te weten dat The Ginger Man van J.P. Donleavy 36 keer werd geweigerd, Samuel Becketts roman Murphy wel 42 keer: ‘But then I left Donleavy and Beckett in the dust also.’

Het grote verschil is dat het bij alle genoemde schrijvers om hun debuut ging en Markson al geruime tijd meedraaide. Hij studeerde Engels aan Columbia University, hing in de kroeg met grootheden als Dylan Thomas, William Gaddis en Malcolm Lowry. Zijn eigen werk kwam in de tussentijd niet van de grond. In 1959 begon hij een reeks pulpboekjes te publiceren, om maar iets met zijn schrijfverlangen te doen. Markson wist zijn intellect en neiging tot spielerei alleen niet uit die boeken te houden, wat zijn verkoopcijfers geen goed heeft gedaan. Zijn postmoderne western The Ballad of Dingus Magee (1965) werd weliswaar verfilmd met Frank Sinatra in de hoofdrol, maar flopte alsnog genadeloos. Na zes weinig succesvolle romans deed Markson er na Springer’s Progress (1977) het zwijgen toe.

Welbeschouwd was David Markson een mislukt schrijver toen hij begon aan Wittgenstein’s Mistress, de experimentele roman die hij pakweg tussen zijn vijftigste en zestigste schreef en de geschiedenis inging als zijn meesterwerk. Dat deze reputatie nog steeds overeind staat blijkt nu weer: zo’n dertig jaar na de oorspronkelijke publicatie verschijnt eindelijk de Nederlandse vertaling, Wittgensteins minnares, verzorgd door het fenomenale vertaalduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes (bekend van de verdietsing van de volledig werken van James Joyce, Bob Dylan en The Beatles).

De premisse van deze roman is even simpel als radicaal. Kate, een Amerikaanse vrouw van tegen de vijftig, is de laatste mens op aarde. Wat er precies is gebeurd weet ze niet, maar alle mensen, dieren en insecten zijn van de ene op de andere dag spoorloos verdwenen. Verder is alles hetzelfde gebleven: alle gebouwen, wegen, auto’s, winkels en supermarkten zijn er gewoon nog. Ze kan zich dus zonder problemen in leven houden en zich over de wereld verplaatsen. Kate is een kunstschilder. In de verlaten metropolen die ze aandoet bezoekt ze daarom steevast de grote musea. Soms bivakkeert ze er: om zich warm te houden stookt ze dan een vuur van houten lijsten en minder belangwekkende doeken. Bovendien laat ze in deze gebouwen boodschappen achter, in de hoop toch nog een lotgenoot te vinden. Allemaal tevergeefs. Eens meende ze een straatkat in het Colosseum te zien, maar na dagenlang wachten met geopende blikjes voer, opnieuw zonder resultaat, moet ze die illusie ook laten varen. Uiteindelijk komt ze weer aan de Amerikaanse kust terecht. Daar woont Kate in een huis aan het strand, waar ze boeken leest, nadenkt en op een oude schrijfmachine losse zinnen typt; één per paragraaf, zonder structuur of hoofdstukken.

Die reeks zinnen vormt de integrale tekst van Wittgensteins minnares. De lezer krijgt een verzameling overwegingen, invallen, mijmeringen, constateringen en herinneringen voorgeschoteld die deze achtergebleven vrouw gedurende onbepaalde tijd heeft genoteerd. Zelf weet ze ook niet meer hoe lang ze ermee bezig is geweest; Kate heeft al haar klokken en horloges weggegooid, waardoor ze het verstrijken van weken alleen nog kan aflezen aan haar steeds onregelmatiger wordende menstruatie.

Kate zoekt naar waarachtigheid, maar er is niemand die de feiten kan toetsen

Gaandeweg wisselt ze haar overwegingen steeds meer af met anekdotes en verhalen die ze uit romans en kunstenaarsbiografieën heeft onthouden. Het merendeel daarvan is van uiterst tragische aard: toen de oude Rembrandt bankroet ging schilderden zijn leerlingen muntstukken op de vloer om te zien of hij zou bukken. Snippers van voorgoed verloren gegane gedichten van Sappho werden teruggevonden in de vulling van mummies. In een periode van gekte werd Robert Schumann geterroriseerd door de geest van zijn dode collega en voorbeeld Franz Schubert. Dit is te beschouwen als een voorbode op Marksons late werk: in de laatste jaren van zijn leven schreef hij een reeks extreem minimalistische, plotloze romans, zoals Reader’s Block (1996) en This Is Not a Novel (2001), die bijna volledig bestaan uit thematisch gerangschikte anekdotes.

Ook de wat raadselachtige titel van deze roman is deels een biografische kwinkslag: het is algemeen bekend dat de filosoof Ludwig Wittgenstein homoseksueel was en er dus geen minnaressen op na hield. Wel komt hij een paar keer voorbij in Kate’s manuscript en omdat zij met bewondering en veel mededogen over hem schrijft, zou je voor het gemak kunnen zeggen dat zij de overdrachtelijke minnares uit de titel is. Maar er is meer aan de hand. Zoals dichter en schrijver Lieke Marsman in haar nawoord opmerkt, is er een sterke stilistische verwantschap tussen het vroege werk van de filosoof en de roman van Markson: ‘Het is een stellige manier van schrijven, die tegelijk ruimte biedt voor verbetering. De ene gedachte vloeit voort uit de vorige en net als Wittgenstein herneemt Kate zich voortdurend om tot een zo precies mogelijke formulering te komen.’

Neem bijvoorbeeld de legendarische openingsregels van Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus (1922), in de vertaling van Willem Frederik Hermans: ‘De wereld is alles, wat het geval is. De wereld is het geheel van de feiten, niet van de dingen. De wereld wordt door de feiten gedefinieerd en daardoor dat het alle feiten zijn. Immers, het geheel van de feiten bepaalt wat het geval is en ook wat allemaal niet het geval is.’

En vergelijk die met een willekeurige passage uit Wittgensteins minnares: ‘De eeuwige stilte van deze oneindige ruimten maakt me bang. Zo dacht ik bijvoorbeeld ook over die dingen. Bij wijze van spreken dacht ik er zo over. In feite heb ik die zin onderstreept toen ik op de universiteit zat, in een boek getiteld de Pensées. Ongetwijfeld heb ik de zin over dat dolen door een eindeloos niets ook onderstreept, in een boek van iemand anders.’

Niet alleen heeft David Markson goed naar de vorm van de Tractatus gekeken, hij is ook met de inhoud aan de slag gegaan. In een lang, manisch essay, dat veel heeft bijgedragen aan de reputatie van Wittgensteins minnares, duidde David Foster Wallace deze roman als volgt: ‘It’s an imaginative portrait of what it would be like actually to live in the sort of world the logic & metaphysics of Wittgenstein’s Tractatus posit.’ De logica van Wittgenstein is streng, op het mathematische af, en zijn theorie gebiedt te zwijgen over alles wat niet zuiver feitelijk is. Het resultaat is volgens Wallace een ernstige vorm van solipsisme: in Wittgensteins wereld zit ieder individu vast in zijn eigen hoofd en kan er niet gesproken worden over de gevoelens en gedachten van anderen, laat staan dat die gekend kunnen worden. Ook Kate zit noodgedwongen opgescheept met haar eigen gedachten, die ze voor niemand inzichtelijk kan maken, hoezeer ze haar zinnen ook corrigeert en verfijnt.

Aan het eind van zijn leven herriep Wittgenstein zijn hardvochtige totaaltheorie. In de postuum verschenen Filosofische onderzoekingen (1953) stelde hij dat taal alleen betekenisvol kan zijn wanneer zij door meerdere mensen gebruikt wordt. Dit sociale perspectief, dat diametraal tegenover het gedachtegoed van de vroege Wittgenstein staat, is eveneens van groot belang bij het begrijpen van de tragiek van Wittgensteins minnares. Kate probeert haar taal steeds zuiver en waarachtig te houden, noteert allerlei biografische feiten en ontwijkt subjectieve uitspraken, maar toch is de betekenis van haar woorden wankel. Er is niemand die haar kan horen of begrijpen, niemand die de feitelijkheid van haar uitspraken in een gesprek kan toetsen. Daarom kan Kate tegen het einde van het boek beweren dat de Nachtwacht in het Tate hangt en kan ze spreken van Rainer Maria Raskolnikov: haar taaluitingen verwijzen niet meer naar een gedeelde menselijke werkelijkheid, alleen nog maar naar de particuliere, losgezongen wereld in haar hoofd.

Deze roman bewijst het gelijk van de late Wittgenstein, door middels een gedachte-experiment de schaduwzijde van diens theorie te laten zien: zonder contact met anderen kunnen we via de taal de werkelijkheid noch onze binnenwereld van betekenis voorzien. Maar David Markson gaat nog verder. Wanneer Kate op haar ongelukkige bestaan voor het verdwijnen van de anderen reflecteert, denkt ze: ‘De ene manier van alleen zijn verschilt gewoon van de andere manier van alleen zijn, daar kwam het op neer, dat was alles, zou zij uiteindelijk ook concluderen. Waarmee ik wil zeggen dat zelfs als je telefoon het nog doet, je net zo alleen kunt zijn als wanneer dat niet het geval is.’

Dat is de ijzingwekkende slotsom van deze meesterlijke, volstrekt unieke roman: als er niemand is om mee te praten is communicatie en intimiteit onmogelijk, maar ook wanneer communicatie wel een optie is, kun je nog door niemand worden verstaan. Kates totale isolatie doet haar inzien dat ze in feite op dezelfde manier eenzaam is als eerst, alleen is de mogelijkheid om door een ander gekend te worden haar nu definitief ontzegd. Haar eenzaamheid is plotseling absoluut geworden, maar in de kern is haar situatie onveranderd; Kate kan dan ook moeilijk rouwen, aangezien ze het diepere menselijke contact dat de wereld uit geholpen is nooit echt heeft ervaren. Daarom blijft zij gelaten haar zinnen tikken, in het huis aan het strand: ze roept in de leegte, al dan niet vergeefs hopend op een ander die haar werkelijk begrijpen zal, precies zoals ze dat altijd gedaan heeft.