Dit zijn in vogelvlucht de feiten, maar daar gaat het natuurlijk niet om, zoals de schrijver zelf al over de concentratiekampen zegt: de feiten zijn bekend, ‘wie wil meevoelen, meedenken, heeft interpretaties van de gebeurtenis nodig’. Dat is ook het bijzondere aan het boek: hoe een kind het antisemitische Wenen heeft ervaren, hoe zij haar jeugd verloor in de kampen en pas als zestienjarige een min of meer normaal leven kon beginnen, in een vreemd land, met van de vader, wiens vlucht toch in de gaskamer was geeindigd, alleen het vroegtijdig gefixeerde beeld van een tiran met een wonderbaarlijke uitstraling. En daarna het onbegrip, vooral de veronderstelling dat een kind van zulke gebeurtenissen niet meer dan een vaag begrip kan hebben gehad. Dat denkt zelfs de moeder, die soms doet alsof het meisje van niets wetend de nazi-jaren over zich heen heeft laten gaan.
Het zal zeker niet de bedoeling zijn geweest, maar Klugers aantekeningen zeggen misschien meer over haar en haar moeder, ‘een bloeiende wederzijdse moeder-dochterneurose’, dan over de kampervaringen. Hoe oud beiden ook zijn, hun strijd schijnt nooit op te houden, nog altijd moet de dochter zich verweren tegen een opvoeding tot afhankelijkheid door de vrouw die altijd alles beter kon dan zij. Dat bepaalt ook de grimmige toon van het relaas. Tegelijkertijd is het boek een niet aflatende lofzang op vrouwen. Zelfs de bewaaksters komen er goed van af en worden beschermd tegen de benaming ‘SS-vrouwen’ - de oorlog zou alleen een zaak van mannen zijn geweest.
Ik zei al dat Kluger zich bewust niet tot een feitelijk verslag van gebeurtenissen heeft willen beperken. De keerzijde daarvan is dat de latere interpretaties en meningen nogal eens het zicht op de ervaringen van het meisje van toen ontnemen. Een voorbeeld is het hoofdstuk over het geluk bij de selectie, dat voor drie kwart bestaat uit commentaar over paranoia, begenadiging, toeval en vrijheid van de wil. Zoveel reflectie en tegelijk zo weinig begrip, in het bijzonder voor de vrouw met (en dank zij) wie zij al die ellende heeft doorstaan.
Al even onverzoenlijk reageert zij op anderen die van niks weten en niks kunnen en ook niet zullen begrijpen. Daartoe behoren al bij voorbaat de mannen onder haar lezers (‘Wie rekent er al op mannelijke lezers? Die lezen alleen wat door andere mannen is geschreven’). Bij voorkeur richt zij zich tot haar ‘lieve lezeres’. De titel van een recente lezing - Lesen Frauen anders? - belooft dan ook in analytische zin weinig goeds.
Echt problematisch is in mijn ogen het gemak waarmee zij de minachting van de Arische man voor de joden ziet voortgezet in de kleinerende behandeling van vrouwen door mannen. En vanuit zulke vooroordelen bekijkt ze heden en verleden. Het boek laat op z'n minst zien wat de prijs is die zij heeft moeten betalen om verder te kunnen leven.