Alleen vrouwen bloeden

In augustus 2007, slechts drie maanden nadat ze haar boek Bog Child voltooide, overleed de gedreven en getalenteerde Brits-Ierse schrijfster en mensenrechtenactiviste Siobhan Dowd op 47-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. Wanneer je niet bekend bent met Dowds eigen tragische verhaal valt het misschien niet direct op, maar met de wetenschap dat Het moerasmeisje - zoals de Nederlandse vertaling luidt - is geschreven door een vrouw die weet dat haar einde snel nadert, kun je er niet omheen dat deze knap geconstrueerde en meeslepende ontwikkelingsroman die zich afspeelt tegen de achtergrond van het Noord-Ierse conflict begin jaren tachtig tijdens het hoogtepunt van ‘The Troubles’, vooral draait om de grote vragen over leven en dood.
Wat is het leven waard? Wat is je eigen leven waard en dat van een ander? Wat is eigenwaarde, en heldendom? Kiezen we voor engagement, voor meedoen aan complexe maatschappelijke en politieke processen en bevuilen we (wellicht) daarmee onze handen, of kiezen we - laverend tussen goed en kwaad - voor ons eigen individuele leven, voor behoud van een zekere toekomst en ontlopen we (wellicht) zo onze verantwoordelijkheden?
Dowd geeft op deze universele vragen vanzelfsprekend geen antwoord. Het moerasmeisje toont slechts hoe eeuwigdurend en complex deze vragen zijn en hoe ze dwingen tot even complexe keuzes waarvan de ethische gevolgen meestal niet te overzien zijn.
Het verhaal begint in 1981, aan de zuidgrens van Noord-Ierland, een gebied gevoed door de door het Iers Republikeinse Leger (ira) veroorzaakte terreur en onrusten die het aanslepende conflict tussen de naar totaal zelfbestuur strevende katholieken en pro-Britse protestanten met zich meebrengt.
Tijdens een illegale actie turfsteken ontdekken de slimme achttienjarige eindexamenkandidaat Fergus McCann, die dagdroomt over een toekomst als arts, en zijn lievelingsoom Tally een - zo blijkt - uit het ijzeren tijdperk daterend veenlijk van een meisje. De vondst van het eeuwenoude lichaam laat Fergus vervolgens niet meer los. Wanneer hij samen met een archeologe (Felicity) en haar dochter Cora op zoek gaat naar de identiteit van het lijk verschijnt 'zij’ zelfs in zijn dromen, 'vertelt’ haar levensgeschiedenis en onthult hoe zij zich indertijd voor een door haar broer gepleegde moord offerde ten behoeve van de vrede.
Natuurlijk - daar laat Dowd gelukkig geen twijfel over bestaan - komt haar levensverhaal grotendeels uit Fergus’ fantasie voort. Die wordt echter gevoed door de recente, met het veenlijk parallel lopende handelingen van zijn oudere broer Joe, die als ira-lid, in navolging van de door hongerdood omgekomen ira-activist Bobby Sands, in de beruchte Maze-gevangenis (Noord-Ierland) in hongerstaking is gegaan om een status als politieke gevangene af te dwingen. In Fergus’ woorden: voor 'Land. Vrijheid. Zoiets’.
Mooi is hoe Fergus’ dromen over het veenlijk hem helpen zijn eigen leven in een context te plaatsen en keuzes te maken. Dat die door de politieke situatie niet eenvoudig zijn brengt Dowd overtuigend en als vanzelfsprekend. In hoeverre moet hij zijn idealen en vrijheidsdrang opgeven om zijn broer in leven te houden? Zal hij zich laten omkopen door een maat van Joe om pakjes met onbekende inhoud (semtex?) over de grens te smokkelen in ruil voor de belofte dat de ira-top Joe op andere gedachten zal brengen? Moet hij zijn lievelingsoom daarvan op de hoogte brengen? Wie brengt wie in (levens)gevaar? Waar begint verantwoordelijkheid en waar eindigt die?
Juist door in te zoomen op het alledaagse gezinsleven van de McCanns toont Dowd op magnifieke wijze hoe allesbepalend willekeur en toeval en liefde, vriendschap en loyaliteit kunnen zijn als er keuzes (van levensbelang) gemaakt moeten worden. Dowd maakt niet alleen knap invoelbaar hoe tijdens Fergus’ natuurkunde-examen 'dat ene kruisje in dat ene vakje bepalend is voor zijn toekomst’, maar ook hoe Joe’s ellendige situatie hem zijn eindexamenuitslag doet vergeten. Hoe Fergus’ ontluikende gevoelens voor Cora op hun beurt hem Joe tijdelijk helemaal doen vergeten. En hoe de vriendschap met de Britse soldaat Owain, 'een gewone jongen’ net als hijzelf, zelfs het hele Noord-Ierse conflict naar de achtergrond drukt.
Totdat het moment is aangebroken dat hij in de Maze-gevangenis afscheid neemt van zijn stervende broer. Dan realiseert Fergus zich dat 'het heden het draaipunt is dat de hele tijd draagt: (…) er was zijn leven tot dit moment en dat was het verleden. En er was zijn leven na dit moment en dat was de toekomst.’ Onder het motto 'we doen meer kwaad door zondige nalatigheid dan door zondige daden’ neemt Fergus - die van een machteloze toeschouwer gaandeweg verandert in een daadkrachtige acteur - het heft in eigen handen en kiest vol overtuiging voor het leven. Dat van hemzelf en dat van zijn broer.
Dowd zuigt je, dankzij haar levensechte dialogen, beeldende schrijfstijl, zingende zinnen en verwijzingen naar songteksten van onder anderen John Lennon en de Ierse tenor John McCormack ('wil je me begraven op de berg/ met mijn gezicht naar Gods rijzende zon’) stukje bij beetje Fergus’ universum binnen.
Je waant je midden in het Ierse schimmige heuvellandschap. Je hoort Owains trombone en het onheilspellende slotakkoord in mineur dat verwijst naar Alice Coopers Only Women Bleed. Ontroerend en treffend tegelijkertijd is ook de scène waarin Fergus’ oom hem kort na het laatste gevangenisbezoek meeneemt naar zee, waar Joe als klein jongetje in zijn bijzijn ooit bijna verdronk toen hij door de stroom werd meegesleurd. Voor Fergus’ oom is de oceaan daarom te groot. Hij ervaart het als kijken naar de eeuwigheid en dat doet hem denken aan de dood.
En de dood is nooit ver weg. Het is het verrassende begin - en het even verrassende eindpunt - van Het moerasmeisje. Wrang genoeg ook voor Dowd zelf: wreed dat zo'n begenadigd auteur slechts vier boeken heeft mogen schrijven.

SIOBHAN DOWD
HET MOERASMEISJE
Uit het Engels vertaald door Tjalling Bos
Van Goor, 233 blz., € 19,95