Allegaartje

Aan het jongetje van brons van Matthew Monahan is alles wankel en ondoorgrondelijk.

DE WONDERLIJK kronkelende figuur Menino de bronze van Matthew Monahan staat op een sokkel van witte, vuurvaste baksteen. De totale hoogte van het ensemble is 160 centimeter. Iemand die klein van gestalte is (zoals de kunstenaar zelf) kijkt dus recht in het gelaat van het vreemd draaiende kereltje en zal geneigd zijn het van dichtbij te bekijken. De figuur is klein en het tegendeel van monumentaal. Ik gebruik voor die vorm het woord ‘draaiend’ omdat het beeldje zich met die beweging aan ons oog vertoont - als een opwaarts kronkelende bloem. De beweging is een losse versie van de figura serpentinata, een typische standaardvorm in maniëristische sculptuur die, denk ik, door Michelangelo is uitgevonden. Maar anders dan toen is deze figuur van Monahan niet zozeer een vloeiende en compacte vorm maar een assemblage, zo hol als een vaas, van buigzame plakken en flarden klei die tegen elkaar zijn vastgezet rondom een ijzeren staaf. Daarom ziet de sculptuur er ook licht uit, ondanks het donkere, aardgrijze patina van het brons waarin het oorspronkelijke ding is afgegoten. Eerder dan dat de figuur stevig staat, lijkt het of de fragmenten aan elkaar vast hangen - en zich als kreukelende bladeren om het jochie van brons plooien. Zo staat het te balanceren, eigenlijk, op zijn sokkel.
Op zich is die ook weer een in elkaar geknutseld geval met iets van de speelsheid van legoblokjes. Gedeeltelijk is de witte baksteen rood geschilderd en dan gedeeltelijk bepleisterd met zwart cement waarin we aan de voorkant een primitief gelaat zien. De robuuste vorm herinnert aan Keltische dodenmaskers, maar vanwege de donkere kleur moet ik ook denken aan het verwrongen gezicht van zo'n uitgedroogd, tanig lijk uit de IJstijd, in Jutland in het veen gevonden - as if he had been poured/ in tar, he lies/ on a pillow of turf/ and seems to weep, zoals het koude gedicht begint van Seamus Heaney over het beroemde lijk van Grauballe.
Zulke dingen komen in mijn hoofd op omdat, lijkt mij, het beeldje niet zo geformuleerd is dat het onmiskenbaar iets voorstelt. Alles is wankel maar suggestief en ondoorgrondelijk: ook de andere sculpturen die in de galerie in de omgeving van de Menino de bronze stonden opgesteld zijn zo in elkaar geflanst. Ze bestaan uit flarden die als het ware een vorm zoeken. Een helder plan daarvoor is er niet, maar elk werk begint doorgaans met de menselijke figuur (of een zekere afkorting daarvan) omdat die als marionetten makkelijk bewegen - en bij Ovidius kunnen we lezen op welke manieren ze van gedaante kunnen verwisselen. De sculpturen van Monahan zijn zo net zo goed wonderlijke formuleringen als dat ze zich aan elke stevigheid van vorm onttrekken. Ten slotte werd de titel er, geloof ik, op het laatst pas aangehangen. Het jongetje van brons is een tuinbeeldje dat, in de verbeelding van het sprookje, daar een zekere rol speelt - een oorspronkelijk Portugees kinderboek, O Rapaz de Bronze (van Sophia de Mello Breyner, 1956), een fantastisch verhaal over hoe de verschillende bloemen met elkaar ruzie krijgen over wie er de mooiste is en wie er naar het feest mag. Assepoester met bloemen dus. Maar daarover gaat het beeld niet, hooguit over andere verwarringen. Het verhaal is alleen een associatie van Monahan toen hij zijn sculptuurtje een naam moest geven. Misschien slingerde het boekje in het kamertje van zijn dochtertje.
Het beeld is een impulsieve verstrengeling van invallen - van allerlei soort, ook die met vormgeving te maken hebben. Ik noemde Michelangelo en Keltische maskers als vormen waarvan de herinnering in Monahans kop misschien hebben meegeholpen aan het maken en uitwerken van de vindingrijke figuur. De netjes gestapelde witte bakstenen waarmee de sokkel begint zijn, na diens onvergetelijke kubische volumes van witte blokken, voor altijd met het minimalisme van Sol Lewitt verbonden. Dit beeld ontstond uit een allegaartje. Hier wordt zoals we zien ook de vaste vorm van de sokkel aangevreten. Nogmaals: vorm wankelt omdat ze geen vastigheid vindt in een soort vast principe van vorm - zoals klassieke stijlen die hadden, en ook nog pop art en minimal art. Kunstenaars van de generatie van Matthew Monahan zijn wat dat betreft aan hun lot overgelaten. Ze moeten helemaal opnieuw beginnen (bij wijze van spreken dan). Het is vandaag de dag heel erg moeilijk om kunst te maken, en daarom spannend. Dat de hardnekkige inspiratie van kunst (raar en nieuw) voor onze overal vastgelopen samenleving juist nu onontbeerlijk is zou de regering zich eens in de oren moeten prenten.

PS Matthew Monahans nieuwe werk is tot 15 oktober te zien en te koop bij Fons Welters in de Bloemstraat in Amsterdam. Voor Heaney’s Grauballe Man: Opened Ground: Poems 1966-1996, Faber & Faber