Er was nog meer dat hij in mijn kop probeerde te stampen: het schema. ‘Een goede schaatser is een chronometer’, schalde het over de piste als ik in mijn kinderlijke vreugde mijn ritme doorbrak en allegro con brio naar voren stoof. Ik had talent. Eerst was ik de beste van mijn schaatsklasje, toen van het dorp, de provincie en het nationale jeugdteam. Uiteindelijk volgde het echte werk en werd ik respectievelijk nationaal, Europees en wereldkampioen.
Hoe sneller ik ging, hoe meer vloog de tijd. Aan zelfreflectie deed ik niet. Totdat ik na mijn Olympische triomf, die van afgelopen week, mijn stervende vader in het ziekenhuis bezocht om hem mijn drie gouden plakken te tonen. ‘Waarom leef ik?’ schalde mijn stem over de intensive care. Het verplegend personeel kwam aangesneld. Mijn vader gebaarde om pen en papier. Met trillende hand zette hij zijn boodschap op schrift, een blokletter per pagina. Het kostte hem 30,6 seconden per vel, precies mijn rondetijd. ‘Volhouden! Je bent er bijna!’ spoorde ik hem aan, zo luid dat het andermaal het personeel alarmeerde. De deur vloog open en een tochtvlaag deed de papieren door het vertrek dwarrelen. Ik sloot zijn ogen en zocht het geschrevene bij elkaar. Het antwoord was niet meer te reconstrueren, wat mij restte waren slechts de letters van het alfabet.