Allemaal gepiep

John Arbuthnot, Alexander Pope e.a., Herinneringen aan het buitengewone in leven, werken en ontdekkingen van Martinus Scriblerus. Uit het Engels vertaald door Atte Jongstra. Uitg. De Bezige Bij, 180 blz., 339,50
Maerlant, de middeleeuwer die dankzij Frits van Oostrom aan een tweede leven is begonnen, wist het al: de jeugd leidt een bandeloos leven. In Der naturen bloeme waarschuwt hij dat de verdorvenheid hoogtij viert, ‘zodat maar weinig mensen een zuiver leven leiden totdat ze vijftien jaar oud zijn. Hierdoor is de mensheid achteruit gegaan. Gejeremieer over de teloorgang van het menselijke geslacht is van alle tijden. Maar de achttiende-eeuwer Cornelius Scriblerus blonk er bijzonder in uit.

Maerlant beriep zich graag op grootheden als Aristoteles en Plinius de Oudere, de Griekse schrijver die toevallig ook zowat aan het begin staat van de stamboom van de familie Scriblerus uit Herinneringen aan het buitengewone in leven, werken en ontdekkingen van Martinus Scriblerus. Geen wonder dat vader Cornelius aan de groten van de klassieke oudheid een voorbeeld neemt bij de opvoeding van zijn zoon Martinus. Diens opleiding zal Spartaans en Atheens tegelijk zijn, mag dus lichaam en geest niet sparen en vooral niet bij de tijd zijn, want daarvan komt alleen maar morele degeneratie. Modernismen zijn taboe. Neem de moderne muziek. Allemaal gepiep, vindt vader. Vertwijfeld vraagt hij zich af: ‘Zou een van die mooie hobojongens van tegenwoordig een wolf tegemoet treden met slechts zijn instrument als wapen, zoals de oude blazer Pythocaris deed? Hebben ooit wilde beren, olifanten, herten, dolfijnen, walvissen of tarbotten, in de tijden der Ouden spelenderwijs getemd en menselijk geworden, gereageerd op de meest ingewikkelde geluiden uit moderne krasinstrumenten?’
De vermakelijke verwikkelingen rondom opvoeding, wetenschap, ethiek en betweterij zijn in deze Herinneringen met aanstekelijk plezier onder woorden gebracht. Het boek is een fraai produkt van de achttiende eeuw, een tijd waarin oude denkbeelden aan flarden gingen, maar het nieuwe zich vaak volzoog met irrationaliteit. Het is ontstaan uit een gezelschapsspel van zes Engelse auteurs die ironie, satire en kolder volledig beheersten. In doorredeneren, overdrijven en uitvergroten zijn ze meesters. Onder hen zijn Jonathan Swift om zijn Gullivers reizen (1726) en John Gay vanwege de Beggar’s opera (1728) de bekendsten gebleven. Regelmatig kwam deze ’s criblerus-club’ op zaterdagen bijeen om aan het wonderlijke leven van hun fictieve personage Martinus Scriblerus gestalte te geven, een manier om de tijdgeest te portretteren. Met als resultaat een hilarisch verslag over leven en bezigheden van een bekoorlijke dwaas.
Natuurlijk begint zo'n boek met een mystificatie over de herkomst van het manuscript. Natuurlijk bevat het de 'ontraadseling van veel diepe geheimen en was (het) ongewoon in stijl en argumentatie’. En uiteraard is de schrijver 'een groot filosoof in vermomming’.
Vertaler Atte Jongstra schreef een uitstekende leeswijzer waarin hij onder meer een verband legt met Flauberts Bouvard et Pécuchet en Martinus’ plan om te gaan reizen als de kiemcel aanwijst voor Gulliver’s Travels. Herinneringen is een boek voor wie zich pretogen wil lezen aan de ziekte van elke tijd: het onuitroeibare geloof in dwaze opvattingen.