Allemaal gewone mensen

De nieuwe King is weer even meeslepend, bloedstollend en meesterlijk als we van hem gewend zijn. Hij is absoluut niet zomaar weg te zetten als pulpschrijver. Daarvoor is hij gewoon te goed.

Stephen King, Under the Dome. € 22,95
Stephen King, Gevangen . € 29,95

Op vrijdag 13 augustus stond er voor het eerst in tien jaar weer een schrijver op het omslag van Time Magazine: Jonathan Franzen, auteur van het inmiddels wereldberoemde The Corrections. In het verschijnen van de langverwachte opvolger, Freedom, zag Time aanleiding om hem tot een ‘Great American Novelist’ te bestempelen. Het rijtje schrijvers wier portretten eerder het omslag van het toonaangevende tijdschrift sierden, is klein en illuster: George Orwell, Günter Grass, Tom Wolfe, John Updike. De voorlaatste was Stephen King. De aanleiding was weliswaar dat hij in een tijd dat het e-book nog veilig ver weg leek, een nieuw kort verhaal, Riding the Bullet, exclusief beschikbaar stelde op het internet en daarmee bijna zorgde voor een 'net meltdown’ van jewelste, maar toch: 'pulpschrijver’ King stond op de cover van een van de chicste en up market tijdschriften ter wereld.

In 2003 verdeelde hij de Amerikaanse literaire wereld toen hem The National Book Foundation’s Medal for the Distinguished Contribution to American Letters werd toegekend, een evenement waarvoor hij ooit samen met collega John Grisham kaartjes moest kopen omdat ze niet werden uitgenodigd. Critici noemden zijn decoratie belachelijk, omdat zijn verhalen niets met literatuur te maken zouden hebben. Het overgrote deel van de leden van de National Book Foundation was het er echter over eens dat er genoeg redenen waren om King te onderscheiden: zijn immense oeuvre, zijn hulp aan jonge schrijvers, en zijn invloed op de Amerikaanse populaire cultuur.

King verkoopt miljoenen boeken per jaar, vrijwel al zijn romans en verhalen werden min of meer succesvol verfilmd en zijn schare fans - de 'constant reader’, zoals hij ze noemt - is hondstrouw. Zelf bekeerde ik me tot King in het jaar 1986, toen ik van een toevallige boekenbon It kocht, in ieder geval in omvang een van zijn grootste werken. Het verhaal over een groep jeugdvrienden die als volwassenen weer bij elkaar komen om een verschrikkelijk 'Iets’ definitief te verslaan, heeft me maandenlang in de greep gehouden, ook lang nadat ik het uit had. Naast een levenslange angst voor clowns leverde het me een even lange liefde voor Kings werk op. Carrie, Salem’s Lot, Christine, The Shining, Children of the Corn, Stand by Me ('The Body’), Misery, The Stand, The Green Mile, 'Secret Window, Secret Garden’: de lijst meesterlijke romans en verhalen is eindeloos. Soms bleken ze ook goeie films op te leveren - The Shining, The Shawshank Redemption, Misery, The Mist -, vaak ook niet. Maar Stephen King lezen blijft een ervaring die ik iedereen aan zou willen raden, simpelweg omdat er weinig betere verhalenvertellers te vinden zijn die je voorstellingsvermogen tot het uiterste aanspreken, en omdat hij die verhalen ook nog eens technisch knap opschrijft. Dat laatste is wat men in de literaire wereld graag 'stijl’ noemt, een criterium dat zwaar weegt als het erom gaat een boek als 'literair’ of 'pulp’ te bestempelen. Dat King goed heeft nagedacht over deze vakmatige kant van het schrijverschap bewees hij met de publicatie van On Writing, een van de leukste en informatiefste boeken over het schrijverschap dat door elke aspirant-schrijver gelezen zou moeten worden voordat hij een letter op papier zet.

De laatste proeve van Kings vertelkunst werd reeds eind 2009 gepubliceerd, maar deze zomer lag de Amerikaanse paperback in de winkel: The Dome (Gevangen), een bijna duizend pagina’s tellend epos waar King reeds in 1976 aan was begonnen maar dat hij na twee weken weglegde omdat het verhaal hem boven het hoofd groeide. Pas drie jaar geleden achtte hij zichzelf in staat dit monsterboek te voltooien. Het is niet verwonderlijk dat de auteur in eerste instantie bezweek onder zijn eigen ambities: Under the Dome is opgezet als een shakespeariaans drama over goed en kwaad waarin ruim zestig personages een rol spelen, de passanten en figuranten niet meegerekend. Het in toom houden van deze enorme cast vormde niet het enige probleem voor de toen jonge auteur, ook de technische details speelden hem parten, met name de ecologische en meteorologische.

Under the Dome speelt zich af in het voor King-fans vertrouwde Maine, in een fictief dorpje van tweeduizend zielen, Chester’s Mill. Het dorp is een dwarsdoorsnede van het 'gewone’, rurale Amerika dat niets van doen heeft met grote steden als New York of Los Angeles. Hier wonen de mensen die zichzelf beschouwen als het werkelijk kloppende hart van de Verenigde Staten: godvrezend, hard werkend, eerlijk, saamhorig, of zoals countryzanger James McMurtry zingt: 'It’s a small town/ you know what I mean/ it’s a small town, son/ and we all support the team.’ Dat deze houding in een handomdraai kan veranderen, spreekt in een King-roman voor zich. Op 21 oktober, enkele dagen voor Halloween, krijgt de echtgenote van een van de notabelen van het dorp haar eerste vliegles. Ze heeft nog maar net de stuurknuppel onder controle of het vliegtuigje stuit op een ondoorzichtige muur en explodeert. De explosie wordt vanaf de grond gadegeslagen door een eekhoorn die op zoek is naar iets eetbaars. Als hij zich weer in beweging zet wordt hij doorkliefd. Een paar honderd meter verderop reikt een middelbare vrouw naar een plantje dat technisch gesproken in een stuk tuin staat dat net buiten de dorpsgrenzen valt; haar hand wordt 'nice and clean’ bij de pols afgesneden, waarna ze doodbloedt in de armen van haar echtgenoot. En terwijl het vliegtuigje explodeert, wordt het mooiste meisje van school gewurgd door de zoon van de machtigste man van het dorp. En dit alles voltrekt zich op de eerste paar pagina’s van het boek. Daarna is het ondanks de omvang vrijwel onmogelijk het weer weg te leggen.

Hoe onwerkelijk ook, King laat je zonder meer geloven dat er van het ene op het andere moment een enorme glazen stolp om het dorpje is geplaatst. De stolp is onzichtbaar, maar ondoordringbaar: pogingen om hem te doorbreken mislukken jammerlijk. Tijdens de eerste 150 pagina’s laat King de lezer op een kalme maar dwingende manier kennismaken met de hoofdrolspelers; dat je die gezien het aantal moeiteloos meteen onthoudt is een prestatie van formaat: Big Jim Rennie, de machtigste wethouder van Chester’s Mill; zijn zoon Junior; Dale Barbara, een ex-militair die heeft gediend in Irak; Julia Shumway, uitgever van de lokale krant; Rusty Everett, de dokter, en zijn vrouw Linda; Romeo Burpee, eigenaar van de plaatselijke supermarkt. Allemaal gewone mensen die moeten zien te (over)leven onder uiterst ongewone omstandigheden. Al snel blijkt dat wethouder Big Jim de situatie wil aangrijpen om eens en voor altijd het dorp in zijn macht te krijgen, en een florerende drugshandel ongemerkt op te doeken. In een mum van tijd heeft hij de plaatselijke politiemacht versterkt met domme, maar gewillige en sadistische agenten, en de communis opinio middels manipulatie in zijn voordeel gebogen. Binnen zeven dagen is het eens zo vredige en saamhorige dorpje het toneel geworden van terreur, achterdocht en moord. Natuurlijk is het geen hemelbestormend nieuw thema, maar het blijft fascinerend (en altijd actueel) om te lezen hoe op het eerste gezicht intelligente en nuchtere mensen in korte tijd ten prooi kunnen vallen aan een manipulatieve, demagogische machthebber die niet bang is om zijn publiek met ophitsende oneliners te voeden.

Een klein groepje dorpelingen biedt tegenstand onder leiding van Dale Barbara. Terwijl de lijken in het rond vliegen gaan ze op zoek naar de oorzaak van de Dome. Ze hebben niet veel tijd: terwijl Big Jim zich opmaakt voor de totale machtsgreep verandert het weer binnen de Dome gestaag. Buiten de onzichtbare wand is het inmiddels guur en winderig, maar in Chester’s Mill schijnt voortdurend de zon - al verandert die door de toenemende viezigheid op de Dome steeds van kleur - en stijgt de temperatuur met elke dag die verglijdt. Bloemen en planten verdorren, het riviertje droogt op en de lucht wordt steeds ranziger. Deze duidelijke ecologische ondertoon is nieuw in het werk van King. Nergens wuift hij met een vingertje, maar het is verfrissend om te zien hoe hij moderne thema’s - zie ook de verwijzing naar de oorlog in Irak en de excessen die daar plaatsvonden, en vinden - bijna achteloos verweeft in een voortdenderend verhaal. Wie riep er ook al weer om meer engagement in de literatuur?

Tijdens de laatste meeslepende, apocalyptische hoofdstukken van de roman komen we er eindelijk achter wat of wie de Dome heeft veroorzaakt. Ondanks Kings veelvuldige vooruitwijzingen komt de ontknoping als een verrassing. Hoewel Einstein beweerde dat God niet dobbelt, toont King ons wederom moeiteloos de mogelijkheid dat er in ieder geval iets een spelletje met ons speelt.

Met Under the Dome voegt King een nieuwe parel toe aan zijn oeuvre. Waar Bruce Springsteen de chroniqueur is van smalltown Amerika in de muziek, is Stephen King dat in de literatuur. Zijn grote thema’s als de strijd tussen goed en kwaad, religiositeit en moed zijn volop aanwezig, maar worden nu aangevuld met modernere onderwerpen als het milieu. Elk detail klopt en grijpt soepel in het volgende, elke laatste zin van een hoofdstuk doet je verlangen naar het volgende. En dit alles in een stijl zo helder als een beekje op een zonnige najaarsdag in Maine. En ja, de pagina’s druipen meer dan ooit van het bloed, het aantal lijken is niet te turven. Maar maakt dat het per definitie genreliteratuur? Pulp? Ik denk het niet. Ik wil niet zeggen dat King de Nobelprijs voor de literatuur zou moeten krijgen, maar als er serieus overwogen is om Bob Dylan die eer te gunnen…?

In november verschijnen vier nieuwe verhalen van Stephen King onder de titel Full Dark, No Stars

STEPHEN KING

UNDER THE DOME

Hodder & Stoughton, 882 blz., €?11,99 (paperback). Nederlandse vertaling:

Gevangen,

vertaald door Hugo Kuipers

Luitingh, 1056 blz., € 29,95