Allemaal hebben we winterhanden

BEGIN JAREN dertig noteerde de Italiaanse schrijver Cesare Pavese (1908-1950) in zijn dagboek: ‘Het hele probleem van het leven is dus dit: hoe de eigen eenzaamheid te doorbreken, hoe te communiceren met anderen.’ Natuurlijk, het is geen verbijsterende gedachte die hij hier formuleert, geen schokkend inzicht, maar er zijn weinig schrijvers die de eenzaamheid en het verlangen naar contact met de ander zo aan den lijve hebben ervaren en dit zozeer tot uitdrukking hebben gebracht in hun werk.

Henk Propper beschrijft in zijn mooie essay ‘Cesare Pavese: De kunst van de onverschilligheid’, opgenomen in de bundel Een intiem slagveld, hoe het gezin waarin Pavese opgroeit in het teken staat van het zwijgen. Na de vroege dood van zijn vader 'eet het zwijgen mee aan tafel’. De beklemmende sfeer van thuis draagt ertoe bij dat hij een in zichzelf gekeerd kind is. In zijn hele leven zullen het zwijgen en de eenzaamheid centrale figuren zijn, ze zijn zijn fort en zijn zwakte. Paveses verhouding tot de eenzaamheid, zo betoogt Propper, is ronduit dubbelzinnig. Hij koestert zich in zijn geisoleerde schrijverschap en hij verafschuwt de eenzaamheid tegelijk omdat zij maakt dat hij nooit echt met iemand kan samenzijn. 'Ik heb de hele avond voor de spiegel gezeten om mezelf gezelschap te houden’, schrijft hij in zijn dagboek. Vlak voor zijn legendarische zelfmoord - ook voor Pavese geldt de tragiek: de zelfgekozen dood maakt hem haast beroemder dan zijn literatuur - doet hij volop pogingen in contact te komen met vrienden en kennissen. Men is op vakantie, men heeft het te druk. Een nieuwe dag van eenzaamheid lijkt hij niet meer te kunnen verdragen.
ZOALS ZIJN hele werk is ook de zojuist vertaalde roman De kameraad van eenzaamheid en het verlangen haar te doorbreken doortrokken. De ik-figuur Pablo, een werkloze jongeman die zich troost met het tokkelen op zijn gitaar, brengt zijn dagen voornamelijk in ledigheid door. Hij zwerft doelloos door de stad, van kroeg naar kroeg, tot de grauwe ochtendnevel de nacht verjaagt. Of hij trekt dromerig buiten door de heuvels, langs de rivier, naar het meer. In gezelschap van vrienden zingt hij in cafes, drinkt en rookt hij, maar je hebt nooit het idee dat hij werkelijk met hen samen is. Hij realiseert het zich ook zelf: terwijl hij met zijn geliefde praat, merkt hij dat hij alleen is; terwijl hij met vrienden in de kroeg zit, is het of hij zich het tafereel van de drinkende vrienden slechts verbeeldt. Hij is kortom buitenstaander pur sang.
Het heeft natuurlijk iets paradoxaals dat een roman waarin er tussen mensen hoegenaamd geen contact mogelijk is, De kameraad heet. Met de kameraadschap die in het begin van het boek wordt geintroduceerd en die als een rode draad door het boek blijft lopen, is dan ook iets merkwaardigs aan de hand. Zij is in feite voorbij als Pablo erover vertelt. Of beter: ze bestaat alleen nog in zijn hoofd, is een abstract ijkpunt waaraan hij zijn belevenissen meet.
Amelio, de vriend van Pablo, wordt voorgesteld als hij een motorongeluk heeft gehad en zijn rug heeft gebroken. De vertrouwelijke nachtelijke gesprekken die de vrienden plegen te voeren, behoren daardoor tot het verleden. Als Amelio in het ziekenhuis ligt, zoekt Pablo hem niet op en ook als hij thuis ligt met verlamde benen verwaarloost Pablo hem. Maar juist als Pablo niet meer daadwerkelijk met Amelio communiceert, vergelijkt hij zijn leven voortdurend met dat van zijn vriend. 'Net als Amelio’, bedenkt hij steeds.
In zekere zin neemt Pablo het leven van Amelio over. Hij begint een schimmige verhouding met Linda, de vriendin van Amelio, hij zoekt werk en wordt monteur, wat Amelio voor zijn ongeluk ook was: 'Dat was Amelio’s leven.’ Overal ziet hij de parallellen tussen hem en Amelio, ook in het negatieve: na Amelio zet Linda ook hem aan de kant, net als Amelio komt hij in de gevangenis terecht. Zo denkt Pablo na zijn arrestatie: 'Opeens bedacht ik dat Amelio ook vast zat. “Deze keer”, dacht ik, “zijn we quitte.” Ik lag languit op de brits. Ik sloot mijn ogen en zei: “Amelio”.’
HET HEEFT ER veel van weg dat Pablo zijn onvermogen om de vriendschap met Amelio vast te houden compenseert door hem na te volgen. Van opzettelijk navolgen is echter geen sprake. Pablo presenteert de manier waarop zijn leven een kopie lijkt van Amelio’s moedervel als bepaald door het noodlot, als onontkoombare fataliteit. 'Alles wat ik zomaar doe, doe ik uit eigen beweging. Maar de belangrijke dingen, die gebeuren vanzelf. Die komen je achterna als een vrachtauto, als een lelijke longontsteking, en er trekt iemand aan de touwtjes die zich ermee amuseert en speelt.’
Evenals het zwijgen en de eenzaamheid is de overtuiging dat het leven wordt bepaald door het noodlot kenmerkend voor Cesare Pavese. Wat zijn eigen leven betreft, geloofde hij ook heilig in de voorbeschikking. Hij dacht niet dat je het bestaan ferm in eigen hand kon nemen en naar eigen inzicht kon omkneden. Geen wonder dat hij het leven als nutteloos en zinloos zag. De kameraad wasemt ook het gevoel van fataliteit en nutteloosheid uit. 'Wat is een mens nou’, vraagt Pablo zich schamper af. Of je nu jong of oud bent, zegt hij bij zichzelf, je slentert wat rond en je huis is overal en nergens. En of je nu werkt of niet, je bent toch dezelfde arme drommel: 'Er is geen groot verschil tussen iemand die niet weet waar hij moet slapen en iemand die voor dag en dauw het plein opgaat. Allebei hebben ze winterhanden.’
De somberte en de monotonie, het eeuwige slenteren en zwerven in het leven van Pablo worden alleen doorbroken door zijn vertrek naar Rome. In Rome hangen de nutteloosheid en de tijdverspilling in de lucht, maar op een plezierige manier. De stad is een grote kroeg, maar het is er prettig toeven. In Rome is ook de eenzaamheid en het gevoel buitenstaander te zijn draaglijk. Over zijn Romeinse vrienden zegt Pablo: 'Met die Romeinen had ik het gevoel dat ik tegelijk alleen en in gezelschap was. Een ander soort mensen: ik kon me samen met ze warmen en ik kon afzijdig blijven en toekijken hoe ze aten.’ In Rome kan Pablo een ander mens worden.
De verandering uit zich in een toenemende belangstelling voor politiek. Is Pablo eerst iemand die hoogstens de sportpagina van de krant leest, in Rome ontwaakt zijn politieke bewustzijn. De titel De kameraad heeft dan ook niet alleen betrekking op vriendschap en liefde, maar evenzeer op politieke betrokkenheid. De in 1947 gepubliceerde roman speelt in de tijd dat de fascisten aan de macht zijn, de roerige tijd van werkloosheid, honger, zwartgehemde knokploegen die de straten onveilig maken, de jacht op communisten.
Pavese heeft zijn sympathie voor het communistische verzet tegen het fascisme in De kameraad verwerkt. Maar net als in de vriendschap dreigt in de politieke kameraadschap het gevaar van verraad. Pavese laat het verraad op verschillende niveaus een rol spelen: Pablo verraadt zijn vriend Amelio, Linda verraadt haar geliefden, door verraad worden zowel Amelio als Pablo gearresteerd.
IN OKTOBER 1948 schrijft Pavese in zijn dagboek: 'Een willekeurig opengeslagen stuk van “De kameraad” gelezen. Effect als van het aanraken van een elektrische lading. Er ligt een boven het normale uitgaande, krankzinnige spanning in, die te danken is aan het feit dat de zinnen hun hoogtepunt bereiken voor het einde, dat ontspannen is. Een voortdurend geblokkeerde aanloop. Ademnood.’
Men is geneigd zulk soort uitspraken over eigen werk nogal ijdel te vinden. Daar zit ook wel wat in, maar Pavese heeft niettemin volkomen gelijk: De kameraad lijkt elektrisch geladen. De stijl van Pavese is kaal tot op het bot, ontdaan van alle esthetische franje en gratie. Ook al is er een ik-verteller aan het woord, aan de beschrijving van gevoelens en gedachten wordt minimaal ruimte gegeven. Maar de pijn schemert door elke zin, de spanning in elk woord.