Voorbeeldige saamhorigheid in Japan

Allemaal helden

Natuurrampen leiden vaak tot paniek of plunderingen, maar niet in Japan. Toch zit opofferingsgezindheid niet in de volksaard, betoogt Japan-kenner Karel van Wolferen.

IN DE PREFECTUUR Miyagi, in het zwaarst getroffen noordoosten van Japan, was vorige week nauwelijks voedsel of drinkwater te verkrijgen. De elektriciteit was uitgevallen, alle medische hulpverlening ontbrak. Toch was er geen sprake van plundering, geweldpleging of openlijke paniek, meldden ooggetuigen via persbureau Novosti. Winkeliers deelden gratis voedsel en flessenwater uit aan rijen geduldig wachtende mensen. Geen enkele verkoper vroeg woekerprijzen. Een reporter die op zoek ging naar tekenen van plundering moest constateren dat zelfs in winkels met kapotte ramen en deuren de voedingswaren nog keurig opgestapeld lagen in de schappen.
De moed, waardigheid en discipline die Japanners onder de huidige omstandigheden opbrengen, vervult veel buitenlandse waarnemers met verbazing, vermengd met bewondering en afgunst. Door de taferelen in New Orleans na orkaan Katrina (2005), de inbraakgolf tijdens de overstroming van de Britse West County (2007) en de plunderingen na de Chileense en Haïtiaanse aardbevingen (2010) nemen we als vanzelfsprekend aan dat natuurrampen gepaard gaan met grootscheepse uitbarstingen van onmaatschappelijk gedrag. Waarom zien we die niet in Japan?
‘Japanners worden vanaf de lagere school voorbereid op de mogelijkheid van aardbevingen, waarbij ze leren dat paniek en overreactie de schade alleen maar groter maken’, zegt Japan-kenner Karel van Wolferen (69). 'Anderzijds leren ze ook van jongs af aan dat je een ander niet tot last moet zijn, dat jouw leed niet de hoogste prioriteit heeft. Hun vermogen tot zelfopoffering is daarom heel groot. Neem nu de ingenieurs en arbeiders die al de hele week proberen de kerncentrales van Fukushima onder controle te brengen. Die doen dat met gevaar voor hun leven, dat zijn helden. Tegelijk is er een enorme logistieke operatie gaande om het door de tsunami getroffen noordoosten weer van voedsel en andere levensbehoeften te voorzien. De havens aan de oostzijde zijn verwoest, dus moet de aanvoer nu plaatsvinden over de bergrug die door het centrum van Honshu loopt. Doordat de aandacht van de internationale media geheel uitgaat naar Fukushima krijgen we dat niet te zien, maar ook daar wordt momenteel onvoorstelbaar hard gewerkt.’ Volgens Van Wolferen zit die opofferingsgezindheid niet in de volksaard, zoals je her en der leest. Evenmin als de kamikazementaliteit waarvan de Fukushima-arbeiders volgens sommige Duitse media doordrongen zijn. Van Wolferen: 'Zo praat je toch ook niet over de New Yorkse brandweermannen die zich op 9/11 minstens even taai en moedig hebben betoond?’
Volgens Van Wolferen is een ingetogen reactie op de aardbeving en tsunami eerder typerend voor de getroffen streek dan voor heel Japan. Als oud-correspondent kent hij het getroffen gebied goed; het was altijd zijn favoriete vakantiebestemming. Van Wolferen: 'Een prachtige streek waar de mensen erg gereserveerd zijn, veel ingetogener dan in andere delen van Japan. Als de ramp een stad als Osaka zou hebben getroffen, zou je meer beelden van geëmotioneerde mensen hebben gezien. De stelling dat Japanners beter bestand zijn tegen collectieve tegenslagen omdat hun land etnisch en cultureel homogeen is, lijkt me dan ook onzin. Het land is veel minder homogeen dan we denken. Er wonen Koreanen, er wonen burakumin (“onaanraakbaren”), er zijn grote welvaartsverschillen en regionale verschillen, er zijn zelfs nogal wat dialecten die een stadse Japanner niet verstaat.
Het helpt wel dat cultuur en opvoeding in Japan de nadruk leggen op maatschappelijke harmonie, samenwerking, aanpassing aan het gemeenschappelijk belang. We zien daarvan nu de voordelen in de vorm van die voorbeeldige saamhorigheid. Ik heb dagelijks contact met vrienden, kennissen en voormalige collega’s in Japan en het valt me op dat zelfs degenen die altijd laatdunkend over Japan spraken nu vol bewondering zijn. Die solidariteit heeft natuurlijk een schaduwzijde in de vorm van een geringere vrijheid van het individu om zich te uiten. Je loopt met je opinies niet te koop. Wat het algemeen belang is, wordt geïnterpreteerd en verwoord door het gezag.
Naar onze maatstaven is het burgerschap in Japan dan ook onderontwikkeld. Waarbij ik meteen aanteken dat het democratisch gehalte van westerse landen wordt overschat. Bij ons worden burgers net zo goed als in Japan geringeloord door de overheid. Anderzijds zijn er ook in Japan burgerinitiatieven die het autoriteiten en bedrijven knap lastig maken, al gebeurt dat op subtielere manier dan bij ons. Hun hefboom is beschaming. Daardoor kan een zwakkere partij een sterkere tot verandering dwingen. De vrees voor en de consequenties van gezichtsverlies zijn in Japan zo groot dat bestuurders soms zelfmoord plegen als ze gefaald hebben.
In het Westen maken we sterk onderscheid tussen vorm en inhoud, waarbij de laatste belangrijker wordt gevonden. Dat dacht ik ook in het begin. Maar na lange tijd in Japan begin je te beseffen dat de vorm in hoge mate de inhoud is. En het maakt het leven zoveel aangenamer als mensen proberen een ander niet te kwetsen maar hem aardig tegemoet te treden. Dat verschijnsel is ons Nederlanders overigens ook niet vreemd. Als je beter kijkt, ontwaar je achter de verschillen heel wat overeenkomsten. Nu ik weer terug in Nederland ben en onder de rook van Amsterdam woon, doe ik liever in Ouderkerk of Mijdrecht boodschappen dan in Amsterdam, want hier zijn de mensen beleefder en behulpzamer dan daar. En wat de reactie op natuurrampen betreft verschilt de Japanse houding niet zoveel van de Nederlandse samenwerkingsgezindheid tijdens de watersnoodramp van 1953. Of van de Britse onverzettelijkheid tijdens de Blitz.’

IN PLAATS VAN gepeuter in de Japanse volksziel ziet Van Wolferen liever dat de wereld de mogelijkheden tot economische en politieke transformatie van Japan na de ramp onderkent. Helaas zit er in Tokio bijna geen vaste correspondent meer die de ontwikkeling van dichtbij volgt. Van Wolferen: 'In mijn tijd waren er tweehonderd vaste correspondenten in Tokio. Nu zit er bijna niemand, in elk geval niemand die weet dat Japan de laatste jaren begonnen was zichzelf opnieuw uit te vinden. Voordat deze aardbeving toesloeg, was er al een politieke aardverschuiving aan de gang. Die begon veelbelovend in september 2009. De Liberaal-Democratische Partij die het land 54 jaar lang onafgebroken had geregeerd, werd verslagen door de Democratische Partij van Japan. Deze DPJ wilde politieke controle instellen op de macht van de overheidsbureaucratie met zijn behoudzucht. Het ging vooral ook om de noodzaak een coördinerend politiek centrum te vormen, een soort politiek stuur dat nu ontbreekt. Maar het establishment vocht terug. De voorzitter en grote inspirator van de nieuwe regeringspartij, Ichiro Ozawa, werd uitgerangeerd door middel van een schandaal in verband met fondsenwerving. Dat was doorgestoken kaart; het openbaar ministerie in Japan is er heel goed in om zulke schandalen in elkaar te flansen als de belangen van het establishment op het spel staan. Op vergelijkbare manier is ook de DPJ-premier Yukio Hatoyama ten val gebracht, een man die de relatie met de buurlanden wilde verbeteren.’
Ozawa wilde vooral de banden met China en gewone Chinezen aanhalen, wat niet strookte met de wil van bondgenoot Washington. Hij organiseerde zelfs voor keizer Akihito een ontmoeting met de bezoekende Chinese vice-president Xi Jinping. Van Wolferen: 'Dat was haast een revolutionaire daad, want daarmee trotseerde Ozawa de wil van de keizerlijke bureaucratie.’ Een heuse doorbraak in de Chinees-Japanse relaties leek binnen bereik. Er was sprake van een voorgenomen staatsbezoek van Hatoyama aan Nanking, alwaar de premier publiekelijk zijn verontschuldigingen zou aanbieden voor het bloedbad dat het Japanse leger er in december 1937 onder de burgerbevolking aanrichtte. Helaas moest Hatoyama dus voortijdig het veld ruimen voor de zwakkere Naoto Kan.
Van Wolferen: 'Ik ken Naoto Kan al jaren persoonlijk en weet dat hij het beste met Japan voorheeft. Hij is geen Ozawa. Hij heeft geen benul van economie of buitenlandse politiek en hij heeft zich niet kunnen ontwikkelen tot een tv-persoonlijkheid. Maar hij heeft in de afgelopen week voor de Japanse politieke verhoudingen een heel nieuwe standaard gezet. Bij de grote aardbeving van 2005 in Kobe heeft de LDP het vreselijk laten afweten, de coördinatie was ver te zoeken. Nu zien we hoe Naoto Kan de aanpak van maar liefst vier crises tegelijk coördineert: een aardbeving, een tsunami, een bevoorradingscrisis en een crisis rond lekkende kernreactoren. Juist daarom denk ik dat deze ramp, bij alle tragiek waarmee hij gepaard gaat, Japan een unieke kans biedt om alsnog het roer om te gooien. Onder verstandige leiding kan het land op technologisch gebied weer de leidende positie veroveren die het gedurende decennia heeft gehad. Niet door vrijere markten te introduceren zoals de Verenigde Staten en de Wereldbank al jaren eisen. Maar door zijn energiebeleid te herzien en in te zetten op zonne-energie. We weten allemaal dat olie, kernenergie en windmolens doodlopende wegen zijn en dat de mensheid alleen kan overleven door beter gebruik te maken van zonne-energie. Japan kan door zijn vermogen tot technologische innovatie een leidende rol gaan spelen in die overgang, mits het erin slaagt zichzelf als het ware opnieuw uit te vinden. En mits het gaat samenwerken met China, want de economieën van die twee landen sluiten naadloos op elkaar aan.’