Allemaal kleine Eichmannetjes

Dankzij Bettina Stangneth kan iedere lezer van haar boek bij zichzelf het banale kwaad ontdekken. Die herkenbaarheid is voor de algemene lezer aantrekkelijk. Maar filosoof en Hannah Arendt-bewonderaar Hans Achterhuis haakt gefrustreerd af.

Voor filosofen mag het als een uitzonderlijke prestatie gelden wanneer ze tot de top-tien van de meest verkochte boeken doordringen. Met Melancholie van de onrust houdt Joke Hermsen dit kunststukje al wekenlang vol. In week 19 kreeg ze gezelschap van haar Duitse collega Bettina Stangneth met Het kwade denken. Dat was totaal onverwacht. Hermsen had in het verleden met Stil de tijd al een bestseller op haar naam staan, van Stangneth belandde Eichmann in Argentinië bij ons in de ramsj.

Voor mij als recensent van filosofische boeken is het succes van Stangneths boek helemaal een raadsel. Laat ik maar beginnen te bekennen dat ik van de laatste helft ervan weinig begrijp en dat ik op de eerdere delen forse kritiek heb. Kan ik de discrepantie tussen mijn negatieve professionele oordeel en het enthousiasme van het leespubliek begrijpen? Zeker, Het kwade denken kreeg een forse duw in de rug door een uiterst lovende bespreking van Bas Heijne in NRC Handelsblad. Maar dat kan onmogelijk het succes van Stangneth verklaren. Moet ik het op mijzelf betrekken, in de spiegel kijken? Ligt er een afgrond van onbegrip tussen de manier waarop filosofie door een algemeen lezerspubliek wordt gewaardeerd en mijn eigen wijsgerige oordeel?

Laat ik bij een beantwoording van dit soort vragen eerst maar eens naar het laatste en grootste deel van Het kwade denken kijken. In de eerste twee delen bespreekt Stangneth de opvattingen van Immanuel Kant en Hannah Arendt over het kwaad. De grote achttiende-eeuwse Verlichtingsdenker had het over ‘het radicale kwaad’, de Duits-Amerikaanse filosofe over ‘de banaliteit van het kwaad’. Stangneth voegt daar een nieuwe variant aan toe met een zeer uitvoerige beschouwing over ‘het academische kwaad’.

Wat dit precies behelst, blijft voor mij helaas onduidelijk. In de zeer algemene en abstracte beschouwingen hierover geeft Stangneth weinig concrete verwijzingen naar de realiteit. Heijne veronderstelt dat het misschien over Peter Sloterdijk gaat, maar dat lijkt mij niet juist. Zeker, het begrip cynisme valt vaak, maar Sloterdijk onderscheidde dat in zijn vroege werk juist van een fenomeen dat hij ‘kynisme’ noemde. Marjan Slob, die mijn negatieve oordeel lijkt te delen, stelde in de Volkskrant dat het misschien gaat om het begrijpen van de wereld vanuit één dominant systeem. Ook dat lijkt mij niet te kloppen. In elk geval is er niets nieuws aan. Arendt bespreekt dit al uitvoerig in De oorsprongen van het totalitarisme en verbindt er later losjes het begrip ‘de banaliteit van het kwaad’ aan. Maar waar gaat dat ‘academische kwaad’ dan wel over, wat is de inhoud ervan?

Ik waag ook een voorzichtige poging, maar ik moet toch eerst kwijt dat veel zinnen van Stangneth voor mij onbegrijpelijk zijn, waarbij ik onderstreep dat dit niet komt doordat er moeilijke woorden in staan. Integendeel, ze gaat er prat op dat ze geen filosofisch betoog maar een essay schrijft, waarin ze de algemene lezer direct toespreekt. Misschien begrijp ik het als filosoof die de analyse zoekt juist daarom niet. Laat ik maar een voorbeeldzin (van pagina 163) geven: ‘De wetenschap dat er zelfs heel veel bestaat dat niemand iets aangaat, stelt ons in staat om eveneens waarden en culturen op hun morele geldigheid te toetsen en ook om normen die ons leven willen bepalen, zoals de bewering dat er een seksuele moraal geldt, als ongeoorloofd ingrijpen te onderscheiden van onvoorwaardelijke morele eisen.’ Hoe ik mijn hoofd hierover ook breek, ik begrijp er niets van. Het geijkte argument dat ik een losse zin zo uit de context pluk, gaat niet op, want ook de zinnen die eraan vooraf gaan en erop volgen zijn duister voor mij. Het zou te veel ruimte vergen om meer voorbeelden van dit soort zinnen te citeren.

Medium par124525
Adolf Eichmann in een kogelvrije ruimte tijdens zijn proces in 1961

Bij mijn interpretatiepoging ga ik uit van de fraaie, dubbelzinnige titel. Tegenover Kant en Arendt, die over het kwaad nadenken, stelt Stangneth dat het kwaad in het denken zelf aanwezig is. Juist de wetenschap maakt het voor de tegenwoordige mens mogelijk om het kwaad te bedrijven. Het empathisch meevoelen en meedenken met anderen kan zich tegen hen keren. Als ik dan toch zelf een naam hierbij zou mogen noemen, zou dat onze landgenoot Frans de Waal zijn, met zijn pleidooi voor een empathische moraal. De optimistische boodschap à la De Waal wordt door Stangneth omgedraaid. Juist de folteraar kan zich dankzij empathie inleven in zijn slachtoffer. Empathie is zo volgens haar ‘een noodzakelijke voorwaarde voor sadisme’.

Volstrekt in strijd met Hannah Arendt stelt Bettina Stangneth dat we denken als handelen moeten begrijpen

Dit lijkt mij een belangrijke en terechte observatie, die echter door Stangneth heel snel tot het gehele denk- en kenproces wordt uitgebreid. Het academische kwaad zou dan de resultaten van wetenschappelijk onderzoek negeren of zelfs juist gebruiken om immorele handelingen te verrichten. Voorbeelden te over, van de rekrutering van jongeren door IS tot het tegen te lage prijzen verkopen van onder slechte omstandigheden geproduceerde kleding uit arme landen.

Zelf zou ik dit soort voorbeelden, die Stangneth uiterst kort als vanzelfsprekend kwaad introduceert, niet direct ‘academisch’ willen noemen. Ze zijn volgens mij tot meer dan alleen maar verkeerd denken en kennen te herleiden. Juist de kwade wil van Kant en de banaliteit van het kwaad van Arendt zouden ook ingezet kunnen worden om hier verheldering te bieden. De meerwaarde van het nieuwe begrip ‘academisch kwaad’ blijft voor mij niet duidelijk.

Daarmee kom ik bij de eerste twee delen van Het kwade denken. Ongetwijfeld is Stangneth een groot kenner van zowel het werk van Kant als dat van Arendt. Misschien gaat het mis omdat ze beide denkers zonder voetnoten en verwijzingen, in huis-, tuin- en keukentaal wil introduceren. De lezer die het allemaal wil natrekken, wordt verwezen naar de 23 delen van het verzameld werk van Kant en naar drie in verschillende tijdschriften verschenen artikelen van Arendt. Deze verwijzingen zijn duidelijk afschrikwekkend bedoeld. Want wie gaat nu op zoek naar een artikel uit het twaalfde nummer van Jewish Frontier uit 1945? Waarom niet simpel de verzamelbundels van Arendts werk genoemd, waar de artikelen te vinden zijn? De Nederlandse vertaler, René van Veen, maakt het nog bonter. Hij verwijst alleen maar naar Eichmann in Jeruzalem, het beroemde boek van Arendt over het proces tegen deze oorlogsmisdadiger. Daar neemt Stangneth in de lijn van de genoemde artikelen van Arendt nu juist enige reflexieve afstand van. Dat deze teksten van Arendt bij ons in de fraaie bundel Verantwoordelijkheid en oordeel verschenen zijn, ontgaat zowel de vertaler als het team dat hem begeleidde.

Wat mijzelf bij de gedeeltelijke herlezing van de teksten van Arendt opviel, was, vergeleken met de Duitse donkere diepzinnigheid van Stangneth, de Angelsaksische analytische helderheid van het betoog. In tegenstelling tot Stangneth, die alles door elkaar husselt, definieert en onderscheidt Arendt haar centrale begrippen: goed en kwaad, denken en kennen, intellect (of verstand) en rede. Ik licht het verschil tussen denken en kennen eruit. Het denken van de rede wil begrijpen, maar komt daarbij nooit tot definitieve antwoorden en inzichten. Het staat los van de praktische wens om de wereld te leren kennen, die steeds meer inzicht en kennis oplevert. In tegenstelling tot het kenproces dat volgens Arendt op de wereld gericht is, is het denken niet uit op resultaten die mij vertellen hoe ik de wereld kan veranderen. Het zoeken naar zin en betekenis is bij Arendt steeds sterk onderscheiden van de dorst naar kennis van de wetenschapper.

Arendt werd door het onderscheid tussen denken en kennen, dat grotendeels op Kant en Heidegger teruggaat, gegrepen toen ze bij het proces tegen Eichmann geconfronteerd werd met wat ze zijn ‘gedachteloosheid’ noemde. Hij was ongetwijfeld een knappe kop, een logistiek wonder, die de treinen naar de vernietigingskampen op tijd liet rijden, maar hij kon niet ‘denken’. Dit gebrek verbond Arendt, zoals gezegd, losjes met het begrip ‘de banaliteit van het kwaad’. Een groot deel van haar latere, door haar vroege dood onafgemaakte werk, waaronder twee van de eerder genoemde artikelen, was erop gericht om te onderzoeken of het denken ons kan helpen om onderscheid te maken tussen goed en kwaad om zo mensen tegen het kwaad te kunnen wapenen.

Wat we ook vinden van het onderscheid tussen denken en kennen dat Arendt maakt, wie haar ideeën over het kwaad wil begrijpen zal er op voort moeten bouwen. Dat doet Stangneth niet. In haar weergaven van Arendts filosofische begrijpen loopt alles door elkaar. Denken valt voor haar samen met het geheel van onze ‘cognitieve vermogens’ en moet altijd ‘een praktisch doel dienen’. Het mag zelfs niet beschouwend of meditatief zijn, maar moet de wereld veranderen. Volstrekt in strijd met Arendt stelt Stangneth zelfs dat we denken als handelen moeten begrijpen.

Het is een flauwe woordspeling, maar ik kan er niet onderuit dat Stangneth de meest banale menselijke handelingen onderbrengt binnen het arendtiaanse begrip van de banaliteit van het kwaad. We zijn kennelijk allemaal kleine Eichmannetjes, een idee dat Arendt belachelijk vond en scherp afwees. Wanneer ik een kind om een boodschap stuur en er niet aan denk dat het al donker is, verval ik volgens Stangneth al in de banaliteit van het kwaad. Datzelfde is het geval wanneer ik met een kater na een doorwaakte nacht een afspraak met een vriend maak, die ik niet al mijn aandacht kan geven. Zo gaat ze door, en zo kan iedere lezer inderdaad bij zichzelf het banale kwaad ontdekken.

Ook hier vermoed ik dat deze herkenbaarheid voor de algemene lezer Het kwade denken aantrekkelijk maakt. Maar als filosoof en bewonderaar van Arendt haak ik gefrustreerd af, hoezeer ik Stangneth het verkoopsucces van haar filosofische boek ook gun.