J.D. Salinger, de ‘niet onvriendelijke, maar wel ontoegankelijke’ schrijver, New York City, 1952 © Antony Di Gesu / San Diego Historical Society / Hulton Archive Collection / Getty Images

Mijn moeder kwam er opeens mee aanzetten, ze had het gevonden in een doos met oude schoolspullen en ze glimlachte er veelbetekenend bij toen ze mij het papier overhandigde. Een gedicht van een gekwelde middelbare scholier. Van mij. Ik doe er niemand een plezier mee de exacte tekst hier te delen, maar de strekking van mijn tenenkrommende emo-proza was dat iedereen zo nep was. Mijn ouders, mijn leraren, zelfs mijn vrienden, ze waren allemaal NEP! In hoofdletters, ja.

Ik kon me niet herinneren dat ik gedichten schreef. Ik had geen idee wat de aanleiding was geweest voor deze pathetische uitbarsting, maar het moest stammen uit de tijd dat menig volwassene zich afvroeg wat ze in vredesnaam met mij aan moesten. De tijd dat ik met mijn mp3-speler vol hiphop door de schoolgangen liep en mijn oortjes het liefst zo min mogelijk uitdeed.

Het zal ook rond die tijd zijn dat ik The Catcher in the Rye voor het eerst las. Het schiep een verwantschap dat Holden Caulfield al net zo’n afkeer had van nepheid. Zijn klasgenoten die meisjes probeerden te versieren in wie ze niet echt geïnteresseerd waren, zijn broer die een briljante schrijver had kunnen worden maar zijn ziel verkocht aan Hollywood, zijn docent die hem vertelde dat het leven een spel is dat men volgens de regels behoort te spelen – allemaal phonies. Net als Holden ergerde ik me kapot aan alle onzinnige regeltjes en hypocrisie en probeerde ik de verveling op afstand te houden met oeverloos geëtter. Ik las: ‘That is something that drives me crazy. When people say something twice that way, after you admit it the first time.’ En ik dacht: ja man, hoe gekmakend is dat!

De puberteit is, laten we eerlijk zijn, een periode van afzien voor alle betrokkenen. Het vreemde is dat je je als puber niet kunt voorstellen dat je ooit zult behoren tot die rare en in veel opzichten weerzinwekkende wereld der volwassenen, terwijl je je als volwassene nauwelijks meer kunt voorstellen hoe het was om ooit puber te zijn geweest. Dat maakt The Catcher in the Rye zo’n briljant boek, de wijze waarop het deze kloof weet te overbruggen: het maakt niet uit hoe oud je bent, sla het open en je bent onmiddellijk in de belevingswereld van een zestienjarige jongen met een ongerichte woede tegen de wereld.

Jeugd in opstand

Steeds nadrukkelijker lijkt de jeugd tegenover de oudere generaties te staan – als het gaat om coronamaatregelen, de huizen- en arbeidsmarkt, liefde en seks. Of is die kloof van alle tijden? Deze zomer herlas De Groene boeken waarin de jeugd rebelleert, zoals De avonden, The Country Girls, Het lijden van de jonge Werther. Dit is de laatste in de serie.

Er zijn veel dingen waar Holden een hekel aan heeft: naar de film gaan, wonen in New York, mannen die zo hard je hand schudden dat ze bijna je vingers breken, het woord ‘grand’, taxi’s, auto’s in het algemeen, de discipelen uit de bijbel en mensen die je bij wijze van afscheid ‘veel succes’ wensen. En dan zijn er nog de dingen waar Holden depressief van wordt: een oude man in een kamer die naar neusspray ruikt, schijnheilige schooldirecteuren, cadeautjes krijgen, de piccolo die zijn kaalheid probeert te verbergen met een comb over, natte bankjes in het park, een lach in een lege straat en mensen die vroeg opstaan om de eerste show te zien in de Radio City Music Hall.

Wanneer zijn jongere zusje Phoebe vraagt waar hij dan wel van houdt, echt van houdt, moet hij lang nadenken. Zijn broertje Allie, zegt hij dan, maar dat telt niet, vindt Phoebe, want die is dood. Holden houdt ook van zijn zusje, hij heeft een langspeelplaat met een kinderliedje voor haar gekocht, maar die heeft hij in beschonken toestand stuk laten vallen. Wanneer hij haar de vinylscherven laat zien, stopt Phoebe die dankbaar in de lade van haar nachtkastje. ‘She kills me.’ Het enige waar Holden vrolijk van lijkt te worden zijn kinderen die nog niet gecorrumpeerd zijn. Kinderen zijn niet nep.

Waar Holden ook van houdt: ‘a book that, when you’re all done reading it, you wish the author that wrote it was a terrific friend of yours and you could call him up on the phone whenever you felt like it’. Voor veel fans was Catcher zo’n boek en je begrijpt direct waarom. Holden neemt de lezer in vertrouwen, het is you and him tegen de phonies. Maar de auteur zat bepaald niet te wachten op nieuwe vriendschappen. J.D. Salinger hield zijn fans bewust op afstand. Hij gaf geen interviews. Fanmail wenste hij niet te ontvangen en die ging de papierversnipperaar in, maar niet voordat de brieven door zijn literair agentschap waren gescand op verontrustende signalen, want het waren niet zelden getroebleerde zielen die geobsedeerd raakten door Holden en zijn schepper. Berucht is het verhaal dat de politie de moordenaar van John Lennon aantrof op de plaats delict, lezend in The Catcher in the Rye.

Het schokeffect is zeventig jaar later wel verdwenen, maar de roman voelt toch niet gedateerd aan

Het is ook maar de vraag of Salinger de vriend was waarnaar zijn lezers hunkerden. Ze voelden een band met Holden, maar dat personage valt niet zomaar samen met de schrijver die zijn mystiek vergrootte door zijn kluizenaarschap. Salinger was een man die niet onvriendelijk maar wel ontoegankelijk was. Er waren maar weinigen die hem Jerry mochten noemen. Hij hield er aanzienlijk jongere vriendinnetjes op na en was getekend door zijn tijd aan het oorlogsfront. Naarmate hij ouder werd begon hij zijn privacy steeds feller te beschermen, al kon hij niet voorkomen dat er memoires uitkwamen van zijn minnares, die hem omschreef als seksueel manipulatief en geobsedeerd door zijn gezondheid. Een onnavolgbaar genie, vonden bewonderaars. Een overschatte hork, vonden critici. ‘Afhankelijk van hoe je het bekijkt, was hij of een gek of de Amerikaanse Tolstoy’, schreef The New York Times toen Salinger in 2010 op 91-jarige leeftijd overleed.

Zoals ouders zich nu zorgen maken over de verwerpelijke invloed van gewelddadige films of bloederige schietspelletjes, zo maakten ze zich in de jaren vijftig druk om The Catcher in the Rye. Een roman met een hoofdpersoon die weigert te deugen, van school afgetrapt wordt, op weg naar de uitgang nog een knokpartij uitlokt en vervolgens met een bloedneus doelloos door New York zwerft, waar hij zijn zakgeld verbrast in cafés en een prostituee uitnodigt op zijn kamer, al heeft hij bij nader inzien toch geen zin in seks. Het schokeffect is ruim zeventig jaar later wel verdwenen en dat maakt het des te knapper dat de roman toch niet gedateerd aanvoelt. Misschien komt het doordat Catcher – anders dan de Nederlandse schandaalsuccessen van Jan Wolkers of Jan Cremer – minder opzichtig choquerend of rebels probeert te zijn.

Als ik nu een leesverslag voor Engels moest maken zou ik schrijven: ‘The Catcher in the Rye is vaak omschreven als een coming-of-age-roman, maar dat is een merkwaardig label voor een verhaal waarin iedere vorm van groei van de hoofdpersoon ontbreekt. Holden weigert zich aan te passen aan de mores van de maatschappij. Het maakt deze onverbeterlijke leugenaar tot de ultieme antiheld.’

Er zullen nog steeds genoeg scholieren zijn die zich herkennen in de vervreemding van de wereld van volwassenen die Salinger zo treffend weet te vangen. Ze zullen zich hooguit verwonderen over de primitieve tijd waarin je naar een telefooncel moest lopen om in contact te komen met je vrienden en dan maar moest hopen dat niet eerst de moeder opnam. En hopelijk zal de jeugd van tegenwoordig hoofdschuddend de passages lezen over Holdens weerzin tegen ‘flikkers’ en zijn vrouwonvriendelijke opvattingen (pluspunt: in tegenstelling tot veel leeftijdsgenoten respecteert hij het wel als meisjes ‘nee’ zeggen op seksuele avances).

Het grappige aan het legendarische succes van Catcher is natuurlijk dat het laat zien dat de eenzame ervaring van de puber (‘niemand begrijpt mij’) zo universeel is. Hoeveel bepukkelde tieners zullen wel niet gedacht hebben dat dit boek speciaal voor hen is geschreven? Hoeveel van hen zullen zelf de pen ter hand hebben genomen om hun woede van zich af te schrijven? Een van de vaste vragen in de rubriek ‘21 vragen aan’ op de website van De Groene is welk boek iedereen op zijn achttiende gelezen zou moeten hebben en volgens mij wordt geen titel zo vaak genoemd als The Catcher in the Rye. (Telkens door mannen, vermeld ik er toch maar even bij.)

Arie Storm zegt: ‘Ik heb mijn dochter als puber The Catcher in the Rye van J.D. Salinger gegeven en daar was ze helemaal weg van.’

Frits Abrahams: ‘Het boek laat zien hoe moeilijk het kan zijn om je als kind aan te passen aan de eisen van de volwassenheid. (…) Ik kan me voorstellen dat het voor veel jongeren een steun is, een soort troost, tijdens hun worsteling.’

Paul Verhaeghe: ‘Dit boek brengt herkenning, maar kan ook perspectief en nuance geven.’

Rob van Essen raadt het vooral af om Catcher ná je achttiende nog te lezen: ‘Op een gegeven moment moet je stoppen met je afzetten en iets op gaan bouwen.’

OK boomer, zou ik bijna willen zeggen, want hoewel ik er allesbehalve rouwig om ben dat die levensfase achter me ligt, is het nog steeds heerlijk om even getransporteerd te worden naar die jaren dat je niets wilde opbouwen, maar enkel wilde afbreken, dat je je verzette, zonder goed te weten waartegen – tegen NEPHEID, dat vooral.