Allemaal sletten

Even monotoon als het seksuele bewegingsrepertoire van Houellebecqs treurige protagonisten zijn de formuleringen waarin de auteur een en ander opdient. In een stijlloze, armzalige folderstijl. Nou ja…

Michel Houellebecq heeft weinig op met ambivalenties en ambiguïteiten © Ewa Klos / Leemage / HH

Een bekentenis vooraf: ik behoor, zwak uitgedrukt, niet tot de bewonderaars van Houellebecq. Minder zwak: ik vind hem mateloos overschat. Dat is ook de belangrijkste reden dat ik nooit eerder, een paar terzijdes daargelaten, over hem heb geschreven. Zijn eerste twee romans heb ik kort na verschijnen gelezen – slecht geschreven, vond ik, blij dat ik het einde had gehaald. Daarna ben ik nog twee of drie keer aan een nieuwe Houellebecq begonnen, maar telkens halverwege of eerder gestrand.

Nu, zoveel jaar later, waag ik me niettemin aan zijn nieuwste roman, Serotonine. Onbevangen ben ik allerminst. Maar onbevangen is geen enkele lezer en zeker geen enkele recensent, alleen zegt die dat er zelden bij. Onbevangenheid is als streven een morele plicht voor iedere bespreker, een ideaal, maar meestal ook een onbereikbaar ideaal.

Want hoe kun je nog onbevangen aan een nieuw boek van een schandaalschrijver als Houellebecq beginnen als dat boek wordt begeleid door een stortvloed van voorpubliciteit, interviews met hemzelf en zijn vertalers en als het meezit ook nog het voorspelbare commentaar van zijn links-liberale vrienden en vijanden? Publicitair talent kun je hem niet ontzeggen. Hij weet precies hoe hij zijn tegenstanders op de kast moet jagen, en soms zijn die maar wat graag bereid daaraan mee te doen. ‘Vrijheid is de oorzaak van alle kwaad.’ ‘De Republiek is dood.’ ‘De Verlichting is dood.’ ‘Ik wil angst aanjagen.’ Tegen abortus, voor de Brexit en Poetin is zo kwaad nog niet. ‘Iedereen kan mijn stem krijgen die zich ervoor inzet Frankrijk uit de EU en Navo te krijgen.’

Anderhalf jaar geleden liet Houellebecq aan Der Spiegel weten genoeg te hebben van die publieke orakeltaal, hij zou zich uit de openbaarheid terugtrekken. De redactie trapte erin, of deed alsof. ‘Das letzte Interview’ stond er op het omslag. Schijnbewegingen, uiteraard. Kort voor het verschijnen van Serotonine schreef Houellebecq een artikel in het Amerikaanse Harper’s Magazine waarin hij zich vierkant schaart achter Trumps nationalisme en diens aanvallen op de leugenpers, ook omarmt hij zijn protectionisme als een zegen voor de Amerikaanse arbeidersklasse. ‘Een verlaat kerstcadeau voor Marine Le Pen’, reageerde de linkse Libération. Ook die reactie was uiteraard gratis reclame voor de schrijver.

Je kunt er niet omheen, Houellebecq is een fenomeen. Zozeer zelfs dat het fenomeen – dat klagerige chagrijn met zijn al dan niet clownesk bedoelde populistische palavers – zich langzamerhand heeft verzelfstandigd, ja, dat hij het waarschijnlijk ook zonder nieuwe boeken kan stellen. Dat is het hoogste stadium van de schrijversroem. Bij Houellebecq heb ik inderdaad sinds lang het curieuze gevoel dat ik die nieuwe, ophef makende roman van hem al gelezen heb voor ik hem onder ogen heb gehad. Alle provocaties, alle onheilszwangere profetieën zijn ons dan al via de echoput van de cultuurbijlagen zo luidkeels in de oren getoeterd dat we dat nieuwe boek helemaal niet meer nodig hebben om te kunnen meepraten.

Maar toch, hoe doorzichtig die marketingstrategie ook is, en hoe afgezaagd de jeremiades van Houellebecqs door chronische levensmoeheid gekwelde helden ook zijn, aan de nagenoeg algehele bewondering voor de man die deze alter ego’s moeiteloos uit de hoge hoed tovert schijnt dat tot mijn verbazing niets af te doen. Zien zijn bewonderaars dan niet dat hij nu al twintig jaar dezelfde lauwe prak opdient? Zijn ze nog steeds onder de indruk van zijn visionaire vermogens vooral omdat hij een week voor 9/11 een roman publiceerde, Platform, waarin ‘mannen met tulbanden’ een aanslag plegen? Ergeren ze zich niet aan die eeuwige reactionaire borrelpraat, zeker nu ten overvloede blijkt dat het niet om ironie gaat maar één op één om de hoogstpersoonlijke opvattingen van de auteur? Of vinden ze die opvattingen irrelevant? We blijven Céline en Pound per slot van rekening ook grote schrijvers vinden ondanks hun rabiate antisemitisme.

Vanaf de eerste pagina krijgen we de lamlendige oude-mannenontboezemingen te horen in dezelfde fantasieloze bewoordingen als in de eerdere boeken

Maar het verschil, zou ik denken, is dat Reis naar het einde van de nacht en The Cantos inderdaad vernieuwende literaire meesterwerken zijn, echt van een andere, dwarsere, ambitieuzere categorie dan het op de populistische golven meedeinende proza van Houellebecq. Het meest verbaast me misschien nog de kritiekloosheid waarmee zijn grove seksisme wordt gepikt. Als de oneindig subtielere Jan Wolkers, zoals recentelijk bleek, al hier en daar aan de schandpaal van MeToo wordt genageld, zou de Franse provocateur dan niet op z’n minst de eeuwige hellestraf verdienen?

Enfin, in die stemming begon ik dus aan mijn hernieuwde kennismaking met Houellebecq. Vanaf de eerste pagina van Serotonine krijgen we de lamlendige oude-mannenontboezemingen te horen in dezelfde fantasieloze bewoordingen als in de eerdere boeken. Nou ja (om Houellebecqs favoriete, om de andere zin gebruikte stoplap te citeren), oud is deze verteller nog geenszins, 46 om precies te zijn, maar hij heeft het allemaal wel gezien. Hij is depressief en het leven zat, alleen alcohol, seks en antidepressiva houden hem nog min of meer overeind.

Maar helaas, de bijwerkingen van zijn dagelijkse portie Captorix, het nieuwe antidepressivum waarvan de titel van het boek is afgeleid, zijn niet gering: misselijkheid, een verminderd libido en impotentie. Dat betekent een identiteitscrisis voor een man wiens ‘ziel’ en ‘wezen’ naar eigen zeggen identiek zijn aan zijn ‘pik’. Je weet als lezer: dat gaat hij niet redden. Maar een Houellebecq zonder seks was ondenkbaar. Dus laat hij zijn ik-figuur, een ambtenaar op het ministerie van Landbouw die zijn werk ‘kotsbeu’ is, uitgebreid terugblikken op alle vriendinnen, stuk voor stuk ‘sletten’, aan wie hij opwindende herinneringen bewaart.

Zo belanden we in een Spaans naturistendorp waar we vernemen dat Franco alle lof verdient als ‘authentieke reus van het toerisme’ en ‘de Nederlanders (…) echte hoeren’ zijn, zoals de auteur zich wel vaker ontpopt als selfmade cultuurantropoloog die precies weet hoe het zit met de liefde van ‘de’ man, respectievelijk ‘de’ vrouw, van welke perversiteiten ‘alle mannen’ houden en dat seks met een westerling voor een Japanse ‘bijna hetzelfde is als copuleren met een dier’. Kortom, ook in deze ‘liefdesroman’ is er geen gebrek aan seks, liefst, zoals in een breed uitgeserveerde ‘hondengangbang’ op video, in de smerigst denkbare pornografische variant.

De naïeve lezer die het gerucht ter ore was gekomen van een libertijnse perversiteitendeskundige en nu een menu verwacht met louter exquise erotica komt dus bedrogen uit. Het is allemaal, een boek lang, van dik hout zaagt men planken. Ook deze protagonist behoort tot de club van mannen die het mechanische rechttoe-rechtaan pompen in de hoogste versnelling als summum van lust zien. Van het raffinement van de omweg en het uitstel heeft hij geen weet. En even monotoon als het seksuele bewegingsrepertoire van Houellebecqs treurige verslaafden zijn de formuleringen waarin een en ander wordt opgediend. In zijn stijlloze folderstijl, grondig gezuiverd van erotiek, intimiteit, suggestie, aarzeling, vertwijfeling en dubbelzinnigheid, kun je de armzalige, postproletarische tegenhanger zien van Roland Barthes’ weergaloos geraffineerde ‘taal van een verliefde’.

Dat is een constante, ook als de scène zich in grofweg het tweede deel van de roman verplaatst naar een oude studievriend die de verteller al vijftien jaar niet heeft gezien. De man is boer geworden, maar kan het hoofd niet boven water houden. Zijn vrouw, een ‘dikke slet’, is er met een ander vandoor, ‘zijn leven is naar de kloten’, beide mannen zitten er met het glas in de hand bij als ‘knikkebollende, afgematte veertigers’. Maar de man blijkt in het bezit van een goed gevulde wapenkast, en niet voor de show of de vossenjacht, hij is van plan er gebruik van te maken bij de ophanden zijnde protesten van de Normandische melkveehouders tegen het agrarische beleid van de Europese Unie, ‘ook een dikke slet, gezien dat verhaal met die melkquota’. Aldus – in confrontatie met de politie pleegt hij zelfmoord – wordt hij volgens de krant een ‘aristocratische martelaar van de boerenzaak’.

Dat Houellebecq weinig op heeft met ambivalenties en ambiguïteiten blijkt misschien het meest grotesk tegen het einde van de roman, als zijn verteller opnieuw een oude geliefde heeft teruggevonden met wie hij zijn treurige bestaan alsnog een wending ten goede hoopt te geven. Hij begluurt haar wekenlang, weet dan dat ze geen man of minnaar heeft, maar wel een zoontje van vier. En aangezien zijn verbeeldingskracht tekortschiet om zich iets anders voor te stellen dan ‘hij of ik’, overweegt hij, inmiddels ook in het bezit van een geweer, het kind dood te schieten en naar Parijs te vluchten, een paar maanden later zou de moeder dan wel zijn uitgetreurd en hem voor eeuwig van zijn Captorix, zijn impotentie en zijn depressie bevrijden – een larmoyante en volstrekt ongeloofwaardige scène, zelfs als satire of burleske.

Ik recapituleer: is Houellebecq inderdaad de belangrijke auteur waarvoor hij door menigeen gehouden wordt? Dat hangt af van de definitie. Als dat volgens de gangbare circulaire logica een auteur is die belangrijk gevonden wórdt, kan er geen twijfel over bestaan. De man, ik zei het al, is een mediafenomeen. Hij verkondigt zijn waarheden liefst ex cathedra, geestig en origineel als de kastelein van het dorpscafé, beducht voor klantenverlies. Ik maak me zo snel mogelijk uit de voeten.