China’s galactisch imperium

Allen onder één hemel

China is hard op weg een wereldmacht te worden van een omvang die zijn voorgangers doet verbleken. Heeft het zin om die expansiedrang te bestrijden, of moeten we China’s zelfopgelegde ‘hemels mandaat’ aanvaarden?

Afscheidsceremonie in Mombassa voor het hospitaalschip The Peace Ark van de Chinese marine dat een toer maakt langs onder andere Kenia, de Seychellen en Bangladesh met gratis medische zorg © Jean Curran / AFP / ANP

Als toekomstige historici terugkijken op ons verdeelde tijdperk, zullen ze beslist een verschuiving van mondiaal belang belichten: een transitie van de mislukte pogingen om Amerika’s grootheid te herstellen naar de terugkeer van China op een vooraanstaande positie in de wereld. De voortekenen zijn duidelijk, maar merkwaardige vooroordelen, bittere geschillen en tegenstrijdige voorspellingen onttrekken de implicaties van zo’n transformatie aan het zicht.

Sommige waarnemers zijn er al zeker van dat de ‘opkomst van China’ geen lang leven beschoren zal zijn of dat de voorspellingen over de mondiale triomf schromelijk overdreven zijn. Anderen adviseren een harde lijn tegenover een brutaal Beijing via handelsoorlogen en militaire botsingen in de Straat van Taiwan of de Zuid-Chinese Zee. Weer anderen denken dat ons een langdurige periode van conflicten – een nieuwe Koude Oorlog – te wachten staat. En er zijn mensen die denken dat grootsprakige en onhandige pogingen om een militair en budgettair overbelast Amerika op te peppen China onbedoeld weer groot zullen maken.

De zaken worden niet geholpen door de inzichten van wetenschappers, journalisten, diplomaten en partijfunctionarissen die momenteel in China circuleren. Als hun wordt gevraagd naar de rol van hun land in buitenlandse aangelegenheden, antwoorden ze doorgaans dat het tijdperk van Deng Xiaoping van het ‘oversteken van rivieren door naar de stenen te voelen’ is vervangen door het onverschrokken ‘oversteken van oceanen’ door Xi Jinping. Dezelfde waarnemers prijzen vaak China’s rol als een kracht voor het ethische, economische en politiek goede in de wereld. Meerdere wetenschappers zeggen dat China’s nieuwe mondiale rol in harmonie is met het confuciaanse principe van ‘allen onder één hemel’ (tianxia). Centraal hieraan staat volgens hen dat China een groeiende macht is, waarvan de heersers de hedendaagse zonen van de hemel en vaders van het volk zijn, aan wie de hemel het recht heeft gegeven om te regeren, en om dat met wijsheid te doen.

Daaruit zou volgen dat China’s leiders niet hun eigen belangen nastreven ten koste van de volkeren van de wereld. Ze weten immers dat ze anders gestraft zullen worden: als ze er niet in slagen zich welwillend te gedragen op het wereldtoneel, doordat ze politieke onrust of oorlog aanwakkeren, zal hun ‘hemels mandaat’ (tian ming) in gevaar komen. Dat is volgens professor Yan Xuetong de reden dat China ernaar streeft een voorbeeld te zijn van ‘humaan gezag om de wereld te verbeteren’. Het land is een ‘beschavingsstaat’, voegt de politicoloog Weiwei Zhang eraan toe, die de territoriale soevereiniteit van alle staten en volkeren respecteert.

Deze Chinese inzichten zijn bovenal niet overtuigend omdat ze niets zeggen over het begrip ‘imperium’ (diguo). ‘Imperium’ wordt gezien als een pejoratieve term die het best tegen anderen kan worden gericht; het woord wordt vrijwel nooit op China zelf toegepast. Het historische feit dat China sinds 221 vóór Christus ruim tweeduizend jaar een imperium is geweest wordt verzwegen. Staatsfunctionarissen en mediaplatforms gebruiken ‘imperium’ in plaats daarvan om China’s slachtofferschap van het westerse imperialisme te onderstrepen (‘de eeuw van de vernedering’).

Bij wijze van onverwachte symmetrie zorgt het woord ‘imperium’ ook voor een beschaamd zwijgen in de VS. De Amerikanen zien zichzelf als een goedaardige wereldmacht, een democratische kracht voor het goede. De vroegere minister van Defensie onder George W. Bush, Donald Rumsfeld, verwoordde het duidelijk: ‘We streven niet naar een wereldrijk, we zijn niet imperialistisch. Dat zijn we nooit geweest.’ Zijn woorden hadden net zo makkelijk door het huidige Chinese leiderschap gebruikt kunnen worden.

De Chinese bezwaren tegen het woord ‘imperium’ zijn opmerkelijk. Als ‘imperium’ duidt op een grote staat die politieke, economische en symbolische macht uitoefent over miljoenen mensen, op grote afstanden van het centrum, zonder veel omkijken of respect voor de finesses van de territoriale soevereiniteit, is China in technische zin snel een imperium aan het worden. Het is het meest accurate woord om China’s toenemende mondiale rol te beschrijven in de kapitaalformatie, technologische innovatie, logistiek en diplomatieke, militaire en culturele macht. Voor miljoenen ‘zeeschildpadden’, studenten en professionals die in het buitenland studeren, is het een manier van leven geworden.

Er zijn ruim een miljoen Chinese contractarbeiders in het buitenland, van wie een groot deel werkzaam is in Afrika, waar ruim tien procent van de werknemers bij Chinese infrastructuurprojecten ingezet wordt bij ‘grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten’ die hoge lonen opleveren, soms ten koste van lange arbeidstijden, onveilige arbeidsomstandigheden en onbetaalde en opgeschorte salarissen. De mondiale expansie grijpt ook diepgaand in op het alledaagse leven van honderden miljoenen Chinezen. China is veel meer dan een ‘grote macht’ – het is een opkomend imperium van een soort die we in de wereldgeschiedenis nog nooit eerder hebben gezien.

Laten we het een galactisch imperium noemen. De analogie met het Melkwegstelsel helpt een enorme conglomeratie van instellingen en activiteiten te omschrijven, cirkelend om het door Beijing geleide centrum. Het nieuwe Chinese imperium omvat ongekende aantallen groeperingen, clusters en superclusters van plannen, projecten en personeel. De uiterst moderne dynamiek ervan is zonder precedent en de zwaartekrachtkundige aantrekkings- en afstotingskracht ervan wordt overal gevoeld, zelfs buiten de grenzen van de aarde.

Het Belt and Road Initiative (bri) is China’s voornaamste mondiale project. De schaal en complexiteit ervan zijn verbijsterend. Het gigantische programma voor de bouw van spoorwegen, wegen, diepzeehavens, bruggen, elektriciteitsnetwerken en andere infrastructuur gaat ruim een biljoen dollar kosten, zevenmaal zoveel (gecorrigeerd voor de inflatie) als de Amerikaanse investeringen in West-Europa na de Tweede Wereldoorlog. Vijftig speciale economische zones – naar het model van de speciale economische zone van Shenzhen die Deng Xiaoping in 1980 opende – staan op stapel. In termen van beleggingsmogelijkheden, exportmarkten en binnenlands beleid om inkomens en consumptie een impuls te geven, is het bri duidelijk China’s alternatief voor de Amerikaanse ‘wending naar Azië’. De renminbi, China’s officiële munt, wordt onder de bri-partners bijvoorbeeld gepropageerd als een serieus alternatief voor de dollar.

Het Belt and Road Initiative financiert megaprojecten op kolossale schaal: er zijn plannen om ruim 65 landen te verbinden en er lopen al 528 grote buitenlandse projecten. Veel van deze projecten – zoals een waterkrachtcentrale van 5,8 miljard dollar in Nigeria en een hogesnelheidsrailverbinding tussen Kunming en Singapore – bevinden zich nog in de bouwfase, maar de contouren van de verbindingen worden al duidelijk. De oorspronkelijke Zijderoute uit de periode van de Han-dynastie (206 vóór Chr. tot 220 na Chr.) was de motor van een voorloper van de mondialisering, aangedreven door handelsnetwerken die zich in westelijke richting uitstrekten door Centraal-Azië, het Indiase subcontinent in en helemaal naar Europa. Het bri actualiseert deze expansieve visie. >

Door Beijing gefinancierde infrastructuur verandert de levens van miljoenen, van Zuid-Afrika, Nigeria, Hongarije, Griekenland, Iran en Sri Lanka tot Cambodja, Papoea-Nieuw-Guinea, Jamaica, Mexico en Argentinië. Elk continent wordt geraakt door het nieuwe imperium, inclusief Antarctica, waar China binnenkort zijn vijfde poolbasis zal openen, waarmee het de investeringen van zowel de VS als Australië in onderzoek en ontwikkeling overtreft.

Niets van dit alles zou verbazing mogen wekken. China is de VS al gepasseerd als ’s werelds grootste handelsnatie. Het land bezit de helft van alle mondiale patenten en is instellingen als het imf en de Wereldbank voorbijgestreefd om ’s werelds grootste crediteur te worden. Het land is nu Afrika’s grootste handelspartner. In Latijns-Amerika steekt het de VS naar de kroon op het gebied van de investeringen, de ontginning van grondstoffen en de handel, die in de eerste tien jaar van deze eeuw vertienvoudigd is. China is de grootste afnemer van ijzer, koper, olie en sojabonen in de regio.

Ook de huidige pandemie werkt in China’s voordeel. In 2020 nam het land een ongekende dertig procent van de wereldwijde economische groei voor zijn rekening. Ondanks een snel vergrijzende bevolking slagen China’s imperiumbouwers in hun vaste voornemen om te ontsnappen aan de zogenoemde ‘val van de middeninkomenslanden’, waarmee bijna negentig procent van de landen die de afgelopen generatie China’s welvaartsniveau bereikten, werd geconfronteerd.

China schrijft op vele fronten geschiedenis. Hoewel het niet het eerste werkelijk mondiale imperium is – de VS en de Sovjet-Unie waren na 1945 de pioniers – is het galactisch imperium de eerste mondiale macht die voortkomt uit zijn verwevenheid met de VS, en die zich met steun van de VS ontwikkelt. Deze geheel onverwachte uitkomst is ironisch.

Imperia met een waarlijk mondiale voetafdruk zijn zeldzaam. De Mongolen, moslims, Ottomanen, de Ming-dynastie en de Britse en andere Europese imperia stuitten allemaal vroeg of laat op geografische grenzen. Tijdens de jaren van de bipolariteit (1945-1989) streden twee relatief gescheiden mondiale imperia om wereldoverheersing. Na de val van de Sovjet-Unie, een ineenstorting die niet werd tegengegaan door China, probeerden de VS iets te doen wat geen enkel imperium ooit had gedaan: volledige mondiale hegemonie uitoefenen. Dat mislukte.

Dit is geen imperium dat met behulp van slagschepen of bommenwerpers overeind gehouden moet worden. Het is een informatie-imperium, het eerste ooit

Nu moeten de VS dus zien om te gaan met een Chinees imperium dat zij zelf in de jaren zeventig nieuw leven hebben ingeblazen. Voor het eerst in de geschiedenis werpen twee sterk met elkaar verweven imperia hun schaduw over de wereld. Voor de overzienbare toekomst zal de ‘coöptitie’ van deze twee imperia een feit zijn. Het is immers eerder regel dan uitzondering dat imperia doorgaans als duo’s optreden. Net zoals de Spaanse en de Engelse, de Portugese en de Nederlandse, de Britse en de Amerikaanse en de Russische en de Japanse imperia tegenover elkaar stonden, ontlenen China en de VS nu veel energie aan hun onderlinge rivaliteit.

Het nieuwe Chinese imperium onttrekt zich aan een paar klassieke onderscheiden, met name tussen land- en zee-imperia. De invloedrijke, later in diskrediet geraakte theoreticus van het Duitse Derde Rijk, Carl Schmitt, was er zeker van dat elk modern imperium vooral geïnteresseerd was in ‘landjepik’ (Landnahme) en in territoriale herschikking via afbakening en het trekken van lijnen en grenzen, dikwijls met behulp van bergketens en rivieren. Eerdere Chinese imperia waren continentale entiteiten, waarvan de verdedigingsstrategie zich richtte op militaire dreigingen uit het noorden en noordwesten. Het nieuwe Chinese imperium bewaakt op soortgelijke wijze de grenzen en doet zijn best om die te consolideren, zoals in Hongkong en de zogenoemde ‘autonome’ provincies Tibet en Xinjiang. Het laat wapengekletter horen over Taiwan en maakt plannen bekend om dat eiland met het vasteland te verbinden via een gigantische brug. Zijn troepen stoken onrust in de grensstreek met India, hoog in de bergen. Op plekken als Sihanoukville, Djibouti en Hambantota heeft China al een soort ‘leases’, stukken grond die door China worden gecontroleerd met goedkeuring van de plaatselijke eigenaren.

Maar deze expansiedynamiek wordt gecompliceerd doordat China ook een zeemacht is, met havens en bases in elke oceaan, en in rap tempo op weg is een grote macht in de lucht te worden. De uitgaven aan de land-, zee- en luchtstrijdkrachten nemen enorm toe (het Chinese Volksbevrijdingsleger heeft twee decennia van begrotingsgroei met dubbele cijfers achter de rug). Het imperium manifesteert zich ook prominent in de kolonisering van de ruimte. Zijn multidimensionaliteit verklaart waarom zijn leiders grenzen omwille van de uniformiteit en administratieve controle betrekkelijk onbelangrijk vinden. Zij begrijpen de valkuilen van het diepgaand binnendringen van territoria.

De Chinese staatsondernemingen en regerings-instellingen, zelfs de Chinese toeristen – het hoogste aantal ter wereld vóór de pandemie toesloeg – geven de voorkeur aan onbegrensde stromen en grensoverschrijdende, langeafstandsopeningen en corridors. Europese imperia bouwden hoofdsteden in eigen land en in de koloniën, en waren daar functioneel afhankelijk van. China is een imperium dat zich vooral interesseert voor kapitaalstromen, de verspreiding van nieuwe informatietechnologieën en mondiale markten voor zijn concurrerend geprijsde goederen en diensten. Het verbindt steden en achterland via hogesnelheidslijnen, luchthavens en scheepvaartroutes. Vanwege de diepgaande afhankelijkheid van digitale communicatienetwerken is fluïde mobiliteit de munteenheid van het Chinese imperium.

Communicatiesystemen, die de grenzen van ruimte en tijd doen slinken, zijn altijd al het levensbloed van imperia geweest. Groot-Brittannië had niet op de wereldzeeën kunnen heersen zonder door steenkool aangedreven stoommachines en zeilen. De spoorwegen en de telegraaf hebben de westwaartse beweging van Amerika’s jonge imperium mogelijk gemaakt. Het grote mondiale bereik van China wordt niet ondersteund door klippers en koperdraad, maar door genetwerkte communicatiesystemen, met op de achtergrond gigantische staatsondernemingen – zoals e-commerce- en technologieconcern Alibaba en Tencent, de beheerder van boodschappendienst WeChat, die wereldwijd door 1,2 miljard mensen wordt gebruikt. Deze bedrijven zijn belangrijke stakeholders in het net van ‘cybersoevereiniteit’ dat China over ruimten ver buiten de eigen grenzen werpt.

Dit model, een serieuze concurrent van Silicon Valley, gebruikt zeer snelle informatiestromen om China’s bestuurs-, investerings- en financieringsprogramma’s te bevorderen, en zijn ideeën, nieuws en cultuur. De opkomende buitenlandse nieuwsmedia van het imperium zijn daarvan een voorbeeld. Journalisten bij het China Global Television Network en het dagblad China Daily zijn meer dan alleen verslaggevers die verhalen uit het buitenland brengen: in feite doen zij ook dienst als inlichtingenvergaarders voor de partijstaat. En cybersoevereiniteit is big business. Het imperium verkoopt zijn technieken en instrumenten in het buitenland, zoals Zuid-Afrika, het eerste Afrikaanse land dat een door Huawei geleverd 5G-netwerk heeft gekocht ter ondersteuning van slimme gezondheidszorgfaciliteiten en ter ontwikkeling van havens, mijnbouw en industrie.

Harold Innis’ veelgeroemde onderscheid tussen militaristische imperia, gefixeerd op ruimte, en religieuze imperia die gepreoccupeerd zijn met tijd, slaat niet op China. Dit is geen imperium dat met behulp van buskruit, slagschepen of bommenwerpers overeind gehouden moet worden. Het is een informatie-imperium, het eerste ooit, een vierdimensionaal imperium, geboren uit een onvoltooide digitale communicatierevolutie, voortgedreven door commerciële belangen, innovaties als het mondiale satellietcommunicatienetwerk Beidou en multipolaire regelingen.

China’s toewijding aan het deelnemen aan en het bouwen van grensoverschrijdende instellingen is formidabel. Imperia die op hun laatste benen lopen hebben de neiging om een grote mond op te zetten, maar zijn naar binnen gericht, trekken zich terug in bastions en bouwen muren. Opkomende imperia hebben het oog gericht op de horizon en storten zich op – en in – de wereld. Via instellingen als de Shanghai Cooperation Organisation en het Chiang Mai Initiative-valuta-arrangement sluit China partnerschappen met zijn veertien buurstaten. Het land speelt een vooraanstaande rol in regionale organisaties als de Asia-Pacific Economic Cooperation en het Regional Comprehensive Economic Partnership. Leiderschapsposities in mondiale lichamen staan eveneens hoog op de Chinese agenda. China leidt nu al vier van de vijftien VN-agentschappen. De afgelopen jaren heeft het land geholpen multilaterale instellingen op te bouwen als het China-Arab States Cooperation Forum.

De ijsbreker Xuelong met Chinese onderzoekers komt aan bij het Zhongshan-onderzoekskamp op Antarctica © Liu Shiping / Xinhua/ ANP

Nog iets nieuws: dit imperium wordt niet geleid door een dominante ideologie. Critici van China zeggen dat zijn heersers in de greep zijn van een marxistisch-leninistische ideologie, terwijl wetenschappers als Rana Mitter zich zorgen maken over een ‘nieuw nationalisme’. Maar beide beoordelingen gaan voorbij aan het feit dat de leiders van het regime zich zowel in eigen land als daarbuiten verschillende stijlen aanmeten en meerdere talen spreken. Ze nemen een voorbeeld aan Karel V, de legendarische zestiende-eeuwse Heilige Roomse Keizer, die zoveel talen leerde om hem te helpen over zijn uitgestrekte rijk te heersen dat hij naar verluidt Spaans sprak met God, Italiaans met zijn vrienden, Duits met zijn vijanden en Frans met zijn geliefden. De propagandisten van China’s galactisch imperium presenteren zich in vele gedaanten. Dit geeft hun het tactische voordeel met de politieke winden mee te kunnen waaien en verschillende dingen te kunnen zijn voor verschillende mensen op verschillende tijden en plaatsen. Ze zijn moeilijk vast te pinnen. De verering van het land betekent een verplicht, door de staat afgedwongen geheugenverlies ten aanzien van fouten uit het verleden – een verplichting waarmee de veelgeprezen Chinese auteur Ma Jian in zijn roman China Dream de spot drijft in de vorm van de ‘China Dream Soup’, een bouillon van het eeuwige vergeten.

Maar net zo veelzeggend is de manier waarop de leiders van de Chinese Communistische Partij mantra’s spuien als ‘socialisme’, ‘harmonieuze samenleving’, ‘volksdemocratie’, ‘rechtsstaat’, ‘ecologische beschaving’ en ‘oude Chinese beschaving’. Regeringsleiders, zakenlieden en culturele leiders gebruiken deze retoriek wanneer zij in het buitenland aan het werk zijn. Macht hunkert naar gezag, en daarom gooit het imperium zijn culturele gewicht in de schaal op het wereldtoneel: Mercedes Benz moest zich verontschuldigen voor het via Instagram verspreiden van een inspirerend citaat van de dalai lama; buitenlandse luchtvaartmaatschappijen werden onder druk gezet om online verwijzingen naar Taiwan te verwijderen; het basketbalteam van Houston Rockets moest een hoge prijs betalen voor de tweet van zijn algemeen directeur ter ondersteuning van de demonstranten in Hongkong.

Maar er zijn aanwijzingen dat China’s functionarissen en hun mediapublicisten zich bewust zijn van de gevaren voor hun reputatie van ideologische aanvallen op de vrijheid van meningsuiting. Omdat zij weten dat wie wind zaait storm zal oogsten, willen zij gezien worden als voorvechters van vrede en verdraagzaamheid, het scheppen van welvaart en goed bestuur. Binnen organen als de Wereldhandelsorganisatie geven Chinese diplomaten blijk van een sterke gehechtheid aan de beginselen van de rechtsstaat en maken zij vaak indruk op buitenstaanders door hun kennis van procedurele regels en technische details, hun goede voorbereiding en hun taaie onderhandelingsvaardigheden. Wat het publieke imago betreft, zijn er paradoxale momenten waarop de Chinese regering – vijand van meerpartijenverkiezingen – het stemmen elders ondersteunt: zij was de EU en de VS te slim af door Cambodja te voorzien van computers, printers, stemhokjes, stembussen en verkiezingsmonitors voor de schijnverkiezingen medio 2018; en zij schonk grote hoeveelheden persoonlijke beschermingsmiddelen aan Myanmar voor de algemene verkiezingen van 2020.

De de-facto-keizer vertoont een soortgelijke caleidoscopische stijl. Xi Jinping, de ‘voorzitter van alles’, straalt niet de ongecontroleerde megalomanie uit van dictators als Napoleon, Stalin en Hitler. Hij lijkt meer op Shakespeare’s Hertog van Gloucester, zelfverzekerd over zijn vermogen om macht en prestige op te krikken en ‘kleuren toe te voegen aan de kameleon, van gedaante te veranderen met Proteus’. Hij geeft een geheel nieuwe betekenis aan het begrip dialectiek: in eigen land is hij een hardvochtige, met ijzeren vuist regerende kampioen van het ‘socialisme’, hoofd van de strijdkrachten en welwillende man van het volk; in het buitenland draagt hij de mantel van morele verlosser, kampioen van de oude Chinese beschaving en vurig verdediger van de vrede via multilaterale instellingen.

De Chinese inzet voor grensoverschrijdende stromen verklaart mede de positie van het galactisch imperium als kampioen van de vrede op aarde. Geen enkel imperium werd ooit zonder wapengeweld opgebouwd en in stand gehouden, en toch is het nieuwe galactisch imperium niet in de eerste plaats te begrijpen als militaristisch, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de As-mogendheden (Japan, Duitsland en Italië) of de zestiende-eeuwse Spaanse conquistadores, die uit liefde voor goud en land hun Azteekse tegenstanders belegerden en uithongerden tot ze zich overgaven. China’s zelfbeeld als wereldvrede bevorderende kracht berust op manipulatie, stilzwijgen en geheimzinnigheid: volgens de in 2020 gepubliceerde gegevens van het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek in Stockholm is China nu de op één na grootste wapenproducent ter wereld en heeft het land meer kruisraketten en ballistische middellangeafstandsraketten dan de VS. Zijn zeemacht is de grootste ter wereld. Militaire bases in Djibouti en Tadzjikistan zijn waarschijnlijk in de planningsfase.

China’s public relations worden vergemakkelijkt door de buitensporige militarisering van Amerika. Wie China een ‘bullebak’ en een ‘agressor’ noemt, moet niet vergeten dat de VS nog steeds de opperbevelhebber van de wereld zijn. De VS hebben militaire bases en installaties in 150 landen en geven meer uit aan hun strijdkrachten dan de daaropvolgende tien landen samen.

China’s actieve bijdragen aan VN-vredeshandhavingsoperaties versterken zijn reputatie als vredelievend imperium. Het ruimen van landmijnen aan de grens van Zuid-Libanon met Israël is een goed voorbeeld. China’s bekendste buitenlandse interventie tot dusver betrof de repatriëring van zijn burgers uit conflictgebieden, zoals in Libië in 2011 en Jemen in 2015. Een Chinese versie van de ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken de opvatting verdedigde dat ‘militairen moeten waken over de veiligheid van het volk en dat oorlogsschepen als de ark van Noach moeten zijn voor onze landgenoten’, verving plotseling het principe van niet-inmenging in de aangelegenheden van andere staten. Ten slotte versterkt de onconventionele militaire strategie van China ten opzichte van de VS zijn vredesaanspraken: aangezien het imperium geen haast heeft, kan het handelen volgens de oude Sun Tzu-doctrine van het uitputten van de vijand door het mijden van conflicten, om zo te laten zien dat uitstel blijvende overwinningen kan opleveren.

China kan wereldwijd alleen succesvol zijn als het zijn machtsstructuren openstelt voor veel grotere publieke controle, zowel in eigen land als daarbuiten

De voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger behoort tot degenen die ervan overtuigd zijn dat we de Chinese eeuw zijn binnengetreden. Anderen zeggen dat de groeidynamiek niet kan blijven voortduren, dat Xi Jinpings imperiale ambitie het lot zal ondergaan van veel van China’s vroegere dynastieën. Maar voorspellingen over de toekomst van China worden vertekend door wishful thinking. ‘Ik geef het regime nog een paar jaar, niet meer dan een decennium’, vertelde een vooraanstaande China-deskundige mij drie jaar geleden. Hij zegt al dertig jaar hetzelfde. Deze bravoure is het omgekeerde van de foutieve voorspelling uit de jaren negentig dat China door markthervormingen een liberale democratie naar Amerikaans model zou worden.

De ineenstorting van het regime staat ook op de politieke agenda van de haviken, die China vergelijken met een kaartenhuis dat door een ferme tik in elkaar kan worden geslagen. Ze zijn overtuigd van de morele superioriteit van de Amerikaanse democratie. China is voor hen een drakenmacht die verantwoordelijk is voor het stelen van Amerikaanse banen en de wereldwijde pandemie. Zij wakkeren het publieke sentiment tegen het ‘totalitarisme’ en het ‘autoritarisme’ van het door de Chinese Communistische Partij geleide regime aan. Zij zien daden van stille spionage en overnames van bedrijven, regeringen, universiteiten, kranten, kerken en maatschappelijke organisaties buiten de grenzen van China. Zij waarschuwen voor bedreigingen van de ‘soevereiniteit’ en de dood van de liberale democratie.

Deze waarschuwingen kunnen enige waarde hebben. Imperia proberen altijd het machts-evenwicht in hun voordeel te laten doorslaan: zoals de Sovjet-Unie ooit de grote hoop was voor het staatssocialisme, zo is China nu de wereldwijde fakkeldrager voor post-democratische regeringsvormen. Het probleem is dat deze nieuwe Koude-Oorlogsretoriek grillige misvattingen verspreidt. Zij onderschat de veerkracht van de spookdemocratie die het Chinese regime verankert, zijn vertrouwen in dorpsverkiezingen, zijn gepraat over ‘het volk’ en experimenten met buurtvergaderingen, openbare hoorzittingen, participatieve budgettering en in staatsbureaucratieën ingebouwde anticorruptiemechanismen.

De krijgsheren hebben weinig gevoel voor de geschiedenis van imperia, zoals die op meesterlijke wijze is onderzocht in boeken als dat van de historicus John Darwin uit 2007, After Tamerlane. Zij stellen zich ten onrechte voor dat het nieuwe Chinese imperium een kopie is van het Ottomaanse, waarin omkoping, corruptie, decadentie en ruziënde adviseurs schering en inslag waren. Het geklets over ‘hard optreden tegen China’, bedoeld om het land te ontgoochelen en te vernederen, geeft in feite uiting aan de pijn van het Westen. Het trekt xenofoben, racisten en oriëntalisten aan. Deze aspirant-strijders lijken onverschillig te staan tegenover de waarschijnlijke gevolgen van de gewenste ondergang. ‘De ineenstorting van een wereldrijk’, zo merkt de Duitse wetenschapper Herfried Münkler op in zijn boek Empires uit 2005, ‘betekent meestal het einde van de wereldeconomie die ermee verbonden is.’ Het is mogelijk dat zij een strijd uitlokken die de VS politieke, economische en reputatieschade zal berokkenen, of de ondergang van de VS als imperiale macht nog zal versnellen.

Roekeloos China-bashen en naïeve liefde voor Amerika zijn een doodlopende weg. Praten over militaire agressie in het tijdperk van nucleaire wapens is waanzin. Aangezien er geen sprake is van een ‘Thucydides-val’ (het idee dat een gewapend conflict bijna onvermijdelijk is wanneer een opkomend imperium een gevestigd rijk uitdaagt), behalve in de hoofden van de ‘New Cold Warriors’, is er een realistische strategie voor de omgang met China nodig.

We zouden het flexibele ongebondenheid kunnen noemen. Regeringen, bedrijven, ngo’s en burgers, die zich inzetten voor een kritische omgang met China, kunnen samenwerking op gebieden als infrastructuurontwikkeling, wetenschappelijk onderzoek, hoger onderwijs en hernieuwbare energie omarmen. Zij zijn zich ervan bewust dat, ook al vergen de oplossingen voor elk mondiaal probleem vandaag de dag samenwerking met China, de omgang met het imperium zijn ups en downs kent. Sommige stekelige gedachtewisselingen met Chinese partners zijn te verwachten. De voormalige Australische premier Kevin Rudd had een punt. Wat de omgang met China en zijn bondgenoten en tegenstanders betreft, zei hij dat echt duurzame vriendschappen (zhèng y _ŏ__ u)_ worden gebouwd op onverzettelijk advies en een openhartig besef van fundamentele belangen en ambities. Een dergelijke openhartigheid kan positieve resultaten opleveren. Volgens deze logica is het niet nodig om met China te breken. Dat zou zelfdestructief en dwaas zijn.

Flexibele ongebondenheid vereist een open geest: een nieuwe bereidheid bij politieke denkers, journalisten, burgers en politici om hun eigen onwetendheid over China te ontleden, met een frisse blik de complexiteit van het land te onderkennen en te voorkomen dat de veerkracht van China wordt onderschat.

Xi Jinping na bezichtiging van het Panamakanaal tijdens een staatsbezoek In Panama, 2018 © Luis Acosta / AFP / ANP

Maar wat zijn de zwaktes van het nieuwe Chinese imperium die dergelijke openingen bieden? Het meest voor de hand liggend is dat China problemen heeft met zijn legitimiteit. Zijn leiders worden er al aan herinnerd dat al te openlijke invloed en controle tot verzet en sociale onrust leiden, zoals in Tibet, Xinjiang en Hongkong; zij leren dat zij niet eenzijdig de gewoonten en verwachtingen van anderen kunnen bepalen.

Iedere Chinese regeringsfunctionaris, diplomaat en zakenman zou de roman De olifant van de vizier uit 1947 van Ivo Andrić moeten lezen, een klassiek verhaal over wrok tegen de knellende beloften en hypocrisie van bezetters, om te begrijpen hoe gemakkelijk imperiale macht in twijfel kan worden getrokken en kan worden bespot, uitgehold en verslagen. Het tijdperk van communicatieve overvloed maakt cultureel verzet – muiterijen tegen de mishandeling van plaatselijke arbeiders, bijvoorbeeld – veel gemakkelijker. Digitale hulpmiddelen geven nieuw leven aan de uitspraak van de Chinese schrijver Lu Xun dat ‘ontevredenheid het wiel is dat mensen voortbeweegt’. Lokale ontgoocheling over het imperium kan makkelijk volgen: in 2019 woedden grootschalige protesten in Kazachstan tegen de bouw van Chinese fabrieken en de mishandeling van moslim- en Turkse volkeren in Xinjiang, en Zambiaanse mijnwerkers botsen al decennialang met hun Chinese werkgevers.

Klassieke imperiale spanningen tussen centrale heersers en gouverneurs in afgelegen oorden zijn ook een probleem voor China. Toen Chinese staatsbedrijven investeerden in de Libische aardolie-industrie en infrastructuurprojecten, hadden zij nooit de ineenstorting van het lokale regime in 2011 voorzien, die een militaire reddingsoperatie vereiste die onbedoeld argwaan wekte over Chinese wapenverkopen aan het Kadhafi-regime, waardoor het ministerie van Buitenlandse Zaken in verlegenheid werd gebracht. Het galactisch imperium struikelde. Het gepraat over ‘niet-inmenging’ in ‘soevereine’ staten werd achterwege gelaten. Nadat het weigerde zijn veto uit te spreken over een Veiligheidsraad-resolutie waarin de navo-bombardementen op de troepen van Kadhafi werden gesanctioneerd, drong het land vervolgens aan op een compromis met het regime en veroordeelde het de luchtaanvallen. Toen het regime ineenstortte, kwamen Chinese troepen tussenbeide om 75 Chinese bedrijven te beschermen en 38.000 arbeiders in veiligheid te brengen.

Dreigende problemen duiden op andere zwakheden. Toenemende spanningen over het innen van schulden leiden tot zorgen over de vraag of bij conflicten overredingskracht, gerechtelijke procedures of geweld moet worden gebruikt. Zoals alle imperia in de Chinese en de moderne wereldgeschiedenis wordt ook het galactisch imperium bedreigd door opvolgingsproblemen. Het Chinese fortuin in de 21ste eeuw kan worden geschaad doordat Xi Jinping zijn opvolger op de verkeerde manier benoemt, zoals Mao dat in de jaren zestig deed. Er zijn ook zorgen over het milieu. China investeert veel meer in hernieuwbare energie dan de VS, maar toch is minstens een derde van zijn grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie. En er zijn bio-uitdagingen in het buitenland, op plaatsen zoals Antarctica, waar het Chinese bedrijf Shanghai Chonghe Marine Industry Company, in afwachting van de levering van ’s werelds grootste schip voor het vissen op krill, zeker zal stuiten op protesten tegen zijn op winst gerichte plannen voor mega-oogsten van dit kleine schaaldier waarvan de populatie momenteel afneemt in biomen die delicaat in evenwicht zijn.

Deze kwesties voeden China’s grootste kwetsbaarheid: zijn lauwe en tegenstrijdige omarming van publieke verantwoordingsmechanismen. De Chinese leiders zeggen dat zij open connectiviteit en niet-corrupte grensoverschrijdende instellingen op basis van overleg willen. Maar een één-partij-regime vereist nu eenmaal geheimhouding, veinzerij en onbetwiste macht. Diverse vooraanstaande Chinese wetenschappers op het gebied van de internationale betrekkingen hebben mij persoonlijk verteld dat hun land wereldwijd alleen succesvol kan zijn als het zijn machtsstructuren openstelt voor veel grotere publieke controle, zowel in eigen land als daarbuiten.

Goed functionerende democratieën koesteren waakhond-organen zoals publieke onderzoeken, rechterlijke toetsing en commissies voor de toekomst, die zijn opgezet om dreigende onzekerheden, corruptie en onaangename verrassingen het hoofd te bieden. In binnen- en buitenland probeert China deze methoden na te bootsen. Bij infrastructuurprojecten worden Japanse normen voor kwaliteitsinvesteringen gehanteerd. De onlangs overeengekomen algemene investeringsovereenkomst tussen China en de Europese Unie bevat bepalingen over de bescherming van de rechten van werknemers. Op plekken zoals Sri Lanka kondigen postercampagnes ‘uitgebreid overleg, gezamenlijke bijdragen, gedeelde voordelen’ aan.

Maar onverwachte gebeurtenissen kunnen deze beloften tenietdoen. Een corruptieschandaal, vergiftigde voedselketens, de ineenstorting van een groot bedrijf of een staatsbank, of plotseling maatschappelijk verzet tegen infrastructuurprojecten kunnen de macht van China op zijn grondvesten doen schudden. Een klein begin kan grote gevolgen hebben. Er kunnen democratische openingen ontstaan. Op basis van de roep om publieke verantwoording, gesteund door maatschappelijke organisaties en politieke leiders, kan het streven naar een representatieve democratie zich uitbreiden – zelfs van de randen tot in de kern van het imperium. De problemen tussen China en het democratische Taiwan zouden in de komende maanden en jaren weleens als voorbeeld kunnen dienen.

Maar het kan ook zijn dat China’s galactisch imperium een veerkracht ontwikkelt die de meeste waarnemers niet hadden verwacht. Een van de grootste denkbare verrassingen zou kunnen zijn dat zijn heersers, getemperd door schichtigheid en slimme bestuursmethoden, erin slagen om pseudo-democratische mechanismen in te zetten om hun eenpartijstelsel te legitimeren en te versterken, niet alleen in eigen land maar ook in het buitenland. China zou ook de kunst van wat ‘bestuurlijke absorptie’ wordt genoemd kunnen perfectioneren: het vermogen om weerstand te overwinnen, en om klanten er overal van te overtuigen dat Chinese infrastructuurprojecten, levenswijzen en verbintenissen tot multilateraal bestuur universeel goed zijn en duidelijk superieur aan de verwarde Amerikaanse alternatieven die worden aangeboden.

Stel dat het huidige Chinese politieke systeem de VS vernedert en dat de Chinese economie binnen slechts 25 jaar twee keer zo groot wordt als de Amerikaanse, met een goed opgeleide bevolking die minstens half zo welvarend is als de Amerikaanse. Stel dan dat degenen die het nieuwe Chinese imperium besturen de Ottomanen en de Britten overtreffen in het overal hulde brengen aan hun onderdanen, met een verrassende mate van zelfcontrole, experimenteerlust en bestuurlijke absorptie. Laten we ons verder voorstellen dat een combinatie van economische groei, sociaal beleid, staatstoezicht, politieke repressie, steun van de middenklasse, dromen over het herstel van de grootsheid van China en Amerikaanse dwaasheid allemaal bijdragen tot de versterking van zijn macht.

Zou China dan niet de wereldwijde vaandeldrager kunnen worden van een eenpartijstaat, gebaseerd op de gewillige loyaliteit van het volk en van afnemers en aanhangers in het buitenland – een vreemd nieuw, ultramodern post-democratisch regime met een democratisch tintje? Geen ‘volledige terugkeer naar totalitaire politiek’, zoals de Chinese wetenschapper Xu Zhangrun heeft gewaarschuwd, maar een enorm machtige schijndemocratie die triomfantelijk de weg baant naar een wereld waarin nog maar weinig plaats is voor de machtsdelende constitutionele democratie van vroegere, gelukkiger tijden.


Vertaling: Menno Grootveld. De Australische politicoloog John Keane, hoogleraar aan de University of Sydney en het Wissenschaftszentrum Berlin, is autoriteit op het gebied van democratische ontwikkelingen en schreef o.a. When Trees Fall, Monkeys Scatter: Rethinking Democracy in China (2017) en The New Despotism (2020)