Allerzielen

Het oeuvre van Van der Heijden mag dan een poging zijn de moderne tijd te pakken, het staat vooral in het teken van oeroude verteltradities. Het schimmenrijk van de dorpsroddel rond Allerzielen.

‘ECHT BELANGRIJKE ideeen proef je’, merkte A. F. Th van der Heijden eens op in een interview, 'je kunt ze bijna grijpen, maar toch ontsnappen ze je omdat ze bijna niet te verwoorden zijn.’ Die opmerking is mij bijgebleven omdat ze zowel een aansporing als een waarschuwing inhoudt. De waarschuwing geldt de lezer die een roman of een oeuvre doet samenvallen met de gedachten of oordelen die door de personages worden geventileerd. Of die meent dat alle verhalen gereduceerd kunnen worden tot een basisidee: het werk van Van der Heijden is een uitgesponnen visie op 'het leven in de breedte’ of 'de vergankelijke tijd, die alles aantast’. De schrijver wordt op die manier gedegradeerd tot een huisfilosoof die bevattelijke waarheden een alibi verschaft. De opmerking bevat echter ook een aansporing aan de lezer het idee die aan het werk ten grondslag ligt niet met het verstand maar met de zintuigen (de smaak, de tastzin) te beproeven, en vraagt om in een bepaald opzicht een zelfde positie in te nemen als de schrijver. Ooit zal deze met een vage gedachte aan het werk begonnen zijn en allengs zal hij hebben moeten merken dat de pen verschillende wegen is ingeslagen, aangelokt door nieuwe ingevingen waarvan hij niet weet hoe ze op zijn weg zijn gekomen.

Daarom zijn de vragen die steevast in interviews opklinken - waarom de schrijver schrijft of wat de bedoeling is van zijn werk - weliswaar voor de hand liggend, maar ook zo hulpeloos. De Zweedse schrijver Torgny Lindgren gaf er het meest ontnuchterende antwoord op dat maar mogelijk is: 'De schrijver schrijft om persoonlijke redenen.’ En het diepst persoonlijke, dat wat de binnenste kern van een persoon is, dat is het meest ontoegankelijke. Mogelijk kun je er af en toe een glimp van opvangen in de tekst van de schrijver. Het antwoord dat de lezer van de schrijver verlangt, bestaat juist uit wat hij schrijft: de neerslag van zijn dagdromen en fantasieen, van zijn kennis en verschrikkingen en van zijn schandelijke geheimen. Want van dat onthutsende amalgaam van ingevingen, angsten, vermoedens, herinneringen, gedachten en dromen, daarvan zou hij het geheim ook wel eens willen weten.

In plaats van naar het idee te zoeken dat aan het werk ten grondslag ligt of zich te laten plezieren of choqueren door de obsceniteit van het verhaal, zou men het vermoeden van een idee hoogstens kunnen opsporen in de stijl, in de wijze waarop dat amalgaam door de schrijver wordt ingekleed. Misschien schuilt de aantrekkingskracht van Van der Heijdens werk voor velen in de oude vertelkwaliteit, die in vroeger in de smidse of rond het haardvuur zo vaak te beluisteren was: daar verzamelde men zich rond de smid of de schoenlapper die hun verhalen over de voorvaderen of de gebeurtenissen uit de familie uit het hoofd kenden en die in verschillende toonaarden de schandalen en triomfen van families en van de dorpgemeenschap voor het voetlicht brachten. Daar werd met gloed gesproken over ziekten en dood en vernietiging, en over wonderen en mirakelen die dood en vernietiging leken te weerleggen, zoals Lindgren schreef.

ONMISKENBAAR ZIJN de echo’s van die vertelkwaliteit te beluisteren in de romans van Van der Heijden, waarin zich ook een familiekroniek heeft gevoegd waarin ruimte is gemaakt voor requiems, voor verhalen over de doden. Dat daar ook autobiografische gegevens aan ten grondslag liggen, zal voor menig lezer die niet in ideeen is geinteresseerd alleen maar een meerwaarde betekenen: het voyeurisme kent nu eenmaal ook zijn eigen perverse aantrekkingskracht. Daarin zijn de lezer als ideeenzoeker en de lezer als voyeur elkaars bondgenoot: ze zijn op zoek naar de sleutels van de roman, de sleutelroman die, eenmaal ontcijferd, zeker op een teleurstelling moet uitlopen. Want de oplossing is altijd banaal.

Daar schuilt voor mij dan ook niet de kracht van het werk van Van der Heijden; die vind ik nu juist in het stofgoud van details dat over de talloze verhalen ligt uitgestoven. Ik bedoel daarmee niet de feitelijke verwijzingen naar plaatsen, personen en gebeurtenissen uit de laatste decennia, die de verhalen de suggestie van herkenbaarheid verschaffen, maar de onuitputtelijke stroom van microscopische illustraties van schaamte, vernedering en schuldbesef, die een heel ander schandaal zichtbaar maken. Voor mij ligt de kracht in een scene zoals ik die las in het tweede deel van de cyclus De tandeloze tijd, in de roman De gevarendriehoek. Daar wordt verteld hoe Albert Egberts het ritueel van de zaterdagmiddagen in zijn jeugd beleeft, vanaf het moment dat zijn vader terugkeert van zijn werk bij Philips:

'Het nonchalant openduwen van het tuinpoortje met zijn voorwiel was al een slecht teken. Hij behoorde daar af te stappen. Albert zag hoe zijn vader langzaam het zandpad naar de stenen plaats opreed. Hij passeerde de aardbeiplanten, de worteltjes, de bonestaken… voeten aan de grond, jas half loshangend, glimmend voorhoofd onder klep van achterover geschoven pet… Hoewel het nog fris was, had hij de bontgevoerde kleppen omhoog geslagen en de riempjes met het drukknopje in plaats van onder zijn kin boven op zijn hoofd vastgemaakt. Alles aan de pet verontrustte Albert. Het was er een van grijs imitatieleer… Met de oorbeschermers naar beneden, de klep diep in de ogen getrokken, en in een strakgesnoerde jas was hij een nederige, werkzame huisvader. Een lijfeigene in namaakleer.’

Het is de scherpzinnige waarneming van een vijf-, zesjarig kind, dat in het miniemste gebaar, de nauwelijks op te merken verandering in de uitdossing de aanwijzingen vindt voor het scenario van het komende weekeinde. De frivole stemming vanwaaruit het poortje nonchalant met het voorwiel wordt opengeduwd, vormt een garantie voor de ontluisterende metamorfose die zijn vader aan het eind van de dag zal hebben ondergaan als hij de cafes in de buurt heeft bezocht, startend vanuit de vrijmoedigheid waarmee hij met de omhoogeslagen kleppen van zijn pet was thuisgekomen en eindigend in de woedende razernij die zich in de loop van de dag van hem meester maakt.

DE ZINNEN WAARIN de waarneming onder woorden wordt gebracht, zijn belast met de meest tegenstrijdige gevoelens van het kind dat trots op zijn vader zou willen zijn, beter gezegd: de trots van zijn vader zou willen zien. Hij zou blij moeten zijn met het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid dat uit de frivool opgezette pet sprak, maar het beeld van de nederige huisvader, de lijfeigene in namaakleer, het insigne van lafheid, blijken hem nu juist meer rust te verschaffen dan de tekenen van vrijheid. De tegenstrijdige gevoelens vergiftigen zijn precieze waarneming, die voorkomt uit een getrainde vorm van uiterste behoedzaamheid. Nee, hij zag dat zijn vader de brommer niet de schuur in duwde, zoals de aangepaste en gewetensvolle vader gedaan zou hebben, dat hij de sleuteltjes in het contact liet zitten: het waren allemaal tekenen dat de vader alleen maar thuis was gekomen om te ontsnappen en geen enkel plezier toonde bij het zien van zijn jongen, die dan al weet hoe zijn vader later op de dag nog eens thuis zal komen: als een tierend monster, 'dat met zijn vaders imitatieleren jas langs de muur van de schuur schaafde, die zwaar ademend door zijn neus, (…) zwaaiend op zijn benen, naar zijn vrouw stond te grijnzen en als die geen sjoege gaf, in razernij ontstak. Hield ze zich nog langer stoicijns, dan was hij in staat haar het boek uit handen te vegen. In dat stadium begon hij om zijn kniep te roepen, hoewel hij het mes - vaak al geopend - in zijn zak droeg. “M'n kniep, goddoeme… dan zal ik er eens een gaatje in prikken, in dat ll-lectuele boek…!” In dat “kniep” van hem was alles samengebald wat nog van hem restte. Het betekende knijp, kroeg en knip (de huishoudbeurs waaruit hij zijn zakken kwam vullen om meer drank te kunnen kopen) en nogmaals knip, maar dan in de betekenis van nachtslot (dat niet dicht mocht, anders trapte hij de ruiten in), en ten slotte het knipmes waarmee hij zijn vrouw en kinderen bedreigde. De essentie van een man teruggebracht tot een enkel woord. Kniep.’

Zo'n scene is in zijn details en wijze van vertellen karakteristiek voor het oeuvre van Van der Heijden in zijn geheel: de herinnering zit vastgeklonken aan een woord of een ding met al zijn connotaties; de zinnen vormen een rattenkoning aan verknoopte gevoelens, ze zijn heel precies in hun weergave van de waarneming. En ze brengen nog iets anders tot uiting: een barricade die wordt opgeworpen tegen elke vorm van empathie. De jongen moet zich beschermen, wapenen tegen dat monster, dat op zijn benen staat te zwaaien: het is een ander, niet zijn vader die hij daar schuimbekkend in de kamer ziet.

Deze scene (die heel wat zaterdagen samenbalt) vormt de geboortegrond van de uiterste behoedzaamheid die de protagonisten uit de andere boeken van Van der Heijden zullen betrachten: je hoeft maar een moment niet op te letten of je hebt een stomp in je gezicht, je valt met je gezicht op de grond. Niet alleen De sandwich maar ook zijn laatste boek Asbestemming begint met een ontluisterende muilpeer die de helden in verwarring brengt. En door heel de cyclus De tandeloze tijd ontvouwt zich de geschiedenis van de valpartij. Zelfs voor Ernst Quispel uit Advocaat van de hanen is de behoedzaamheid een tweede natuur geworden. Hij vond dat hij waakzaam moest blijven, zelfs tijdens de slaap, zoals Albert ooit in zijn kinderbed niets mocht ontgaan op die late zaterdagavonden. Die avonden 'beroofden hem van zijn slaap, die overspannen nachten, maar in ruil voor zijn dromen schonken ze hem hun luciditeit’. Steeds is er dan ook de attractiviteit van deze opperste minuten van angst, die lucide momenten van tegenwoordigheid van geest in zich bergen. Ze vormen de sleetse plekken in de schakels van het vertellen, van zijn wetten van het 'toen’, 'alvorens’ en 'omdat’, die evenzeer bij het leven in de lengte horen.

In zijn gedetailleerdheid en het onwaarschijnlijke vermogen van zijn geheugenkunst toont Van der Heijden een gave die bijna verloren lijkt te zijn gegaan. In de grond is hij de erfgenaam van de verhalenverteller zoals die eens is geportretteerd door collega-schrijver John Berger. Die herkende zijn gestalte in een naamloos boertje die hem op het Franse platteland elke morgen na het werk kwam opzoeken om koffie te drinken en over het dorp te praten. Zijn dorpsgenoot, schreef Berger, herinnerde zich datum en dag van elke ramp. Hij herinnerde zich de maand van elke bruiloft waarover hij een verhaal kon vertellen. Hij kon de familierelaties van zijn protagonisten traceren tot hun aangetrouwde achterneven en -nichten. Het geheugen van de vertellers uit de orale traditie is legendarisch; toen Berger met een andere vriend van zeventig in de bergen wandelde en aan de voet van een hoge rots stond, vertelde die man hem hoe een meisje daar was doodgevallen, terwijl ze aan het hooien was op de bergwei erboven. Was dat voor de oorlog? had Berger gevraagd. Omstreeks achttienhonderd, was zijn antwoord, en Berger verwonderde zich erover dat de verteller zijn verhaal over het verre verleden met dezelfde kracht vertelde als het verhaal van de afgelopen dag.

De trekken van die verhalenverteller keren in de geschreven verhalen van Van der Heijden terug, want even nauwgezet worden de miniemste voorvallen anno 1993 herinnerd als die van een toevallige dag uit het jaar 1956 (men moet maar eens opletten hoezeer dat jaar in Van der Heijdens werk een Fundgrube voor zijn verhalen blijkt te zijn). Wanneer Van der Heijden, zoals in Asbestemming, de verhalen opdist over de dorpspomp van cafe de Z., zal menig lezer wellicht vallen over het hoge grachtengordelgehalte van die verhalen, maar voor mij liggen ze op hetzelfde vlak als de verhalen die in De gevarendriehoek uit het dorp Geldrop worden opgedist: ze hebben allemaal iets van de dorpsroddel waar John Berger allerminst met dedain over sprak, omdat de roddel de voedingsbodem vormt voor de vertelkunst. Berger ziet er een kwaliteit in die de verhalen van Van der Heijden ook hebben: soms - schrijft hij - zit er een impliciet oordeel in, maar dat oordeel, hetzij rechtvaardig, hetzij onrechtvaardig, blijft een detail: het verhaal als geheel wordt met enige verdraagzaamheid verteld omdat het degenen omvat met wie de verteller en luisteraar verder moeten leven. Over de werkelijke kwaliteit van die verhalen wordt niet beslist door de vraag wat verzonnen is en wat werkelijk gebeurd, in de listige verdraaiing van de waarheid, maar in een bijdrage aan de alledaagse kennis, in een antwoord op de vraag: hoe heeft het kunnen gebeuren dat… - en niet: waarom is dat gebeurd.

ER IS EEN ANDER aspect in het werk van Van der Heijden dat hem met de bijna verloren gegane traditie van het vertellen verbindt en dat ons in dit jaargetijde - de een meer, de ander minder - bewust bezighoudt. Want 1 en 2 november vormen in de orale verteltraditie hoogtijdagen: ze luidden vroeger de donkere maanden in, de dagen waarop de duisternis buiten voor het natuurlijke maar mysterieuze decor zorgde van wat binnen werd verteld. Meer dan eens is beweerd dat het bijzondere karakter van die dagen, Allerheiligen en Allerzielen, de raadselachtige grond blootleggen waarop al die vertellingen voortwoekeren: wie zou niet willen weten wat er na de dood gebeurt, en wie weet zouden de doden willen weten hoe het er met de wereld voor staat waar zij uit verdreven zijn. Misschien is er grensverkeer op deze dagen mogelijk en kunnen de bewoners van beide werelden vertellen wat tot nu nog nooit iemand heeft kunnen vertellen.

In het hele werk van Van der Heijden wordt deze grenservaring genaderd, maar vooral in de requiems die hij heeft geschreven: De sandwich, gewijd aan de dood van twee vroegere vrienden, Weerborstels, waar het doodsverlangen van het neefje Robby wordt herdacht, en nu in Asbestemming, waarin de dood van de vader te boek wordt gesteld. Vertellen is de onmachtige poging de dood buiten de deur te houden of om de doden alsnog te laten voortleven in de verhalen, zo waarachtig mogelijk, zonder idealisering of hypocrisie (de twee valkuilen van het zwakke vertellen).

In alle boeken van Van der Heijden schemert de overgang tussen de twee werelden. In De draaideur bijvoorbeeld, nog geschreven onder het pseudoniem Canaponi, waarin de held Francis op de drempel van Americain zijn oudere evenbeeld ontmoet en waarin het besef doordringt van de knagende dood in het leven. Hij schemert in Het leven uit een dag, waar een gevecht wordt gevoerd op de drempel van de wereld van de herhaling en de wereld van de eenmaligheid. Hij schemert in alle boeken van De tandeloze tijd. Op de zwakke schakels van het vertellen breekt regelmatig de draad van de vertelling en treedt de poezie naar voren, waarin de opeenvolging van feiten er niet langer toe doet.

HET WERKELIJKE schandaal dat in de boeken van Van der Heijden voelbaar wordt gemaakt, is dat de dood op geen enkele wijze raad verschaft hoe er geleefd moet worden, dat ze van alle handelingen in het leven een schimmenspel maakt. In Asbestemming breekt bij de hoofdpersoon, juist op het moment dat zijn vader overleden is, het besef door dat de overgang van het rijk der levenden naar dat van de doden betrekkelijk is: het menselijke bedrijf is al een grote onderwereld: 'Dat schimmenrijk bestaat hier, hier en nu - niet aan gindse zijde, niet aan “de overen kant”, zoals mijn grootvader het uitspraak, als betrof “over” een stofnaam. Wie de liefde zoekt, zoekt op voorhand Eurydice. Geen realistischer, geen alledaagser verhaal dan de Orpheus-mythe. We zijn allemaal Orpheus, en we staan er allemaal alleen voor. Wij kijken over onze schouders om ons van een hinderlijke illusie te ontdoen.’

Zo zijn we dan teruggekeerd bij de eigenlijke bronnen van het vertellen, bij de mythen, de laatste echo’s van het grensverkeer tussen de goden en de mensen. Misschien dat Orpheus het geheim kent, maar zijn verlies van Eurydice heeft hij niet ongedaan kunnen maken door zijn al te grote nieuwsgierigheid. De taak van de zanger is in later tijden overgenomen door de vertellers die van de list van Sheherazade hebben geprofiteerd. Was zij het niet die in de precaire situatie verkeerde dat ze bij elke zwakke schakel in de verteldraad de dood voor ogen zag, en bij die sleetse plekken steeds haar voortbestaan dankte aan de ingeving van een nieuw verhaal, een nieuwe wending. De taak van de vertellers is overgenomen door de schrijvers die hun intonatie en timbre, hun mimiek en gebaren in schriftuurlijke tekens hebben vertaald en die weten hoe onbetrouwbaar en verraderlijk de draad van het vertellen is. De behoedzaamheid en alertheid van Van der Heijdens helden houden ook de verteller in hem wakker.