Alles

Het was een warme ochtend toen ik ze zag: twee meisjes van een jaar of drie, staand op de achterbank van een stationcar, met hun hoofden uit de raampjes.

Ik hield net mijn pas in om de zware boodschappentas die ik bij me had van mijn linker- naar mijn rechterhand te brengen en zag ze in een flits voorbijrijden. Zonlicht vonkend op blonde haren. Op de tandjes van de meisjes. Ze lachten. De wind, die er alleen maar was omdat ze voortbewogen, liet hun haren wapperen. Ook ving ik een glimp op van de bestuurder: een jonge vrouw met een grote zonnebril en rode lippenstift. Ik moest aan de romans van Irving denken. Aan wat daarin nu onvermijdelijk zou volgen: het noodlot om de hoek, de seconde waarop het misgaat. En er schoot me iets te binnen waar ik al heel lang niet aan gedacht had. Een gesprek dat ik voerde, drie jaar geleden op een terras in Duitsland, met een juist gepensioneerde brandweerman. Hij vertelde me dat hij gek werd van ‘de denktijd’ die hij ineens beschikbaar had. ‘Zolang ik aan het werk was had ik geen verhaal’, zei hij. ‘Niet één verhaal. En nu lig ik er wakker van.’ Hij dacht vooral aan de mensen die hij niet had kunnen helpen. De geluiden. De gezichten. Er was één gebeurtenis die steeds weer in hem opdook, zelfs nu hij op vakantie was: de nacht dat hij een dode motorrijder van een boom af moest trekken. ‘Ik kreeg hem maar niet los’, zei hij. ‘Het was pikkedonker. Ik moest met een zaklamp bijschijnen om te zien wat er aan de hand was. En zijn hoofd er omheen. Letterlijk, bedoel ik. Zijn hoofd was met helm en al óm de stam gevouwen.’ Ik had niet geweten wat ik daarop zou kunnen zeggen en dus dronken we zwijgend een glas bier. ‘Alles is mogelijk’, zei de brandweerman. ‘Echt alles.’ De rest van de weg naar huis dacht ik aan die twee levens. Die losstaande, lachende levens op een achterbank. Aan alle mogelijkheden. Het was verbazingwekkend stil op straat.

Zonder ophouden scheen de zon.