Alles ademt blije verwachting

Een kortere titel is nauwelijks denkbaar, 14, zonder apostrof, want het boek gaat weliswaar over la Grande Guerre, vooral het eerste jaar daarvan, maar dat is niet de enige betekenis.

De titel verwijst ook naar de al vroeg uitgesproken verwachting dat het ‘een kwestie van hooguit veertien dagen wordt’, die oorlog, dus naar het optimisme dat ons, een eeuw later, rijkelijk naïef voorkomt, en dat de auteur, ook dat weten we van meet af aan, de gelegenheid biedt om voor de meest dramatische contrasten te zorgen. En daarin worden we niet teleurgesteld. Vanaf de eerste zin ademt alles blije verwachting, zorgeloosheid en tijd in overvloed. Een zekere Anthime heeft een vrije dag, ‘gaat genieten van de volle augustuszon, wat aan beweging doen, de gezonde landlucht opsnuiven en waarschijnlijk languit in het gras liggen lezen’. De heuvel die hij op moet fietsen, ergens in de Vendée, in de verte kun je de oceaan al ruiken, is niet meer dan ‘een kleine hobbel’, maar toch hoog genoeg om ‘qua uitzicht de moeite van het beklimmen waard te zijn’. Zo wordt de lezer in stelling gebracht.

Dan dient het onheil zich aan in de vorm van een oorverdovende rukwind, waarvan het ‘gebulder’ even later plaatsmaakt voor het geluid van de kerkklokken beneden in het dal, of liever: de stormklok, en dat kon ‘gezien de huidige toestand van de wereld maar één ding betekenen: mobilisatie’. Een minuut later zit Anthime al weer op zijn fiets, de helling af, op weg naar zijn woonplaats. Voor de hardhorige lezer die dan nog denkt dat er geen vuiltje aan de lucht is, heeft de auteur nog een subtiele waarschuwing in petto, zij het dat hij daarvoor Latijn moet kennen of het citatenboek raadplegen: een ‘onverwachte hobbel’ zorgt ervoor dat Anthime zonder er erg in te hebben zijn boek verliest dat opengeklapt in de berm blijft liggen, uitgerekend bij een hoofdstuk met de titel Aures habet, et non audiet, oftewel: hij heeft oren en luistert niet.

Medium hh 42129988

Ik heb het over de recentelijk vertaalde roman van Jean Echenoz (1947), hoewel ‘roman’ een wat groot woord is voor dit kleine, subtiele boek. Misschien kan het, in het besef dat er in die combinatie iets wringt, beter als een reeks fraaie oorlogsminiaturen worden getypeerd. Ik weet het: in een tijdperk waarin niet alleen schoonheid haar gezicht verbrandde, maar waarin dat ook, voor het eerst in de geschiedenis, complete legereenheden overkwam, letterlijk, als gevolg van mosterdgas, lijkt het woord ‘fraai’ misplaatst. Niettemin dringt het zich op.

Hij werd getroffen door een verlate granaatscherf, die hem ‘zonder vorm van proces in één keer zijn rechterarm afsneed’

Wie 14 leest als een roman is in twee uur klaar, meer dan een alinea heeft hij niet nodig om de gebeurtenissen samen te vatten. Maar dan doet hij de auteur schromelijk te kort. Echenoz schrijft zinnen die je vanwege hun gevarieerde, vaak ongewone constructie, opgetrokken bovendien uit onalledaagse woorden, dwingen om ze minstens tweemaal te lezen. Ik koos ervoor elk hoofdstuk nog eens te lezen voor ik aan het volgende begon, en bijna altijd met aanzienlijke winst, soms omdat ik de structuur, de cadans en de toon dan pas trof, soms omdat me betekenisvolle details opvielen die me aanvankelijk waren ontgaan. Het proza van Echenoz is op microniveau rijk van inhoud en op alle niveaus muzikaal als poëzie.

14 valt op door zijn luchtige toon. Anders dan in vrijwel alle boeken die de laatste jaren over de Grote Oorlog verschenen, is de verteller er niet op uit de afstand tot de opgeroepen gruwelen te verkleinen. Niets wijst erop dat hij, ik noem maar iets, de geheimen van een verstomde grootvader op het spoor wil komen; ook maakt hij geen gebruik van documenten die onder de korst van patriottistische herdenkingsclichés weer iets van de niet te vatten reële ellende ervaarbaar kunnen maken. Authenticiteit heeft Echenoz niet op het oog, eerder lijkt hij de oorlogsgruwelen honderd jaar na dato verteerbaar te willen maken. Alle direct betrokkenen zijn dood, ook van hun kinderen kan er vrijwel niemand meer in leven zijn, moet het dan niet mogelijk zijn in de verzoenende toon van de milde ironie over de anders onverdraaglijke lotgevallen van deze jongens uit de Vendée te schrijven?

Het boek bevat prachtige vertraagde en uitgerekte beschrijvingen van gebeurtenissen die we allemaal menen te kennen, maar die we op deze concrete manier toch vermoedelijk niet eerder voor ons zagen. Ik denk aan het bijna choreografisch nauwkeurig beschreven luchtgevecht tussen ‘een tweepersoonsdubbeldekker van het type Farman F37 met twee mannen aan boord, een piloot en een waarnemer’ – laatstgenoemde de arrogante, bazige broer van Anthime – ‘met een tweepersoons Aviatik’ van de vijand, waarbij de broer, tevens Anthime’s concurrent in de liefde, het leven laat. Of aan de scène waarin beschreven wordt wat Anthime ziet, hoort en voelt als er een granaat ontploft in de loopgraaf waarin hij zit en hij getroffen wordt door ‘een verlate granaatscherf’, die hem ‘zonder vorm van proces in één keer zijn rechterarm afsneed, vlak onder de schouder’. Verrassend is de inzet van de nieuwe alinea direct daarop: ‘Vijf uur later werd Anthime in het veldhospitaal door iedereen gefeliciteerd’, jaloers als men was op zo’n ‘goeie kwetsuur, een van de beste die je je kon voorstellen’, aangezien die je voorgoed bij het front vandaan kon houden.

Jean Echenoz behoort tot de categorie stilisten waarvan graag gezegd wordt dat in hun werk geen woord te veel staat. Dat klopt waarschijnlijk. Toch – voorzichtige kanttekening – is het de vraag of dit boek niet een heel hoofdstuk te veel bevat, namelijk het essayistische hoofdstuk 12 over dieren in de oorlog, dat nagenoeg niet verknoopt is met de handeling. Daarzonder had 14 precies veertien hoofdstukken geteld. Of zou Echenoz dat net te kunstmatig hebben gevonden?


Beeld: Het Franse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, ansichtkaart circa 1914 / Underwood & Underwood / HH