Jean Tinguely

Alles beweegt

Jean Tinguely is het genie van de zichtbare muziek. Alles in zijn oeuvre beweegt, draait, schuift, slingert, gooit en slaat. In Rotterdam kan Nederland weer eens uitvoerig bekijken hoe de kunstenaar het optimisme van zijn tijd heeft vormgegeven.

Het zou Jean Tinguely plezier hebben gedaan: een gat in het dak van een museum, speciaal gemaakt om een van zijn machines naar binnen te brengen. De Luminator, een bewegende kroonluchter met honderden gekleurde lampjes. Te groot, te ingewikkeld om door de deur te kunnen. Er waren hijswerktuigen nodig, de operatie op zichzelf had een eenmalige door hem bedachte voorstelling kunnen zijn. Zo’n groot gat ten behoeve van een groot bewegen is in overeenstemming met de geest van zijn oeuvre.

Jean Tinguely hoort in de moderne kunst, met Pablo Picasso, Wladimir Tatlin, Marcel Duchamp en Edward Kienholz, tot degenen die uit zichzelf geboren zijn. Ze hebben geen voorgangers, ze hebben buiten alle tradities en conventies een volkomen nieuw oeuvre tot stand gebracht, een complete schepping die met niets te vergelijken valt. De aanblik van hun werk veroorzaakt een gevoel van bevrijding, een regelrechte opluchting, telkens weer. In de moderne kunst is Tinguely het genie van de zichtbare muziek. Deze tentoonstelling heet dan ook Alles beweegt. Het draait, het schuift, het slingert, het gooit, het slaat, en nooit is de volgende beweging identiek aan de vorige. In de Rotterdamse Kunsthal aan de Westzeedijk is daarvan een demonstratie in rijke verscheidenheid te zien.

Jean Tinguely werd geboren op 22 mei 1925 in Fribourg, Zwitserland. Twee jaar later verhuisde de familie naar Bazel. Zijn vader was magazijnbediende bij Nestlé, zijn moeder huisvrouw. Jean was bij de katholieke padvinderij, maar niets wijst erop dat hij door de moederkerk beïnvloed is. In 1939 stapte hij in de trein met de bedoeling naar Albanië te gaan om daar tegen de fascisten van Mussolini te vechten. Bij de Italiaanse grens werd hij door de Zwitserse bewaking ontdekt en weer naar huis gestuurd.

Zijn biografie meldt dan verder dat hij in 1941 aan een decorateursopleiding van het warenhuis Globus in Bazel begint. Na anderhalf jaar wordt hij daar wegens ongedisciplineerd gedrag op staande voet ontslagen. Bij de concurrent Rheinbrücke zet hij zijn opleiding voort, doet in 1943 eindexamen en slaagt met de hoogste cijfers. Nog steeds is Jean geen kunstenaar. Wel rebels. In 1944 wordt hij lid van het illegale Kommunistische Jugendverband, moet intussen in dienst. Hij komt terecht bij een mitrailleurcompagnie, wat zijn belangstelling voor beweging zeker zal hebben bevorderd, want een machinegeweer is op zichzelf een prachtig mechanisme. In het Zwitserse leger gebeurt niets bijzonders.

Na zijn demobilisatie, in 1945, vestigt hij zich als decorateur in Zürich. Hij ontdekt dat er een ideologie is die hem beter past dan het communisme. Hij wordt anarchist, ontwerpt voor de anarchistische activist Heiner Koechlin het omslag voor diens proefschrift over de Commune van Parijs. En dan, in 1952, verhuist hij zelf naar Parijs. Een jaar tevoren is hij getrouwd met de antroposofe Eva Aeppli. Ze hebben een dochter. Moeder en kind blijven in Zwitserland.

In die tijd gingen we allemaal naar Parijs. Daar gebeurde het. In dit opzicht is Jean Tinguely niet uniek. Hij was veertien toen de oorlog uitbrak. In het neutrale Zwitserland zal de opgroeiende jeugd de oorlog anders hebben ervaren dan die in de rest van Europa en Amerika. Maar er is één overeenkomst. Voor degenen die te jong waren om verantwoordelijkheid te dragen, maar oud genoeg om te beseffen wat er die jaren is gebeurd, is de oorlog de breuk in de geschiedenis en in hun persoonlijk leven. Als pubers zijn ze er vijf jaar lang getuige van geweest hoe hun werelddeel grondig werd verwoest. Het is hun vorming, de beslissende ervaring uit hun jeugd. Dat zal in Zwitserland in principe niet anders geweest zijn dan in de oorlogvoerende landen. De neutraliteit heeft niet verhinderd dat tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zwitserland Dada is ontstaan.

Oudere generaties, overal in het Westen, zijn na 1945 aan de restauratie begonnen. Daaruit zijn de koloniale oorlogen voortgevloeid. De generatie waartoe Jean Tinguely hoort, wilde geen restauratie maar revolutie. In Amerika waren de Beatniks, in Engeland de Angry Young Men, in Nederland de Vijftigers en in Parijs niet alleen de existentialisten. Daar was alles. De grote Internationale van de radicale vernieuwing.

In 1955 was Tinguely opgenomen in de Parijse kunstenaarswereld, had een atelier in de Impasse Ronsin, naast dat van Constantin Brancusi, en was bevriend met Yves Klein. In dit jaar heeft hij zijn eerste tekenmachine gemaakt, de Méta-Matic I, een klein, elegant apparaat dat, aangedreven door een elektromotor, met een viltstift op een vel papier altijd een andere abstracte tekening maakt. Het is een mooi, en als het in werking is, ook een vrolijk werktuig. Het brengt de toeschouwer in verbazing, maar ook aan het lachen, niet omdat het ‘humoristisch’ is, maar omdat de beweging een aanstekelijke vrolijkheid heeft.

Er zijn critici die geloven dat Tinguely’s machines bedoeld zijn als een satire op de zich steeds verder mechaniserende samenleving, ook al omdat alles wat hij heeft gemaakt bestaat uit materiaal van de rommelmarkt, het autokerkhof, de dump, oudroest. Ik geloof dat ze zich vergissen. Er is geen relatie met de actualiteit. De vrolijkheid op zichzelf is een van de waarmerken van zijn oeuvre. Dat wordt bewezen doordat kinderen het zonder nadere uitleg begrijpen. Al kijkend en lachend worden de grote mensen teruggebracht tot hun kindertijd.

De bekroning van de familie der Méta-Matics is nummer 17, voltooid in 1959. Het is een grote machine, een meter of acht hoog, met een automatisch aflopende rol papier waarop onophoudelijk tekeningen worden gemaakt die dan, ook weer automatisch, met een schaar worden afgeknipt. Het geheel wordt aangedreven door een benzinemotor waarvan de uitlaatgassen in een ballon worden opgevangen. Terwijl de ballon zwelt wordt de co2 voorzien van de geur van lelietjes-van-dalen, waarna hij, als de druk hoog genoeg is, weer door een ventiel ontsnapt. De Méta-Matic 17 werd onthuld in 1959 op de Biënnale van Parijs en trok daar zo veel belangstelling dat andere deelnemers boos werden. Het is een van de weinige keren dat Tinguely in een rel betrokken raakte.

Het totale oeuvre is een schepping op zichzelf. Het zou ook door een darwinist kunnen worden beschreven en ingedeeld. Uit een uitvinding ontstaat een familie van machines, die zich door een volgende uitvinding vertakt in subfamilies, die zich gaandeweg weer verzelfstandigen. Het creatieve inzicht van deze schepper, gecombineerd met zijn enorme energie, geeft jaar na jaar het aanzien aan een uitdijend universum, waarin de onderdelen dan weer worden verenigd doordat ze allemaal bewegen en stuk voor stuk de signatuur van de maker dragen.

In 1960 werd Tinguely voor het eerst wereldberoemd met zijn Homage à New York, een Gesamtkunstwerk waarin hij proeven van alle mechanismen die hij tot dan toe had bedacht, had ondergebracht. Het mechanisme kon tekenen, het braakte rook, het knalde, er plofte een ballon en de uiteindelijke bedoeling was dat het zichzelf zou vernietigen. Hij bouwde het op de binnenplaats van het Museum of Modern Art. Voor een groep genodigden werd de Homage in werking gesteld, en alles ging goed. Binnen 23 minuten had de constructie zichzelf in een rokende puinhoop veranderd. Op het laatste ogenblik maakte zich uit het geheel een karretje los dat zelfmoord pleegde in de vijver.

Dankzij de directeur van het Stedelijk Museum Willem Sandberg heeft Amsterdam in 1961 met het werk van Tinguely kennisgemaakt, in de tentoonstelling Bewogen beweging. Daaraan deden negentig kunstenaars mee. Tinguely en Sandberg konden het goed met elkaar vinden. Ze spraken af dat het jaar daarop nog zo’n gebeurtenis zou volgen, maar dan met een beperkt aantal deelnemers. Dat werd Dylaby, samentrekking van Dynamisch Labyrint. Begin jaren zestig, het tijdvak was er ontvankelijk voor. De vorig jaar afgebroken Sandbergvleugel werd een machinehal. Niki de St Phalle, later de vrouw van Jean en daarna weer niet, had haar schietsalon waar je op zakjes gevuld met verf kon schieten. Ed van der Elsken maakte een film. Voor mij is Dylaby ook onvergetelijk geworden doordat ik mijn oudste zoon, toen vier jaar, had meegenomen. Hij wilde een karretje hebben dat met een stang aan de muur was bevestigd en dat via een excentriek voortdurend heen en weer reed.

Het is de hoogste tijd dat Nederland weer eens uitvoerig met het werk van Tinguely kan kennismaken. Een groot kunstenaar die telkens opnieuw op zijn onnavolgbare manier het optimisme van zijn tijd vorm heeft gegeven.

Jean Tinguely. Alles beweegt!
Kunsthal Rotterdam, t/m 27 januari 2008

www.kunsthal.nl