Het interbellum van Herman Wolf

‘Alles doet mee aan de werkelijkheid’

De ‘massa-mensch is de norm-looze, niets en niemand ontziende, maar alles beheerschende macht geworden’, schrijft Herman Wolf voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het levensverhaal van een cultuurpessimist, opgetekend door zijn kleinzoon, Paul Scheffer.

Medium exlibris

Aankomst in Amsterdam
Op 3 juni 1899 meldt de familie Wolf uit Keulen zich bij de vreemdelingenpolitie in Amsterdam. Onder volgnummer 297, ingeklemd tussen Marie Louise Haubinon uit Luik (nummer 296) en Thomas Blanche uit Parijs (nummer 298), worden ze met zwierige letters ingeschreven. Dat gaat overigens op een tamelijk rommelige manier. In 1862 was de paspoortplicht afgeschaft en die werd pas tijdens de Eerste Wereldoorlog weer ingevoerd. Het is misschien een teken van die betrekkelijk ontspannen tijd dat de familienaam foutief met dubbel ‘ff’ wordt gespeld. Op de persoonskaart van de gemeente wordt die tweede 'f’ later weer even zwierig doorgestreept.
Het volledige dossier bestaat niet meer, maar de summiere typering van het gezinshoofd is aardig genoeg. Het ging om Simon Wolf, hoedenmaker, geboren op 19 augustus 1861 in Hersel, een stadje nabij Bonn. Zijn persoonskenmerken worden door de dienstdoende autoriteiten vastgelegd: 'Ouderdom: 37 jaren, Lengte: 1,72 m, Voorhoofd: gewoon, Haar: donker, Wenkbr.: Id., Oogen: bruin, Neus: gewoon, Mond: Id., Kin: rond, Baard: kneveltje, Aangezicht: rond, Kleur: gezond, Gods. bel.: Isr., Kenteekenen: -.’ Dat was het wel zo'n beetje.
Simon Wolf wordt vergezeld door zijn vrouw Hermine Heilbut, geboren op 12 oktober in het jaar van de Duitse eenwording, 1871, in de Noord-Duitse stad Lübeck. Zowel Simon als Hermine is afkomstig uit een tamelijk welgesteld joods milieu van handelaren en kooplieden. Beiden zijn kinderen van de assimilatie, die zich in de tweede helft van de negentiende eeuw onder de Duitse joden doorzette, maar weinig hielp om het antisemitisme tot bedaren te brengen.
Het derde lid van de familie is hun enige kind, de dan zesjarige Hermann, geboren op 1 mei 1893 in Keulen. Herman Wolf was mijn grootvader van moeders kant. Zijn levensverhaal in het Amsterdam van de jaren twintig en dertig vertegenwoordigt de ervaring van een literaire generatie die het humanisme omarmde, maar tegelijk een diep pessimisme met zich meedroeg. Filosofisch gevormd door Schopenhauer en Nietzsche, maar ook getekend door de ervaringen van de oorlog - bij Wolf zien we veel vragen opkomen die ook in een andere tijd betekenis hebben.
Al vroeg geeft Wolf blijk van zijn literaire en filosofische belangstelling. Dat is een van de redenen waarom vader en zoon langzaam uiteengroeien. Zijn biografie is een klassiek verhaal van de zoon die voorbestemd is om zijn vader in de familiezaak op te volgen, maar ondertussen heel andere dromen droomt. Terwijl zijn vader floreert in zijn hoedenatelier op de Herengracht 110 raakt de jonge Hermann verliefd op Goethe, Schopenhauer en Thomas Mann.
Een latere bespreking van Buddenbrooks, de roman van Thomas Mann die is gesitueerd in de geboortestad van zijn eigen moeder, Lübeck, leest als een zelfportret. Wolf schrijft in 1921 over 'de eenzaamheid’ van Thomas Mann, die doorklinkt in zijn romanfiguur Hanno Buddenbrook: ’… hoe zijn familie met haar zuiver pragmatische ziens- en gevoelswijze hem als een out-law, als vagebond en als luiaard zal moeten verachten en hij vindt in zijn diepst innerlijk, dat zij eigenlijk gelijk hebben!’ Hij vervolgt: ’… hij verlangt immers naar de fatsoenlijkheid en degelijkheid, naar de conventie en de sleur van het burgerlijke en “normaal-menschelijke”.’ Dat dilemma van de koopman en de kunstenaar, van de burger en de schrijver, was natuurlijk ook zijn dilemma.
Al op negentienjarige leeftijd publiceert hij een lange filosofische verhandeling over Schopenhauer in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte. In die beschouwing gaat heel zijn aandacht uit naar diens pessimistische wereldbeschouwing. Hij vereenzelvigt zich met die zienswijze, in een voor zijn leeftijd opvallend zware toon: ’… wie dieper ziet acht het pessimisme, hoewel verstandelijk onbewijsbaar, een zeer sterk inzicht, een door geen redenering te verdrijven en te verminderen essentieel gevoel.’ Hij onderscheidt twee genres: 'de realiteitspessimist’ en de 'stemmingspessimist’; tot de laatsten rekent hij de Romantici.

Naast de loopgraven
Hermann Wolf was dus al op jonge leeftijd behoorlijk wereldwijs. Op foto’s zien we een gesoigneerde jongeling, die zelfverzekerd, zeg maar gerust parmantig, de wereld in kijkt. Hij lijkt te weten wat hij kan en ook nog eens waar zijn hartstocht ligt. Dat is een groot geschenk, zeker in een zo woelige tijd als de zijne was. Al vroeg wist hij dat alleen de romankunst en het filosofische onderzoek zijn 'metafysische behoefte’ konden stillen.
Vroeg eigenwijs is de jonge filosoof zeker, zoals onder meer blijkt uit de correspondentie met zijn uitgevers. Een indruk daarvan krijgen we door een briefje uit het najaar van 1916 - Wolf is dan 22 jaar oud - aan Erven Bohn Uitgevers in Haarlem: 'Hierbij zend ik U de drukproef terug. Zooals U zien zult is er zeer veel in verbeterd en er aan toegevoegd. (…) Ik ben bereid om als de veranderingen te ingrijpend zijn voor eigen kosten deze te doen aanbrengen. (…) Ik laat overigens alles aan U over, maar ben er zéér gesteld op dat alle noten en veranderingen worden aangebracht.’ Hier kijkt de kleinzoon, die is behept met dezelfde onhebbelijke eigenschap, in verwondering om.
Wolf was als filosoof en literatuurcriticus gericht op de 'eeuwige’ vragen, de woelingen van de wereld zijn in zijn gepubliceerde werk slechts indirect aanwezig. Hield hij in zijn boeken en essays dus meestal afstand van de brandende actualiteit, in zijn brieven klinkt het wapengekletter wel door. De Eerste Wereldoorlog hield hem zeer bezig, al was het maar vanwege zijn Duitse achtergrond. Zoals menigeen was hij overweldigd door de gebeurtenissen en wat hem vooral kwelde was het enthousiasme waarmee de combattanten de oorlog introkken.
Hij schrijft vlak na het uitbreken van die oorlog een brief op poten aan de beroemde en inmiddels bejaarde grondlegger van de Duitse sociologie, Georg Simmel, die in de gewapende strijd een diep cultuurconflict zag. De jonge Wolf was het daar hartgrondig mee oneens: 'U en alle Duitsers spreken nu over de Franse decadentie, maar de Duitse cultuur is niet gezonder of meer op de toekomst voorbereid dan de Franse. En u vergeet bovendien dat de moderne Duitse literatuur ondenkbaar is zonder Frankrijk.’ Goethe - die graag met zijn onderscheiding van Napoleon pronkte - dient hier als kroongetuige.
In augustus 1915 krijgt hij antwoord. Omdat de censuur gesloten brieven in oorlogstijd terugstuurt heeft Simmel zijn eerdere brief teruggekregen en de inhoud ervan keurig uitgetypt op postkaarten. Hij schrijft aan de 21-jarige: 'Ik ben ervan overtuigd dat het merendeel van onze filosofische categorieën - zoals zoveel in onze cultuur - heeft afgedaan. (…) Vele overrijpe vruchten en dode bladeren hingen aan onze bomen en konden daar blijven hangen zolang het weer rustig was. Maar nu is de storm gekomen en blaast ze allemaal weg.’
Niet alleen Simmel wordt door de jonge Wolf aangesproken, beter nog toegesproken, ook richt hij zich tot Thomas Mann. Uit dat eerste contact vloeit een lange uitwisseling voort: brieven, boeken en bezoeken. Mann stuurt hem in de zomer van 1917 een portret op met de opdracht: 'Herrn Herman Wolf, dem klugen Fürsprecher in Holland, herzlich Thomas Mann. München, Juni 1917.’ Dat 'Fürsprecher’ laat zich nog het best vertalen met 'pleitbezorger’ en toont dat Wolf een grote zielsverwantschap voelt, die hij bijna twintig jaar later nog eens benadrukt: 'Ik zie een verbazingwekkende overeenkomst in ons beider geestelijke ontwikkeling.’ En Mann schrijft in vergelijkbare bewoordingen terug.
Hoe ver die verwantschap ook ging, ze kan geen betrekking hebben gehad op hun opvattingen over de oorlog. Mann noteert in het voorjaar van 1918 in zijn dagboek: 'Briefkaart van H. Wolf uit Amsterdam, die van plan is om in Holland over de Betrachtungen te schrijven, misschien omdat hij het nog niet heeft gelezen.’ Manns inschatting dat Herman Wolf weinig met zijn Betrachtungen eines Unpolitischen zou kunnen is begrijpelijk. Dat boek zou immers hét symbool worden voor het nationalisme dat Duitsland tussen 1914 en 1918 in de greep had.
De kern van zijn getormenteerde en veel te lang uitgesponnen beschouwingen draait immers om de tegenstelling 'cultuur’ en 'beschaving’. De 'innerlijke cultuur’ kon in het oosten worden aangetroffen, in Duitsland en Rusland; de 'uiterlijke beschaving’ werd bij uitstek vertegenwoordigd door Frankrijk en Engeland. Daarmee kreeg de oorlog het karakter van wat we nu een 'botsing der beschavingen’ zouden noemen. Nu kijken we met verbazing naar die veronderstelde strijd tussen 'cultuur’ en 'beschaving’, zoals we misschien over vijftig jaar met verbazing zullen kijken naar wat in onze tijd is gezien als een 'botsing der beschavingen’.
Uit zijn exemplaar van de Betrachtungen kunnen we opmaken dat vooral het laatste hoofdstuk Wolfs belangstelling en waardering had. De titel is Ironie und Radikalismus. Dat is een subtiele, meer literaire variatie op de grondmelodie van Duitsland versus Frankrijk. Wolf streept de volgende passage aan. Het radicalisme - lees de politiek - leeft met de regel 'als het om de waarheid gaat telt het leven niet’. Daar tegenover staat de 'ironie’ - lees de 'antipolitiek’ - die leeft met de regel 'als het om het leven gaat telt de waarheid niet’.
Ondertussen rekent Wolf op een geheel eigen wijze met de oorlog af. Of hij in 1918 geloofde dat de schuld vooral bij Duitsland lag weet ik niet zeker - het lijkt er wel op - maar zijn stille en hoogst persoonlijke protest bestaat uit één letter, de letter 'n’. Na het einde van de oorlog op 11 november 1918 zal hij zijn voornaam veranderen van Hermann in Herman. Voor iemand die zich met hart en ziel verbonden voelt met de Duitse filosofie en literatuur een betekenisvolle stap. Die naamsverandering staat ook voor een verdere losmaking van het ouderlijk huis.

Leraar en literaat
Aan het einde van de oorlog is Herman 25 jaar en heeft hij al een behoorlijk afgerond wereldbeeld. De grondtoon van zijn levensfilosofie zal in de tweede helft van zijn korte leven niet meer wezenlijk veranderen. Wel dwingen de omstandigheden, vooral de opkomst van het antisemitisme, hem tot een groter engagement. En tegelijk, als zoekt hij een contrapunt, wordt zijn behoefte aan onthechting pregnanter in die jaren tussen de oorlogen.
Wolf trouwt vlak na het einde van de oorlog. Met de stichting van een gezin moet er ook geld worden verdiend en geld zal hem een leven lang tot zorg blijven. Wolf werd in 1917 leraar. Na een aanstelling bij de driejarige H.B.S. aan de Mauritskade - een school waar hij later onder geheel andere omstandigheden zal terugkeren - wordt hij in 1925 leraar Hoogduits aan de Openbare Handelsschool (O.H.S.) aan het Raamplein, vlak achter het Leidseplein. Daar zal hij les blijven geven tot aan het begin van de oorlog.
Wolf is een betrokken leraar - een grapje dat de ronde deed was: Wolf geeft filosofie met als bijvak Duits - maar zijn ambitie reikt verder. Hij wil schrijven. Elke dag als hij thuiskomt rond vier uur gaan de schuifdeuren van de woonkamer aan de Harmoniehof dicht. Dan kruipt hij in zijn blauwe linnen jasje achter zijn schrijfmachine, omringd door het portret van Thomas Mann, een gipsen afgietsel van een beeld van een tamelijk corpulente Goethe uit 1828 en een buste van Socrates. In dat kleine universum schrijft hij met een grote productiviteit tal van boeken en nog veel meer artikelen, onder meer voor de N.R.C., maar ook voor weekbladen als De Groene Amsterdammer.
Over het geheel genomen worden zijn boeken gunstig ontvangen. Studies over hedendaagsche Duitsche letterkunde krijgt bijvoorbeeld een goede recensie van de dichter J.C. Bloem in De Gids (nr. 21, 1921): 'Het lijkt mij over het algemeen een model voor ieder essayist, die wil weten, hoe men over kunstenaars behoort te schrijven: uitvoerig analyserend, zonder al te zeer uit te pluizen, en daardoor nimmer de eenheid uit het oog verliezend.’ Wel bespeurt hij een neiging om zijn kritische oordeel te veel in de marge te formuleren, maar, zo zegt Bloem, dat 'is het gevolg van een te ver doorgedreven deugd: bescheidenheid tegenover het kunstwerk’. Dat kenmerkt Wolf ten zeerste.
'Alles doet mee aan de werkelijkheid’ was een van zijn motto’s, zijn levensmotto. Daarin zien we allereerst een ongebreidelde nieuwsgierigheid. Alles was een onderzoek waard en niets mocht bij voorbaat worden uitgesloten. Zijn leergierige houding strekte zich ook uit tot de in die tijd opkomende parapsychologie: 'Het blijkt thans steeds meer, dat het oude en alom verbreide geloof aan een persoonlijk voortbestaan na den dood niet van alle grond is ontbloot, zoals de rationalisten en materialisten denken.’ Hij stond open voor rationalisme en irrationalisme, in zekere zin waren beide benaderingen hem even lief.
Ook de oosterse filosofie is voor hem een inspiratiebron. Het is opvallend hoe Wolf op een vanzelfsprekende manier inzichten uit het boeddhisme in zijn eigen denken opneemt. Hij kon met Schopenhauer zeggen: 'Wij boeddhisten.’ In onze tijd wordt er veel gesproken over de waarde van andere culturen, maar al te vaak als een exotisch gegeven dat het eigen wereldbeeld niet echt raakt. Dat was heel anders voor de generatie van Wolf, die instemmend Carl Jung aanhaalt: 'Het Oosten dringt door alle poriën en bereikt de meest wonde plekken van Europa.’ En is die waarneming niet uiterst actueel?
Dit levensmotto wijst ook nog op iets anders. De tolerantie die erin ligt vervat kan alleen overleven wanneer de kwetsbaarheid ervan wordt doorzien. In het 'alles doet mee aan de werkelijkheid’ ligt het inzicht verborgen dat met de menselijke vrijheid ook het kwaad bij deze wereld hoort. Juist in een min of meer vreedzame samenleving neemt het besef af dat onder de oppervlakte altijd geweld sluimert. Waar het aan schort is verbeelding, beter nog: een beredeneerd en gevoelsmatig pessimisme is onontbeerlijk om de verbeelding telkens opnieuw te prikkelen.
In een studie over de Faust van Goethe spreekt Wolf over 'de tragische worsteling tusschen het goddelijke en het duivelsche in den mensch’. Deel van dat onoplosbare conflict, misschien wel de kern ervan, ziet hij in de strijd tussen de 'verstandsmensch’ en de 'gevoelsmensch’: 'Faust ervaart het groots conflict van de gevoelsmensch, die streeft naar absolute overgave aan leven en geest met den verstandsmensch, die het ijdele en onbestendige van zijn streven steeds meer moet beseffen.’ Het is niet te veel gezegd dat deze spanning tussen het verlichtingsideaal en de romantische kritiek daarop de kern vormt van zijn filosofische en literaire inspanningen.

De vraag van een leven
Die vraag keert ook in andere opstellen terug. In een van de spaarzame directe verwijzingen naar de dreigende buitenwereld schrijft hij in het fatale jaar 1933 over de toekomst van het humanisme: 'Dat is de problematische, ja tragische situatie voor den Humanist in onze dagen: hij is er diep van overtuigd dat het geloof in de eenige waarde van het Ras, het Volk, de Partij tot de meest gruwelijke schending van het zuivere en waarachtige menschelijke leidt.’ Hij hield wel van grote woorden.
Waarin ligt dan de tragische situatie voor de humanistische denker? ’… hij kan dit geloof en deze overtuiging niet aan anderen in concrete vormen en symbolen verduidelijken; hij moet steeds weer zien hoe de anderen, die zich beroepen op het Bloed, het Ras, het Volk, de Kerk, de Partij, millioenen aanhangers, volgelingen en geloovigen vinden en dat men hém beticht van slapheid en halfheid, omdat hij slechts in “vage begrippen” en “zwevende termen” vermag te spreken over de “potentieële eenheid” van het menschelijke.’
De kwetsbaarheid van een open samenleving tegenover degenen die zich beroepen op een exclusieve identiteit is wel duidelijk, maar zo voorgesteld is het dilemma niet alleen onontkoombaar, maar is het ook nog eens de kroniek van een aangekondigde nederlaag. Want als de 'mensheid’ tegenover 'het volk’ komt te staan, dan is het wel duidelijk waarheen zich de meerderheid zal bewegen. Wolf spreekt niet voor niets over 'tragiek’: in de context van '1933’ een begrijpelijke wanhoop, maar toch in wezen een machteloze vaststelling.
Zijn vraag heeft ook voor deze tijd betekenis. Al neigen zijn waarnemingen naar gelatenheid, toch is het bewustzijn dat elke beschaving in verval kan raken een wezenlijk onderdeel van het onderhoud van de vrijheden. Je zou kunnen spreken over de 'eeuwige terugkeer van het cultuurpessimisme’ als een noodzakelijke tegenmelodie in een open samenleving. Het kan geen toeval zijn dat de verhandelingen van Wolf uit de jaren twintig en dertig bij de lezer van nu herkenning oproepen.
Neem zijn beschrijving van de 'massa-mensch’: de 'massa-mensch is de norm-looze, niets en niemand ontziende, maar alles beheerschende macht geworden…’ Deze mens 'heeft geen respect, want alles schijnt hem geoorloofd’. Dat komt 'omdat de talrijke “voorzieningen” en “garanties” (verzekeringen) alle risico’s, hebben doen verdwijnen’ en daarom 'weten de mensen niet wat ze met hun nieuw verworven vrijheden moeten beginnen’. Voeg daarbij zijn kritiek op de tomeloze verheerlijking van de sport, op het gebrek aan stijl in het openbare leven en op een doorgeschoten individualisme, en we hebben de canon van het cultuurpessimisme compleet.
Gezien deze worsteling in de jaren na 1933 is het niet verwonderlijk dat Wolf geestverwanten zoekt in zijn omgeving. Zo is hij secretaris van het Nederlandsch Comité van Kunstenaars en Intellectueelen voor den strijd tegen de Duitse terreur, dat al op 10 juli 1933 wordt opgericht tijdens een vergadering in Krasnapolsky. Het is een onderafdeling van het International Relief Committee for the Victims of Hitler Fascism, waarvan Albert Einstein een van de voorzitters is.
Uit een geheim bericht van de Centrale Inlichtingendienst - de voorloper van de naoorlogse BVD - blijkt dat in die kringen wantrouwig naar het comité werd gekeken, zeker nadat de toenmalige minister-president Colijn heeft laten weten er een communistische mantelorganisatie in te zien. Ook de secretaris, Herman Wolf, ontsnapt niet aan de aandacht van de inlichtingendienst. In een ambtsbericht lezen we onder meer dat hij is benaderd: 'Dr. H. de Wolf (zijn naam wordt consequent verhaspeld - ps) ontkende beslist, dat de communisten, middels dit Comité, politieke actie tegen de Duitsche Regeering wilden voeren.’
Het bericht vervolgt: 'Toen hem werd gewezen op de aanwezigheid in het bestuur van den communist D.G. Gortzak, e.a., verklaarde hij: “Dan zullen wij hen daaruit verwijderen.”’ Helemaal zeker van hun zaak waren ze niet, want de slotsom verraadt in ieder geval twijfel over de loyaliteit van Herman Wolf: 'De vraag, of hij inderdaad communist is, of althans met de communistische ideeën sympathiseert, is gegrond.’ Jarenlang keert zijn naam terug in allerlei rapporten over 'linkse organisaties’.
Voor Herman Wolf geeft het comité, en later het Comité van Waakzaamheid, waar hij nauw bij betrokken is, uitdrukking aan zijn groeiende ongerustheid over de ontwikkelingen in Duitsland. Bij hem geen illusies over een mogelijk vergelijk en al helemaal niet over de mogelijkheid om veiligheid te vinden in een neutrale opstelling. Hij is vanaf januari 1933 gealarmeerd en veel van zijn vrienden hebben dat aan hem gezien, zoals Dirk Loenen, die schrijft: 'De zorgen die zich op hem afteekenden in de laatste jaren, waren voor mij de zorgen van een groote categorie, wier slagen mij steeds weer ineen doen krimpen.’
Daarbij speelt zijn joodse achtergrond natuurlijk een rol, al schrijft hij er nooit expliciet over. Zijn dochter, Ina Wolf, herinnert zich: 'Hij zei: “Als ik ooit bij de hemelpoort kom is het eerste wat ik aan de lieve heer vraag wat hij toch ooit met de joden heeft voorgehad.”’
Iets eerder, in het najaar van 1935, heeft Wolf een oproep gedaan aan de vermaarde schrijver Stefan Zweig om zich - net als Roman Rolland in de Eerste Wereldoorlog - uit te spreken tegen het opkomende gevaar uit Duitsland. Wolf kent Zweig, niet alleen uit brieven en boeken over en weer, maar ook doordat hij verschillende bundels van de Oostenrijkse schrijver heeft samengesteld.
Het antwoord van Zweig is van een onverbiddelijke zwartgalligheid: 'Een protest, zoals u het voorstelt, heeft helemaal geen zin. Een van de successen van de dictatuur is dat ze de invloed van de zogenaamde intellectuelen heeft verzwakt en brutaal laat zien dat ijzer sterker is dan papier.’ Dat is een verwijzing naar wat hij kort daarvoor had geschreven: 'Wat heeft het voor zin om te proberen met een stuk papier een aanstormende trein tegen te houden?’ Zweig vervolgt zijn brief met een lange beschouwing waarom de joden aan zichzelf zijn overgeleverd en hij noemt de verdeeldheid van de joodse gemeenschap een 'historische schuld’.
Deze verwijzingen naar de onmacht van het humanistische ideaal tegenover een beroep op de symboliek van 'volk’ en 'vaderland’ vormen ook een vraag van onze tijd, misschien wel de vraag van onze tijd. Net zoals de strijd over de betekenis van de Eerste Wereldoorlog - een botsing van beschavingen of juist niet? - terugkeert in het meningsverschil over de duiding van de oorlogen van nu. Het tekent het gevoel van onkwetsbaarheid van een generatie - van mijn generatie - dat te lang is gedacht dat deze vragen achter ons lagen. Het werk van Herman Wolf is doordrongen van een dwingend inzicht: inderdaad, het humanisme is altijd ook een pessimisme.

Een weemoedig
voorrecht
De druk van de omstandigheden neemt aan het eind van de jaren dertig steeds verder toe en vreet aan het weerstandsvermogen van Herman Wolf. Een citaat van Kierkegaard dat hij in een van zijn vroege opstellen aanhaalt kan in die laatste jaren van zijn leven gelden als een omschrijving van zijn gemoed: 'Over mijn ziel broeit een benauwenis, een angst, gelijk het voorgevoel van een aardbeving.’ Hij voorvoelt, nee weet zeker dat het antisemitisme niet zal stoppen aan de Duitse grens.
Wolf gelooft helemaal niet in de afzijdigheid van Nederland, die tot zoveel morele halfslachtigheid leidde. In de loop van de oorlog werd voor iedereen zichtbaar dat de neutraliteitspolitiek had gefaald. Het is geen toeval dat '40-'45 wel in de herinnering is blijven hangen en de jaren '33-'40 niet. Door de bezetting kon het zelfbeeld van een kleiner land dat slachtoffer is van de omstandigheden worden geschraagd. De neutraliteit ondermijnde dat zelfbeeld, want de keuzes die werden gemaakt in de jaren vóór de oorlog konden niet zo gemakkelijk worden gerechtvaardigd door dwang.
De bezettingsjaren zijn wel opnieuw bezien en vooral de ruime mate van meewerking aan de jodenvervolging. Ook Wolf zal niet ontsnappen. Aan het einde van het eerste oorlogsjaar wordt hij gedwongen zijn leraarschap aan de Openbare Handelsschool neer te leggen. Het is een kwestie van tijd dat ook joodse kinderen niet meer worden toegelaten. Dat gaat niet vlot en op 5 september laten Voute, inmiddels burgemeester van Amsterdam, en gemeentesecretaris Franken weten: 'Bij dezen deel ik U mede, dat ik er geen bezwaar tegen heb, dat joodsche leerlingen (…) nog tot einde September als gasten tot Uwe school worden toegelaten.’ Een gebaar waaraan onmiddellijk een voorwaarde wordt toegevoegd: 'mits voor hen (…) door de Gemeente geen boeken c.q. leermiddelen hoeven te worden aangeschaft.’
Ook de leermiddelen worden gekuist. Op een lijst van de O.H.S. vinden we de boeken terug die bij het vak Hoogduitse taal- en letterkunde werden verboden. Daaronder de twee deeltjes Moderne Deutsche Erzähler, een Kleine Deutsche Literaturgeschichte en twee delen Ausgewählte Prosa van Stefan Zweig, en ten slotte Illustrierte Geschichte der deutschen Literatur - allemaal samengesteld en geschreven door Herman Wolf. Verder wordt onder meer Nathan der Weise van Lessing afgevoerd.
Met leerlingen en lesstof verdwijnen uiteindelijk ook de leraren. Wolf moet - net als zijn collega’s Sem Dresden, M.J. Belinfante en vele anderen - met ingang van het schooljaar '41-'42 les gaan geven op de Joodsche H.B.S. aan de Mauritskade 24, een school waar hij meer dan twintig jaar eerder al korte tijd les had gegeven.* Als hij thuiskomt na de laatste dag op zijn oude school vertelt hij triomfantelijk hoe hij de deur heeft opengegooid tegen de rug van een Duitse soldaat die daar op wacht stond. Hij is doodsbang.
In het najaar van 1941 wordt Wolf ziek. Wie kan zeggen hoeveel de omstandigheden daaraan hebben bijgedragen? Zeker is dat hijzelf al vroeg sprak over het begrip van Freud: 'Flucht in die Krankheit’. Ina Wolf maakt hem in die laatste maanden van nabij mee: 'Hij was heel erg afwezig, nam een boek in zijn hand, had het opengeslagen en dan zag je dat het niet meer tot hem doordrong. Het waren handelingen die nog te maken hadden met de tijd dat je het nog kon bevatten.’ Niet lang daarna wordt bij hem een hersentumor vastgesteld die razendsnel om zich heen grijpt en binnen enkele weken zijn vermogen tot denken in de wortel aantast.
Op 27 mei 1942 overlijdt Herman Wolf. Kort voor zijn overlijden - om precies te zijn op 3 mei - was het dragen van een ster verplicht gesteld. Ina Wolf: 'Het was schokkend om te zien hoe die mensen daar stonden met hun gele ster. Ik was blij dat mijn vader dat niet meer had meegemaakt. Ik wist: hem kan niets meer overkomen.’ Dat het concentratiekamp hem bespaard is gebleven, is wat velen schrijven of onhandig suggereren, zoals Eva Bendien uit Almelo: 'Deze nare gedachten hoeft U gelukkig niet te hebben, maar dat is maar een schrale troost, zoals er tegenwoordig zoveel schrale troosten gegeven worden.’ Ze voegt er nog vergoelijkend aan toe: 'Hier in Almelo gebeuren ook nare dingen, maar we zien weinig Duitsers, dat maakt al veel verschil.’
De condoleancebrief van zijn vriend Herman Pos, hoogleraar filosofie in Amsterdam en voorzitter van het Comité van Waakzaamheid, is de mooiste van allemaal. Pos was opgesloten in het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel. In een brief van 2 juni 1942 die als postadres heeft: Sicherheitspolizei in ’s-Hertogenbosch, schrijft hij: 'Ja, we hebben in al die jaren veel aan elkaar gehad en veel van elkaar geleerd, en het ondoorgrondelijke lot wil, dat nú dankbaarheid te uiten óns weemoedig voorrecht is. Menselijkheid was de kern van zijn wezen, en wij zijn vrienden zullen hem blijven gedenken in de gezindheid, die hij zelf zo levend heeft uitgebeeld, en waarop ons geloof in de toekomst gegrond is.’
De bezettende macht kijkt over zijn schouder mee en zijn bewoordingen zijn noodgedwongen omfloerst: 'De tijd zal komen - hij is niet ver, geloof ik - dat wij hem ook openlijk zullen herdenken, dat we in het volle licht zullen kunnen zetten wat nu alleen gefluisterd mag worden. Als het zo ver is, zullen we het opnieuw smartelijk voelen, dat hij en anderen niet meer bij ons zijn.’


Dit is een verkorte weergave van het college dat Paul Scheffer gaf bij zijn afscheid op 29 september als bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1 september is hij hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Tilburg.

* In de archieven is weinig tot niets te vinden over de Joodsche H.B.S. aan de Mauritskade 24. Ik kom graag in aanraking met mensen die op deze school gezeten hebben of op een andere manier over informatie beschikken (PS)