Alles draait om angst

Clichés krijgen geen enkele kans in het werk van Nobelprijswinnares Herta Müller. Tussen de regels door klinken de meest gruwelijke slachtpartijen.

Medium herta muller

Ze slaat een schrijversleven lang op dezelfde trom, zou je kunnen zeggen, ware het niet dat dat ietwat oneerbiedig klinkt. Ze is geobsedeerd, dat is misschien een betere formulering. ‘Sommige schrijvers hebben maar één thema’, zegt ze zelf. ‘Bij mij gaat het altijd om Grundverletzungen, om individuen wier leven in de kern is verwoest.’ De jury van de Nobelprijs voor de literatuur licht haar uitverkiezing zo toe: ‘Met de concentratie van de poëzie en de zakelijkheid van het proza heeft zij het landschap van de misdeelden getekend.’ Misdeelden, dat is een veel te zacht, on-mülleriaans woord. Monddoodgemaakten, dat komt al meer in de buurt, of gewoon: vervolgden.
Herta Müller (1953) kreeg haar thema met een onverbiddelijke paplepel in de mond gewrikt, als dochter van een oud-SS’er, en burger in een communistische heilstaat. Ze groeide op in het kleine Duitstalige deel van Roemenië dat onder het dictatoriale regime van Ceausescu steeds verder werd teruggedrongen. Het armoedige plattelandsbestaan, het suspecte verleden van de dorpsgenoten, het onderlinge wantrouwen, de immer aanwezige staatsterreur, het komt allemaal in staccato-zinnetjes en verwrongen beeldspraak terug in haar boeken. Moeilijk te doordringen literatuur, waarin geen spatje licht zit, en die vooral lángzaam genoten moet worden. Ze is een dichter die proza schrijft. Van meet af aan is haar werk, dat deels ook in Nederlandse vertaling te verkrijgen is, met veel ontzag ontvangen. Beelden, vergelijkingen en zinnen worden zo verdraaid dat clichés geen enkele kans krijgen. Vaak werkt dat goed, maar soms wordt haar tekst al te duister en gezocht. En een beetje irritant.
Ironisch genoeg rees na de bekendmaking van haar laureaat vrijwel onmiddellijk de vraag of zij wel ‘een Duitse schrijfster’ genoemd kan worden. Ironisch omdat de omgang met het Duits, haar ‘minderhedenduits’ zoals het door Müller zelf wordt aangeduid, een van de terugkerende onderwerpen in haar romans en essays is. Het openingsessay van haar meest recente essaybundel Der König verneigt sich und tötet (2003) is helemaal gewijd aan de problematische definitie van ‘moedertaal’ in haar geval. De taal waarin zij schrijft is haar moedertaal, zoals zij hem heeft leren kennen de taal van een minderheid. Tot aan haar zevende was Duits de enige taal die zij kende; Roemeens kreeg ze als vak op school, als een van de vele vakken. Met behulp van diezelfde taal is ze zich gaan distantiëren van die minderheid. In haar gedichtenbundel Der Wächter nimmt seinen Kamm (1993) heeft ze deze spagaat gevisualiseerd door haar gedichten af te drukken op een soort briefkaarten die in een doosje verpakt zitten. De woorden zijn uit kranten geknipt en achter elkaar geplakt. Het is alsof ze hiermee zegt dat de taal die zij moet gebruiken haar altijd vreemd is gebleven: de Duitse taal uit Duitsland is een andere dan die uit Roemenië. Het neemt niet weg dat Müller inmiddels officieel door Angela Merkel is omhelsd als Duits. Hetzelfde land dat er in 1987 erg lang over deed om haar als nieuw staatsburger op te nemen – Müller stond erop als politiek vluchteling geregistreerd te worden – is nu maar al te trots op weer een Nobelprijswaardige literator.
De debuutroman van Herta Müller, Niederungen (1982), te vertalen als Alledaagsheden, verscheen in Roemenië, maar werd aldaar onmiddellijk tot verboden literatuur verklaard. Vrienden smokkelden het manuscript het land uit, opdat het twee jaar later in een ongecensureerde versie in de Bondsrepubliek kon verschijnen. In de fragmentarisch opgezette roman wordt de vader vanuit het perspectief van een kind om rekenschap gevraagd over zijn SS-verleden. Harde, snijdende observaties van een zwijgende samenleving worden afgewisseld met poëtische evocaties van een verloren landschap. De toon is consequent naïef, maar de gedoseerde manier waarop Müller de meest gruwelijke slachtpartijen en venijnig psychisch geweld tussen de regels door laat plaatsvinden is uiterst geraffineerd.
‘Wij leefden in een compleet geïsoleerde wereld’, vertelde Müller over haar jeugd in de Banaat. ‘De dorpelingen dachten nog steeds in de denktrant van het fascisme, sinds de oorlog was er niets veranderd. Thuis werd nergens over gesproken, en natuurlijk werd ik daardoor erg wantrouwig tegenover mijn omgeving, en zeer woedend ook.’ Van haar ouders zag ze niets anders dan opportunisme: ‘Ze hebben het mij ook bijgebracht als levenswijsheid. Je klein maken, niet opvallen, dan gebeurt er niets. Al wat er uit de grijze massa oprijst, is gevaarlijk.’
Op haar vijftiende vertrok ze. Van 1973 tot 1976 studeerde ze germanistiek en romanistiek in Timisoara, de hoofdstad van de Banaat. Ze sloot zich aan bij een linkse politieke groepering van Duitstalige schrijvers die streed voor mensenrechten en ‘het ware socialisme’, was vertaalster van technische handleidingen in een fabriek en later lerares op een middelbare school.
In haar tweede roman, De mens is een grote fazant (1986), keert ze terug naar haar geboortestreek. Weer die ogenschijnlijk simpele zinnetjes als uit een Duits leerboek: ‘De mijn was zwart. De schop was koud. De kolen waren zwaar.’ Het is het verhaal van molenaar Windisch, die jarenlang bezig is de juiste papieren te krijgen om met vrouw en dochter naar Duitsland te kunnen vertrekken. Uiteindelijk zwicht hij voor de corruptie, en prostitueert hij zijn dochter.
Uit de romans die volgden valt enigszins op te maken hoe het Müller en haar vrienden is vergaan onder het communistische bewind van Ceausescu. Niet in de zin van spannende verzetsverhalen of beklemmende verslagen van verhoren of martelingen, maar op een veel abstracter en tegelijkertijd dagelijkser niveau. Zoals ze een Nederlandse journaliste toebeet tijdens een interview: ‘In een democratisch land denkt men altijd aan heel spectaculaire dingen, maar in een dictatuur is elke kleinigheid genoeg om te worden beschuldigd. Ik heb lesgegeven op scholen. Ik heb nooit een Ceausescu-gedicht behandeld. Ik heb nooit een partijzitting bijgewoond. Ik heb mijn mening gezegd. Dat is alles. Gelooft u dat dat niet genoeg is? Men is toch niet alleen schrijver! Er zijn ook schrijvers die het systeem hebben ondersteund! Een schrijver staat niet gelijk aan een dissident!’
In haar werk draait alles om angst. In een onderdrukte samenleving waarin niet openlijk gesproken kan worden en ieders lot door willekeur bepaald wordt, heerst de angst. In de kern gaat het bij Müller altijd over het onvermogen om in een van angst en repressie vervulde samenleving een identiteit te verwerven. Zelf ervoer ze aan den lijve hoe angst observaties vervormt en de bodem uit het bestaan doet verdwijnen: ‘Het ergste is dat je de wereld niet meer kunt zien zoals hij is, je snapt er niets meer van. Je ziet, je hoort, maar eigenlijk is alles anders. Iedere dag zat ik sidderend in de kamer als ik het portier van een auto hoorde dichtvallen. Nu komen ze me halen, dacht ik.’
Haar beste, en ook meest toegankelijke, romans zijn wellicht Hartedier (1996) en Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen (1997). In haar vroegere werk leek ze letterlijk ondergronds te gaan, met moeilijk te ontdekken verwijzingen naar de politieke situatie in Roemenië. Die maken een aantal van haar romans uit de jaren tachtig tot puzzels voor ingewijden. Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen is echter het heldere relaas van een vrouw die rond achten ’s ochtends de tram neemt in een Oostblokland en zo’n twee uur later uitstapt, bij het bureau van de geheime politie waar ze wordt verwacht. Tegen die tijd kent de lezer niet alleen alle medepassagiers van de vrouw, maar ook haar eigen leven dat ze in gesprek met zichzelf in brokstukken naar boven haalt.
In Hartedier, in het Engels verschenen als The Land of Green Plums, waarmee Müller de IMPAC Dublin Literary Award won, gaat het om de ravage die de dictatuur aanricht in de levens van een groep jonge mensen. Müller schetst een inktzwart beeld van het sterfhuis dat Roemenië is. Al van kinds af aan is de vertelster geobsedeerd door doodsangst. ‘Vader draagt zijn kerkhoven onder aan zijn hals, daar waar tussen kraag en kin zijn adamsappel staat. Ik werd zijn kind en moest groeien tegen de dood in.’ Liefde en vriendschap worden onherroepelijk kapotgemaakt, iedereen maakt vuile handen, inclusief de vertelster zelf. De studenten lezen verboden boeken, proberen lijsten met namen naar mensenrechtenorganisaties te smokkelen, helpen dwangarbeiders vluchten en worden door de geheime dienst opgejaagd, verhoord, gemarteld. Ook na hun studie blijven ze in de greep van de Securitate, de Roemeense geheime dienst. Twee van hen plegen zelfmoord, eentje terwijl hij al in Duitsland zit. ‘Georg lag zes weken na zijn vertrek op een vroege ochtend in Frankfurt op de stoeptegels. Op de vijfde verdieping van het opvangcentrum stond een raam open.’
Zoals Müller haar verhaal vertelt, in bezwerende herhalingen en met horten en stoten, wordt haar roman nergens een plat realistische aanklacht. Eerder is het alsof zij vanuit een schemertoestand, ergens tussen waken en dromen in, een hallucinerende angstdroom naar het oppervlak brengt. Met net genoeg houvast voor de lezer om niet even reddeloos als de personages ten onder te gaan.
In interviews heeft Müller het nodige toegelicht over de autobiografische achtergronden van haar werk, maar daarbij benadrukte ze telkens het exemplarische van haar fictie: ‘Ik schrijf natuurlijk niet alleen over Roemenië. Roemenië fungeert als ondergrond. Dictatuur is mijn thema. Ik schrijf over mensen, individuen, in een door en door gecontroleerde samenleving. Ik hoop dat veel ervan geldig is voor heel andere situaties, want dictaturen hebben iets paradigmatisch. Ze zijn de uitzondering of het exces van wat in een democratie ook altijd en overal aanwezig is.’
Pas zeer onlangs gaf Müller uitgebreid en gedetailleerd opening van zaken over de naakte feiten van de dagelijkse staatsterreur die ze tot 1987 aan den lijve had ervaren, in een groot stuk in Die Zeit. Emigreren was nooit een optie (‘wie moet het dan doen?’), tot ze geestelijk en lichamelijk niet anders kon dan asiel aan te vragen, samen met haar toenmalige echtgenoot en haar moeder. Na de val van Ceausescu, drie jaar later, heeft ze jaar in, jaar uit geprobeerd inzage te krijgen in de archieven van de Securitate. Pas afgelopen voorjaar kwamen de mappen boven water die waren opgeborgen onder de noemer ‘Aktionsgruppe Banat’. Hiertoe behoorden de Roemeens-Duitse schrijvers, en dus ook Herta Müller. Op onderkoeld woedende toon beschrijft Müller hetgeen haar onder ogen komt als ze haar eigen map doorwerkt, opgeborgen onder de naam ‘Cristina’, drie delen, 914 pagina’s dik. Een behoorlijke omvang, en toch is alle substantiële inhoud eruit verdwenen dankzij de ijverige SRI, de huidige Roemeense veiligheidsdienst die volgens Müller de werkzaamheden van de oude Securitate deels verdoezelt, deels voortzet. Alles wat ze wél terugvindt, maar vooral wat ze níet terugvindt, vormt voor Müller eens en voor altijd aanleiding het geleden leed, de pesterijen op het werk, de gedwongen ontslagen, de beste vriendin die verraadster bleek, bijna ambtelijk en droog over het voetlicht te brengen. Bijna, want de pijn en de vernedering liggen dicht aan het oppervlak.
Zoals ze zelf zei na het verschijnen van Hartedier: ‘Ik geloof niet dat het einde van de dictatuur samenvalt met het einde van de pijn die ze heeft aangericht. Alles wat de vernietiging van de mens betreft, duurt voort. Vaak worden we ons daar juist scherp bewust van als de dictatuur er niet meer is, als we lucht krijgen en tijd om na te denken.’

Bij De Geus verschenen in de vertaling van Ria van Hengel De vos was de jager (1993), Hartedier (1996) en Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen (1999). Herta Müllers nieuwste roman, Atemschaukel, verscheen dit jaar in Duitsland en is genomineerd voor de Deutscher Buchpreis. De vertaling, weer van Ria van Hengel, wordt in het voorjaar gepubliceerd. De roman wordt volgende week hier besproken