Alles draait om seks

Femininmasculin, le sexe de l'art. Parijs, nog t/m 12 februari.
Het lijkt een onmogelijke opgave, te schrijven over de monstertentoonstelling Femininmasculin, le sexe de l'art in het Centre Pompidou. Omdat dit pas het eerste bedrijf is van een tentoonstellingscyclus onder de noemer Passage du Siecle, een grandioze poging deze eeuw te resumeren. Omdat al die werken van beroemde meesters uit de twintigste-eeuwse beeldende kunst over de onderbuik gaan, waar een kritische pen per definitie niet aan te scherpen is. Omdat er ten slotte in het voorbijgaan zoveel psychoanalyse en neurosenleer over je wordt uitgestort, dat iedere denkbare reactie bij voorbaat psychisch kan worden geduid. De tentoonstelling is een divan, en de werken zijn de afbeeldingen in een psychiatrische symptomatologie.

De organisatoren hebben er veel aan gedaan de stof afstandelijk te presenteren aan de hand van vijf thema’s. De tentoonstelling begint met het geslacht zelf: l'origine du monde. Alles is obsessief, al was het maar, bij al die details, om elke associatie met routineuze pornografie te vermijden. Het tweede deel gaat over de wijze waarop kunstenaars de geslachtelijke identiteiten hebben gemaskeerd en omgekeerd. Travestieen alom.
Vervolgens is de lustvolle blik aan de beurt. Het (mannelijk) oog dat steeds wordt belemmerd door verbod en taboe, uitmondend in castratieangsten. In het vierde deel wordt het spel gespeeld van aantrekking en afstoting, de oorlog der seksen, het onbegrip, het geweld maar ook de onvermijdelijke hereniging. Tenslotte nog een korte toegift over hoe in deze eeuw de universele thema’s van vruchtbaarheid, materniteit en, vooruit, liefde, zijn verbeeld.
Alles bij elkaar krijgt de tentoonstelling een nogal antropologisch karakter. Seksualiteit door de decennia heen, zoiets. De eindeloze aaneenrijging van scandaleuze beelden is elk schandaal voorbij. De wetenschappelijke benadering staat garant voor respectabiliteit. Menig werk in het overzicht wekte ooit openlijke censuur op. Nu is het voldoende om een bordje bij de ingang te plaatsen waarop het publiek wordt gewaarschuwd voor kwetsende beelden. Voor de hand liggend gevolg: het loopt storm.
Maar er is met dit rappel a l'ordre van de kunstgeschiedenis meer aan de hand. Het is opvallend hoe sterk de Amerikaanse theoretici in de catalogus zijn vertegenwoordigd. Het is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk dat Frankrijk, volop bezig met haar politieke onafhankelijkheid, voor een overzicht van deze eeuw haar toevlucht zoekt tot een groep Amerikaanse intellectuelen wier wetenschappelijke doorwrochtheid omgekeerd evenredig is aan hun maatschappelijke marginaliteit. Deze theoretici bezwijken haast onder hun last van semiotische, poststructuralistische en psychoanalytische repertoire. Weliswaar is een van hun belangrijktse inspiratiebronnen de Franse filosoof Deleuze, maar diens roem in eigen land gaat niet zelden via Princeton. Zijn uiterst subtiele denkbeelden ontaarden in de Amerikaanse context niet zelden tot een academische mantra. Zijn ideeen over hybriden, schizofrenen en overige cadavres exquis worden gepopulariseerd tot een orgie van enerzijds en anderzijds. Uiteindelijk gaat generzijds er mee heen. Dan begint het liedje weer van voren af aan.
Voor wie langs de werken loopt en al die grote namen tegenkomt, lijkt de abstracte kunst en haar spirituele ambities een marginaal verschijnsel geweest. Waar het werkelijk om ging, gaat en zal gaan is seks. Niet Marx, niet Krishnamurti, niet Baudrillard hebben geinspireerd maar Sigmund Freud. Alles, echt alles is verwrongen libido. Met de ontdekking van het concept sex is alle kunst seksueel. En hoewel de psychoanalyse als therapie een kwijnend bestaan leidt, is zij als begrip van de wereld springlevend. De kunst wordt een illustratie en voor zover kunst en leven gelijk zijn, is ook dat leven een illustratie van de theorie. Ik geloof dat we inmiddels wel genoeg eer aan Wenen hebben bewezen.