Euripides, Verzameld werk

Alles gaat kapot

Drie vertalers werken aan de aangrijpende tragedies van Euripides, de enige van de Atheense theatermakers die echt begrepen heeft hoe mensen onder zware druk handelen en spreken. En Gerard Koolschijn wint.

Literatuur is filosofischer dan geschiedschrijving, zegt Aristoteles, omdat zij niet gaat over wat er gebeurd is, maar over wat er zou kunnen gebeuren. Hoe algemener de inhoud van een gedicht, roman of toneelstuk, des te meer mensen zullen zich erin kunnen herkennen. Om die reden behoort noch de romancyclus van J.J. Voskuil, noch het vormingstoneel uit de jaren zeventig tot de literatuur: ze nemen niet voldoende afstand tot de werkelijkheid. Ook de gedichten die Hans Vlek en Cees Buddingh’ in die jaren schreven, zullen nooit een klassieke status verwerven, omdat ze voortdurend verwijzen naar een realiteit die, als ze niet al verdwenen is, in elk geval over honderd jaar geen enkele herkenning meer zal oproepen. Toch is het natuurlijk niet zo dat het verhaal van een roman of toneelstuk zo abstract gehouden moet worden dat er geen leven meer in zit. Het algemene dient concreet gemaakt te worden aan de hand van wezens van vlees en bloed. Aangezien de mens traag evolueert, zullen boeken waarin het menselijk tekort in al zijn verschrikkelijkheid wordt uitgewerkt ook over duizend jaar nog te begrijpen zijn.

Er is alle reden om aan te nemen dat zowel tekstover leve ring als canonvorming van allerlei toevalligheden afhankelijk is, anders valt niet te verklaren waarom uit de klassieke oudheid bijvoorbeeld wel het goeddeels onleesbare proza van Ploutarchos maar niet de verzamelde gedichten van Sappho bewaard zijn gebleven. Maar sommige oeuvres zijn zo onwrikbaar van kwaliteit dat je je op geen enkele manier kunt voorstellen dat ze niet overgeleverd zouden zijn. Dat geldt voor het merendeel van de bewaard gebleven tragedies van Aischylos, Sophokles en Euripides. Uiteraard zijn die teksten, verankerd in de Atheense samenleving van de vijfde eeuw voor Christus als ze waren, voor een deel tijdgebonden, maar omdat ze in pregnante, vaak hoogst poëtische taal dilemma’s aan de orde stellen die wij nog steeds niet hebben opgelost en vermoedelijk nooit zullen oplossen, vertegenwoordigt dit corpus een eeuwigheidswaarde die alleen te vergelijken valt met die van de Ilias en Odysseia, de bijbel, de Divina Commedia van Dante en de tragedies van Shakespeare. Noch Plato, noch Vergilius, noch Goethe kan daar tegenop.

Van de drie Atheense theatermakers is Aischylos de grootste politieke denker en de meest barokke dichter, Sophokles de meest beheerste en de meest religieuze dramaturg, maar is Euripides de enige die echt begrepen heeft hoe mensen onder zware druk handelen en spreken. Het gaat te ver hem een realistisch psycholoog te noemen, want daarvoor reageren zijn personages vaak te extreem, zijn de omstandigheden waarin ze terechtkomen te uitzonderlijk en klinken de monologen te retorisch, maar dat hij in essentie gezien heeft wie wij zijn, is zonneklaar.

Aristoteles, de eerste grote theoreticus op het terrein van de theaterwetenschap, had bezwaren tegen enkele van Euripides’ plots. Zo vertonen verhaallijnen nogal eens losse eindjes, gebeuren er soms wel erg onwaarschijnlijke dingen die door niets in het voorafgaande zijn gemotiveerd, en maakt de dichter zich er geregeld van af door aan het eind van zijn stukken een deus ex machina te laten optreden, een god die, letterlijk door middel van een machine op het dak van het toneelgebouw gehesen, nog gauw even alle verwikkelingen moet ontwarren. Heeft Aristoteles misschien gelijk als hij vindt dat zo’n goddelijke ingreep aan het slot een zwaktebod is, geen toeschouwer of lezer zal zich er druk over maken, want bij Euripides gaat het niet om de plot, maar om de personages, niet om de afloop, maar om de ontzettende woorden die verscheurde mensen elkaar naar het hoofd slingeren. Bij Euripides gaat alles kapot, ook in de stukken die goed aflopen.

Een jaar geleden verscheen het eerste deel van Euripides’ verzameld werk in de vertaling van Gerard Koolschijn, inmiddels is er een tweede deel en later dit jaar zal het derde en laatste deel in de winkel liggen. Maar niet alleen Koolschijn is bezig met de complete Euripides, ook uitgeverij Ambo blijkt een dergelijk project op het programma te hebben staan. Twee Vlaamse vertalers, Willy Courteaux en Bart Claes, publiceerden onlangs hun derde vertaling in wat eveneens een verzameld werk moet worden. Twee van de in hun boek opgenomen stukken staan ook in dat van Koolschijn, zodat we de vertalingen kunnen vergelijken.

De zes tragedies die Koolschijn ons biedt, beleefden hun première tussen 422 en 412 voor Christus, dat wil zeggen tijdens de Peloponnesische oorlog. Was Athene aan het begin van dat conflict, in 431, nog een mogendheid waar niemand in het Middellandse-Zeegebied omheen kon, in 412 begon de definitieve nederlaag tegen het militair veel handiger opererende Sparta zich al af te tekenen. Athene was terecht trots op haar unieke democratie, maar juist de onvoorspelbare kanten daarvan leidden tot chaos, paniekerige ad-hocbeslissingen en gevaarlijke demagogie. In 404 was de stad een schim geworden, een monument van binnen zeer korte tijd vergane glorie.

Deze teloorgang wordt enigszins weerspiegeld in de drama’s van Euripides. Omstreeks 422 schreef hij zijn Smekende moeders, een van zijn zwakkere stukken, dat inderdaad nooit meer gespeeld wordt. Maar bij een dichter van dit kaliber is ook het mindere werk de moeite van het lezen waard. Na de ondergang van een leger dat verzameld was om de stad Thebe in te nemen, weigeren de Thebanen de lijken van hun tegenstanders voor crematie vrij te geven. Een groep vrouwen, moeders van de gevallenen, verzoekt de stad Athene de Thebanen er, desnoods kwaadschiks, toe te bewegen alsnog een begrafenis toe te staan, en de Atheense vorst Theseus voelt daar wel wat voor. Wanneer een gezant uit Thebe Theseus komt vertellen dat een eventuele actie als oorlogsverklaring zal worden opgevat, sterkt dat de Atheense leider in zijn vastberadenheid.

Zijn woorden tot de Thebaanse gezant kunnen opgevat worden als een krachtig pleidooi voor de Atheense democratie — een anachronisme uiteraard, maar des te vleiender voor Euripides’ publiek. Doordat in Athene de wetten zijn vastgelegd, zegt Theseus, hebben de rijken en de zwakkeren gelijke rechten. Armen kunnen het winnen van de rijken, iedereen wordt gestimuleerd zich in te zetten voor de maatschappij. Maar de Thebaan gelooft er niet in: «Als het volk eenmaal mag stemmen over oorlog, houdt geen mens meer rekening met zijn eigen dood. Dat ongeluk schuift hij op anderen af. Als ieder die zijn stem uitbracht de dood voor ogen had, zou Hellas nooit in oorlogswaan ten onder gaan.» Het is de strenge koning die de massa’s voor dergelijke hysterie moet behoeden. Vanzelfsprekend houdt Theseus voet bij stuk. Hij belegert Thebe maar verwoest het niet, verzamelt de lijken van de gevallenen en toont zich op die manier een mild en humaan bestuurder. Dit is zeker geen pacifistisch, eerder een patriottistisch stuk.

Dat is anders bij Trojaanse vrouwen uit 415, waarin de val van Troje op een dermate aangrijpende wijze is neergezet dat je er misselijk van wordt. Toen deze tragedie een aantal jaren geleden door een gelegenheidsformatie van het Zuidelijk Toneel en Hollandia werd gespeeld (met Frieda Pittoors en Elsie de Brauw), verlieten de toeschouwers na afloop emotioneel gesloopt het pand.

In Iphigenia in Taurië zingt een koor van krijgsgevangen Griekse vrouwen over het onstilbare verlangen naar hun vaderland. De vrouwen vergelijken zich met de alkyon, een vogel die gewoonlijk met de ijsvogel wordt geïdentificeerd en volgens de gangbare mythologie op zee woont. Dit is een letterlijke vertaling: «Vogel, die bij rotskammen van zee, alkyon, je noodlotslied zingt, een voor begrijpenden begrijpelijke kreet, omdat je steeds in gezangen om je echtgenoot krijst, ik, ongevleugelde vogel, leg mijn klachten naast jou, verlangend naar de feesten van de Grieken, verlangend naar barensgodin Artemis.»

Het Vlaamse duo maakt daar het volgende van: «Alcyon, vogel die nestelt op de rotsen bij de zee/ en daar je droevig lot bezingt,/ zij die treuren om het verlies van een geliefde man/ begrijpen al te goed je smartelijke kreet./ Ik, Alcyon zonder vleugels, stem met je treurzang in,/ ik die hunker naar de Griekse feesten/ en naar Artemis, hoedster van de zwangere vrouwen.» Afgezien van het feit dat «Alcyon» een noot behoeft en dat zwanger zijn echt iets anders is dan een kind baren, is het duidelijk dat dit hortende proza geen vertaling is, maar een parafrase voor gymnasiasten.

Koolschijn doet dit: «Vogel die hoog boven zee/ langs de klippen een klacht/ om je leven uitzingt,/ een herkenbare kreet/ voor wie hem begrijpt,/ een krijsend gezang om je man,/ ik, ongevleugelde vogel,/ voeg bij jouw klachten de mijne,/ vol heimwee naar Griekenlands feesten,/ vol heimwee naar Artemis, Barensgodin.» Het anapestisch ritme (kort-kort-lang) van de vertaling benadert het Griekse metrum, Koolschijn allitereert en rijmt, neemt de anafoor in de laatste twee regels over en vertaalt bovendien gewoon wat er staat. Het enige wat een kniesoor hem zou kunnen aanrekenen, is dat hij de ijsvogel niet noemt, zonder twijfel omdat die informatie voor moderne lezers alleen maar verwarrend zou zijn, en dat hij «begrijpelijk» in «herkenbaar» verandert.

Ook in dialoogpartijen wint Koolschijn het ruimschoots van zijn concurrenten. Euripides was een meester in de zogenaamde stichomythie: een scène waarin twee personages om en om een regel uitspreken, vaak zo snel dat ze elkaar in de rede vallen en elkaars zinnen aanvullen. In zo’n flitsende passage moeten de regels ongeveer even lang zijn, anders gaat het hele effect verloren. In Ion praat de gelijknamige tempeldienaar met Kreousa, zonder te weten dat zij zijn moeder is. Zij komt de orakelgod Phoibos Apollon vragen of het kind dat hij bij haar heeft verwekt en dat zij te vondeling heeft gelegd nog in leven is, maar omdat ze zich schaamt voor haar seksuele misstap doet ze alsof ze raad vraagt voor een vriendin. Courteaux/Claes: Kreousa: «Luister dan… Neen, schaamte snoert me de mond.» Ion: «Dan bereikt u niets. Laat u niet verlammen door uw schaamte.» Kr.: «Een vriendin heeft me verteld dat Phoebus haar verleid heeft.» Ion: «Phoebus haar verleid? Vreemdelinge, zeg niets meer.» Kr.: «Ze heeft een zoon gebaard. Haar vader heeft het nooit geweten.» Ion: «Onmogelijk! Een man heeft haar verleid, en ze schaamt zich.»

Koolschijn: Kreousa.: «Hoor dan het verhaal. Maar nee, ik schaam me.» Ion: «Dan zult u niets bereiken. Schaamte is een aarzelaar.» Kr.: «Een vriendin van mij zegt dat ze sliep met Foibos.» Ion: «Een sterfelijke vrouw met Foibos? Zeg dat niet.» Kr.: «En buiten weten van haar vader kreeg ze een zoon.» Ion: «Onmogelijk. Zij is verleid en schaamt zich.»

Het is vervelend om het te moeten zeggen, maar het project van Courteaux en Claes is een heilloze onderneming. Iedere lezer en theatermaker met smaak, kennis van zaken en gevoel voor poëzie zal de komende decennia voor Koolschijn kiezen.

Euripides

Verzameld werk 2

Vertaald door Gerard Koolschijn,

uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 438 blz., € 34,95

Euripides

Hippolytos, Iphigenia in Taurië, Ion

Vertaald door Willy Courteaux en Bart Claes,

uitg. Ambo-klassiek, 226 blz., € 29,90