Alles gaat kapot

PRISTINA, Kosovo - maandag 6 juli. De Amerikaanse ambassadeur Miles: ‘Gisteravond zei de Joegoslavische minister van Informatie op televisie dat de regering erbij gebaat was dat objectieve informatie over de problemen in Kosovo naar buiten zou worden gebracht. Welnu, we zullen ze daarbij een handje helpen. Vandaag reizen we door het gebied om te controleren of de wegen open zijn. Er zijn te veel geruchten. We moeten de situatie in het veld zo goed mogelijk in kaart brengen.’

Na wekenlang politiek geschipper is het eindelijk zover. De eerste Kosovo Observer Mission, waartoe de Amerikaanse troubleshooter Holbrooke had opgeroepen, kan van start gaan. Vanaf het Amerikaanse Informatiecentrum in Pristina vertrekt een lange stoet auto’s van diplomaten en journalisten naar het oorlogsgebied ten westen van Kosovo’s hoofdstad.
HET IDEE IS zo slecht nog niet. In Kosovo gaapt een enorme kloof tussen de situatie ‘op de grond’ en de manier waarop naar een oplossing wordt gezocht. Het Albanese Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) controleert inmiddels meer dan dertig procent van het Kosovaarse grondgebied, maar is niet betrokken bij onderhandelingen. Binnen de LDK, Rugova’s partij - spil in de contacten met Milosevic - heerst onenigheid over de te volgen lijn. Rugova wordt slapheid verweten. Intussen bestrijden Servische troepen van het ministerie van Binnenlandse Zaken, en inmiddels ook het leger, de guerrilla’s met tanks, helikopters en Mig-straaljagers. Milosevic heeft niet alleen de belangrijkste Navo-eis (terugtrekken van de speciale eenheden) naast zich neergelegd, hij voert bovendien openlijk versterkingen aan waardoor de strijd escaleert. Nog steeds worden dorpen met houwitsers en mortieren beschoten. Diplomatieke controle van de werkelijke situatie in Kosovo is dus dringend nodig. Maar veel zin heeft de trip niet. Het is een mediashow, een gevaarlijk toeristisch uitstapje.
Het gevaar schuilt niet in rondvliegende kogels en granaatscherven. Daarvoor passen de diplomaten wel op. Het gevaar is er vooral in gelegen dat de internationals net als in Bosnië schaamteloos misbruikt zullen worden door zowel het UÇK als de Servische autoriteiten. De belangrijkste 'objectieve informatie’ is te vinden in de heuvelgebieden in West-Kosovo waar dagelijks schermutselingen plaatsvinden. Daar zijn de killers van Milosevic’ speciale contra-guerrilla-eenheden - onder meer samengesteld uit ex-leden van Arkans beruchte Tijgermilitie - en goed getrainde UÇK-troepen actief. Beide partijen hebben checkpoints op de hoofdwegen ingericht. Deze eerste Kosovo Observer Mission is niet van plan enig risico te nemen door van die hoofdwegen af te wijken en maakt zich daarmee al bij voorbaat tot speelbal van Serviërs en Albanezen. De missie is niet meer dan een dure picknick in wat in diplomatentaal 'de probleemgebieden’ heet.
Gevolgd door een enorme stoet zenuwachtige journalisten - sommigen hebben het nog niet gewaagd de met Servische troepen volgestouwde hoofdstad Pristina te verlaten - begeeft de Kosovo Observer Mission zich op weg naar Kosovska Mitrovitska (niets aan de hand), Srbica (idem) en Precaze (oud nieuws). Bij de politie-checkpoints wordt de stoet geen strobreed in de weg gelegd. Albanese kinderen langs de weg maken het V-teken.
IN PRECAZE drommen journalisten en diplomaten samen rond de totaal verwoeste woning van de Albanese Jasari-familie. Het dorp is van alle kanten beschoten. Alle huizen zitten vol kogelgaten, butsen van granaatscherven en gapende wonden veroorzaakt door tankgranaten. Hier vonden meer dan vijftig Albanezen de dood na een aanval van Milosevic’ troepen. De doden, waaronder tientallen vrouwen en kinderen, zijn begraven op een heuvel achter het dorp. Elk westers medium dat zichzelf ook maar een beetje serieus nam, heeft de beelden van de slachting in Precaze al maanden geleden vertoond. Als de diplomaten bij het checkpoint Gorna Klina de aanwijzingen van de Serviërs in de wind hadden geslagen en niet links- maar rechtsaf waren geslagen, zouden ze veel versere sporen van Servische agressie hebben aangetroffen. Niet ver van het checkpoint liggen de Albanese dorpjes Zajmovo (Zajm) en Dolovo (Dolovë) en Drenovac (Drenovc). Ze zijn grotendeels verwoest. Er is nauwelijks gevochten, want in de dorpen zaten geen guerrilla’s. De huizen zijn door Servische eenheden in brand gestoken. Op hun dooie akkertje.
De missie had zich maar acht kilometer buiten Pristina moeten begeven om te zien dat de oorlog in Kosovo zich snel ontwikkelt in de richting van een burgeroorlog Bosnische stijl. Tijdens de gevechten van afgelopen week rond de kolenmijn in Belacevac grendelden gemaskerde Servische inwoners van het naburige dorp Obelic de wegen naar het strijdgebied af. Volgens Albanese bronnen namen ze bovendien deel aan de strijd tegen de twaalf UÇK-strijders die zich in de mijn hadden verschanst. Journalisten die poolshoogte gingen nemen, werden door de Servische dorpelingen met stenen bekogeld. Vóór onze auto doemde een razende jongen op (ongemaskerd, in korte broek, slippers aan zijn voeten) met een kalasjnikov. Hij laadde zijn wapen door en dreigde het vuur te openen als we niet maakten dat we wegkwamen. Servische agenten stonden erbij en keken ernaar. De missie van ambassadeur Miles zou ongetwijfeld eenzelfde behandeling ten deel zijn gevallen.
In het dorpje Pantina, ten noorden van Pristina, stonden vorige week Albanese en Servische buren elkaar naar het leven. Dat was Kosovo tot nog toe grotendeels bespaard gebleven. Enkele dagen later maakte het onafhankelijke Albanese dagblad Koha Ditore melding van de verkrachting van twee jonge Albanese vrouwen door Serviërs rond Decani in West-Kosovo. De vrouwen zouden na de verkrachting zelfmoord hebben gepleegd. Het Servische dagblad Blic meldde drie dagen later de Albanese wraak. Het UÇK ontvoerde tien Serviërs. Zes daarvan werden gecastreerd. Eén overleefde dat niet. Zijn familie werd op de hoogte gesteld van de plaats waar zijn lichaam door de guerrilla’s was achtergelaten.
PEC (Pejë), West-Kosovo - donderdag 2 juli. Pec is een belegerde stad, omringd door Servische eenheden. De enige veilige manier om er te komen is via Montenegro, een urenlange omweg. De weg van Pristina naar Pec ligt vrijwel dagelijks onder vuur. Het lukt de Servische troepen maar niet West-Kosovo onder controle te krijgen. Op alle uitvalswegen patrouilleren zwaar bewapende agenten. In de stad zelf is het rustig, maar geen Albanees waagt zich na zeven uur ’s(avonds nog op straat. Te veel van hen zijn hier al spoorloos verdwenen of afgetuigd.
Officieel is het rustig rond Pec, maar twee nachten lang horen we mitrailleurvuur en ontploffingen. Het heeft geen zin iemand te vragen wat er aan de hand is. Het enige antwoord is een vermoeid schouderophalen. Het zou vreemd zijn als hier níet werd gevochten.
Decani (Deçan), zo'n tien kilometer van Pec, is totaal verwoest. Anderhalve maand geleden startten Servische troepen hier een offensief om het UÇK definitief terug te dringen. Het stadje is nu in Servische handen. De meeste inwoners, zowel Serviërs als Albanezen, zijn voor het geweld gevlucht. De overgebleven Servische bewoners hebben hun kapotgeschoten huizen veranderd in bezandzakte forten. Niemand loopt hier ongewapend rond en het wemelt van de politietroepen.
We komen niet ver. Bij het derde checkpoint worden we tegengehouden. Een klein konvooi legergroene pantserwagens passeert. Even later komen twee burgerauto’s aanstuiven. Four wheel drives, geen kentekens. De wagens stoppen naast onze auto. In elke jeep zitten vier bestofte commando’s. Zwarte vegen in het gelaat, één draagt een zwarte zakdoek voor zijn gezicht. De chauffeur van de voorste jeep wijst naar onze auto en gaat tekeer tegen de agent die net bezig was onze papieren te controleren. De agent weet de commando’s te kalmeren. Ze stuiven verder, op jacht naar het UÇK.
RZNIC (Irzniq) - vrijdag 3 juli. In het gemeentehuis van Rznic zetelt nu het lokale UÇK-hoofdkwartier. De commandant is op patrouille. Rznic ligt op drie kilometer van Decani. Het is een koud kunstje om het dorp vanaf Pec te bereiken via landweggetjes. Geen Serviër waagt zich hier. Iedereen die je tegenkomt, is Albanees. En gewapend. Een jongen ploegt een gortdroge akker met een kalasjnikov op de rug. Onderweg zien we provisorisch aangelegde loopgraven, auto’s met UÇK-nummerborden en UÇK-checkpoints. Hier heft men ter begroeting de gebalde vuist. Het V-teken is niet nodig. Dit gebied is al 'vrij’.
Zoals vrijwel alle dorpen in de omgeving is Rznic een guerrillabolwerk. Het dorp wordt bewaakt door UÇK-strijders. Vanuit Rznic vertrekt een patrouille in burgerauto’s zonder kentekens. Op een Toyota-pickup is een zwaar machinegeweer gemonteerd. Het dorp telt vijfhonderd huizen. Zeni, voor de oorlog journalist, vertelt dat de bevolking is verdrievoudigd. Elk gezin heeft wel Albanese vluchtelingen opgenomen. Zeni: 'Hier hebben nooit Serviërs gewoond. Als dat wel het geval was geweest, was hier nu voor hen geen plaats meer. De Servische inwoners uit Deçan nemen deel aan de strijd tegen onze mensen. Hoe kun je dan nog samenleven? Ons dorp is al een paar keer beschoten.’
Met donderend geraas komt een legerhelikopter over. De boordschutter is zichtbaar achter zijn machinegeweer. Niemand zoekt dekking. Er gebeurt niets.
VOLGENS SERVISCHE vluchtelingen heeft het UÇK in Glodane (Gllauxhan), vier kilometer van Rznic, een gevangenkamp voor Serviërs ingericht. Een kilometer voor het dorp is een UÇK-checkpoint, bewaakt door jongens met een rode band om waarop 'UÇK Polizia’ staat. We komen het dorp niet in. Daarvoor moeten we toestemming hebben van de commandant. Maar niemand lijkt te weten wie dat is. Het is in elk geval niet dezelfde als in Rznic, al is hij eveneens op patrouille. We moeten wachten. Wie hier nu precies leiding geeft aan wie, is volkomen onduidelijk.
De jongens bij het checkpoint willen best op de foto. Vijfhonderd meter verderop zit een oude man met zijn geweer onder een boom. Ook hij laat zich rustig fotograferen. Bij het checkpoint vertelt Alban hoe hij bij het UÇK terecht is gekomen. Hij is 26 jaar en draagt zijn kalasjnikov vol trots; het is er een van Joegoslavische makelij, buitgemaakt op Servische troepen. Alban: 'Ik heb geleerd hoe je met zo'n ding moet omgaan in het Joegoslavische leger. Ik heb met de Serviërs tegen de Kroaten gevochten. Deserteren hoefde niet. Ik raakte al in het begin van de oorlog gewond.’ Hij toont het litteken van een schotwond op zijn bovenarm. Alban: 'Toen ik uit het leger werd ontslagen, ben ik naar Duitsland gegaan. Daar heb ik een paar jaar gewoond. Ik ben teruggekeerd zodra ik hoorde over de strijd hier.’
Plotseling klinken schoten, dichtbij. Niets aan de hand, meent Alban. Over de onverharde, stoffige landweg komt met grote snelheid een auto aanscheuren waar het dak vanaf is gezaagd. Er zitten twee geüniformeerde UÇK-strijders in. Misschien commandanten, wie zal het zeggen. Eén richt zijn wapen op me. De ander begint tegen Alban te schreeuwen. Die salueert, doodsbenauwd, en loopt op me af. Hij trekt zijn revolver en zet die tegen mijn hoofd. De dakloze auto scheurt weg. Als de wagen uit het zich is, laat Alban zijn wapen zakken. 'Verschwinden’, bijt hij me toe.
ALS IK DE fotografen heb teruggevonden, blijkt dat zij al eerder de hardcore-strijders in hun vreemde auto waren tegengekomen. Ze hebben onze Albanese tolk in elkaar geslagen. Vervolgens leegde een van de UÇK-helden zijn revolver op de fototassen, tussen de benen van de fotografen. Acht schoten in de ene, zeven in de andere. Alle camera’s en lenzen werden doorboord. Met een gevangenenkamp in de buurt neemt het UÇK blijkbaar geen enkel risico. Net als de observatiemissie van ambassadeur Miles. Al is het hemelsbreed maar veertig kilometer, Glodane ligt héél ver weg van het Kosovo Observation Team in Pristina.