Eva Gerlach, Oog in oog

Alles gaat open

Eva Gerlach

Oog in oog in oog in oog

Uitg. Querido, 54 blz., ƒ29,95

Dichters die zich buiten hun volwassen domein wagen om zich tot een jong publiek te richten, zijn zeldzaam. Ik bedoel dichters die hun eigen idioom trouw blijven. Hans Andreus bijvoorbeeld maakte voor kinderen anekdotische, luchtige en uiterst leesbare versjes, maar het is nauwelijks voorstelbaar dat ze uit dezelfde pen voortkwamen als zijn werk voor volwassen lezers. Serieus maar kortstondig was de poging van Wiel Kusters. Midden jaren tachtig publiceerde hij twee mooie bundeltjes, waarin hij, gesteund door de absurdistische tekenpen van Joep Bertrams, kinderen probeerde te laten wennen aan de grillige beknoptheid van (zijn) poëzie. In 1998 debuteerde Eva Gerlach met Hee meneer Eland als dichter voor kinderen. Ze ontving er een Zilveren Griffel en de Nienke van Hichtumprijs voor. Zojuist verscheen haar tweede bundeltje Oog in oog in oog in oog.

Bij vluchtige beschouwing lijkt met name de woordkeus nogal eens publieksbewust: «bleekscheet», «harses», «tsjakka», «geflipte vogel», «stink ik niet uit mijn giechel». Zulke taal klinkt weinig dichterlijk en nogal geforceerd en komt naar ik weet in Gerlachs grotemensenwerk niet voor. Bij verder en beter lezen biedt het boekje vooral veel moois, dat zijn kracht ontleent aan een precieze waarneming van het alledaagse, waarin voorzichtig een belangrijk gevoel omcirkeld wordt. Zo werkt het op volwassen niveau in de ouderschapsgedichten uit Dochter (1984) of in de indrukwekkende cyclus over de dood van een moeder (Domicilie, 1987), zo werkt het op kinderniveau in de nieuwste bundel waar het jaloezie, identiteitscrisis en verliefdheid betreft. Een verschil in benadering tussen beide lezersgroepen zou kunnen liggen in de zichtbare poging tot luchtigheid in Oog in oog in oog in oog, zoals uit de titel alleen al blijkt.

De onervaren poëzielezer krijgt kleine steuntjes in de rug. De 36 gedichten zijn gerangschikt in zes qua thematiek met elkaar samenhangende afdelingen. Die helpen om de blikrichting te bepalen en poëtische raadselachtigheid makkelijker te lijf te kunnen gaan. Het veelvuldig ontbreken van interpunctie dwingt tot grote aandacht en maakt de lezer door het in zijn hoofd zetten van eigen leestekens min of meer tot medeschepper. Zoals vaak bij poëzie voor kinderen spelen ook hier de illustraties een bemoedigende rol. Sieb Posthuma heeft zijn neiging tot karikatuur bij Gerlachs werk omgebogen naar surrealisme en weet aan sommige van zijn pentekeningen een mysterieuze en fraai verstilde sfeer mee te geven.

In de verhalende cyclus Vlieg op, die handelt over het afgunstig gehakketak van twee zusjes, regeert het magisch denken. De uitroep «vlieg op» wordt werkelijkheid en de vertellende ik begint zich zorgen te maken over de terugkeer van haar zusje: «Er begon iets duns in me te zeuren/ hoe later het werd hoe meer.» In een spectaculaire reddingsactie waar Batman zich niet voor zou hoeven te schamen, wordt het doelloos rondzwevende familielid naar beneden geloodst, waarna het zustergedoe van voren af aan begint. Het «verhaaltje» is grappig en laat toch ruimte voor de onderliggende ingewikkelde gevoelens van jaloezie.

Aandoenlijk zijn de verzen over verwarrende veranderingen — «Een leven waar ik niets van weet moet nog beginnen» — uitmondend in een onvergetelijk beeld van een joggende grootmoeder en kleindochter, die hijgend zoeken naar de kern van het bestaan. «‹Hee oma›, vroeg ik, ‹als ik dus constant verander en dat gaat door/ tot ik sterf wie ben ik dan, wat kan je/ mij noemen.› ‹Ja›, zei ze, ‹we gaan/ snel voorbij maar iets binnenin blijft hetzelfde›.» Er zijn vijf gedichten over het wachten of de Schotse vos zich zal vertonen en over de opwinding van het oog in oog staan, waar de titel van de bundel aan ontleend werd. «Nu moeten we nog oog in oog in oog in oog niet bang en zo/ lang het kan elkaar hier blijven groeten.»

Maar het mooiste is toch de afdeling Lief, waar het zindert van verliefdheid en verwondering daarover. Hier gaat het over «springstof in onze lijven» en over de bibbers voor de eerste zoen «maar iemand moet toch beginnen anders staan we hier straks te sterven van de ouderdom». De liefde is van alle dichters en voor alle lezers, maar Gerlach weet de volwassen toon waarop ze hem bezingt onnavolgbaar kinderlijk te kleuren: «Sinds ik je ken gaat alles niet alleen beter/ maar ook open, naar elkaar open/ als kamers in een huis. Neem een woord bv.: dat elk woord/ altijd een woord op zijn rug heeft dat armen uitsteekt/ als ik met je praat. Dat wist ik dus niet.»