Alles gebeurt op hetzelfde moment

Berlijn Alexanderplatz was de eerste grotestadsroman in de Duitse literatuur. Alfred Döblin wilde een beeld schetsen van het dynamische, chaotische en dissonante stadsleven waarin alles tegelijk gebeurt. Het resultaat: een nerveus en mozaïekachtig beeld van Berlijn.

Medium alfred

Een buitengewoon boek, een mijlpaal in de Duitse literatuur. Minder kun je van deze roman onmogelijk zeggen. Volgens Günter Grass spelen de beste delen zich af in een slachthuis en in een bos waar een van de protagonisten wordt vermoord. De criticus Marcel Reich-Ranicki vond dat de roman een van de mooiste liefdesgeschiedenissen uit de Duitse literatuur bevat. Anderen prijzen het heerlijke taalgebruik, de sfeer in Berlijn aan de vooravond van de Hitlerij.

Alfred Döblins roman Berlijn Alexanderplatz verscheen in 1929, vier jaar voordat de joods-linkse ‘Asphaltliterat’ zijn vaderland halsoverkop moest ontvluchten. Uiteindelijk belandde Döblin in Amerika, waar hij financieel werd ondersteund door zijn literaire tegenpool Thomas Mann en zijn vriend Lion Feuchtwanger. Döblin heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, maar Berlijn Alexanderplatz is – samen met de vroege expressionistische verhalenbundel De moord op een boterbloem – zijn enige werk van blijvende betekenis. Wereldfaam verwierf de nu voor het eerst in een serieuze vertaling verschenen roman vooral door de dertiendelige televisiebewerking van Rainer Werner Fassbinder uit 1980.

Alles draait in Berlijn Alexanderplatz om de voormalige transportarbeider Franz Biberkopf, een dertiger die net een gevangenisstraf achter de rug heeft wegens moord op zijn vriendin. Biberkopf belooft heilig om voortaan ‘fatsoenlijk te zijn’, wat hem aanvankelijk als krantenverkoper en straathandelaar op de Alexanderplatz ook redelijk lukt. Maar gaandeweg raakt de eenzame Biberkopf in de ban van het noodlot en duistere machten, gepersonifieerd door zijn ‘vriend’ Reinhold, het brein achter een inbrekersbende. Tegen zijn wil raakt Biberkopf betrokken bij een inbraak, op de vlucht wordt hij door de demonische Reinhold uit de auto geduwd, waardoor hij zijn rechterarm verliest.

Een vriendenstel ontfermt zich over Biberkopf en bezorgt hem zelfs een toegewijde vriendin, de prostituee Mieze. Nu lijkt alles voorspoedig te gaan tussen de éénarmige pooier en het jonge meisje, dat goed en bloed voor Franz opoffert. Maar Biberkopf raakt opnieuw op het slechte pad, nadat hij weer contact heeft gezocht met Reinhold escaleert de zaak. De jaloerse Reinhold snoept hem zijn vriendin af, die hij even later zelfs bruut vermoordt. Aanvankelijk lukt het hem om Biberkopf de schuld in de schoenen te schuiven, pas later komt de waarheid aan het licht. In het slotgedeelte treffen we Biberkopf aan als hulpportier op de Alexanderplatz, nadat hij eerst een loutering heeft ondergaan en andermaal beterschap heeft beloofd.

Alfred Döblin koos bewust voor de proletarische wijken in het oosten van Berlijn, het gebied dat hij als armenarts op zijn duimpje kende. Net als Bertolt Brecht in zijn vrijwel gelijktijdig verschenen Dreigroschenoper schetst hij prachtige onderwereldfiguren, allereerst natuurlijk de onbehouwen hoofdpersoon Biberkopf: feitelijk een goedmoedige dikkerd, iemand met een bijna kinderlijke behoefte aan rust en zekerheid, volledig ongeïnteresseerd in politiek. Net zo interessant is zijn psychopathische tegenspeler Reinhold, een stotteraar die een grote aantrekkingskracht op vrouwen uitoefent; iedere maand heeft hij een andere vriendin, die hij een tijdlang doorspeelt aan Biberkopf. Reinhold is meedogenloos wreed maar tevens extreem week, als boetedoening (om ‘rein’ te worden) frequenteert hij de bijeenkomsten van het Leger des Heils.

Franz Biberkopf is op bijna slaafse wijze overgeleverd aan Reinhold, ook wel ‘de gele’ genoemd. Tussen beiden ontstaat een welhaast erotische band. Meteen tijdens de eerste ontmoeting – in het centrale en misschien wel mooiste hoofdstuk, het vijfde – voelt Biberkopf zich ‘geweldig tot hem aangetrokken’. Hij houdt hem zelfs ‘de hele lange avond in de gaten’.

Kleurrijk zijn ook de overige figuren. Biberkopfs vriendin Mieze bijvoorbeeld, die liever ‘Sonja’ genoemd wil worden, misschien als referentie aan een andere beroemde en zorgzame hoer uit de wereldliteratuur: Sonja uit Dostojevski’s Schuld en boete. Of Eva, een vroegere geliefde van Franz, eveneens tippelaarster; ze is nog steeds verliefd op Franz, wil zelfs een kind van hem. Een sterke rol vertolkt ten slotte ook de communist Willi, een heldere maar arme denker die Nietzsche en Stirner leest en zich door niemand wil laten uitbuiten. Als zakkenroller is hij nog een beginneling, waardoor hij is aangewezen op de welgevulde souteneursportefeuille van Franz.

Berlijn Alexanderplatz was de eerste grotestadsroman in de Duitse literatuur en betekende een radicale breuk met de voorafgaande psychologisch-realistische verteltechniek; net als de enkele jaren eerder verschenen romans Ulysses van James Joyce (waaraan Döblin in 1928 een lovend artikel had gewijd) en Manhattan Transfer van John Dos Passos. Döblin wilde een beeld schetsen van het dynamische, chaotische en dissonante stadsleven waarin alles naast of door elkaar gebeurt. Simultaniteit en montage waren sleutelwoorden in zijn talrijke poëticale opstellen, en Berlijn Alexanderplatz biedt het beste illustratiemateriaal voor zijn opvattingen.

De lezer wordt geconfronteerd met braaksel, ingewanden van slachtvee en geamputeerde ledematen

Döblin wisselt veelvuldig van perspectief, gebruikt innerlijke monologen en sterk uiteenlopende taalregisters. Regelmatig wordt de handeling onderbroken door het citeren van schlagerteksten, krantenartikelen, reclamespreuken, weerberichten, statistieken of gebruiksaanwijzingen. Soms is de overgang logisch, bijvoorbeeld als een verkrachtingsscène wordt gevolgd door een naslagwerkachtig artikel over seksuele potentie. Maar nog vaker is de overgang willekeurig en lees je plotseling iets over een crisisdreiging in de Rijksdag of over een roofoverval in de Tempelstraße. Het resultaat is een nerveus en mozaïekachtig beeld van Berlijn.

Een opvallend vergelijkbaar beeld tref je aan op de gelijktijdig ontstane Berlijnse stadsschilderijen van de expressionist Max Beckmann, op de doeken van Ernst Ludwig Kirchner met hun flanerende vrouwen en prostituees of bij Georg Grosz met zijn spookachtige karikaturen. Döblin heeft deze schilders van nabij gekend, hij behoorde tot de vaste medewerkers van het fameuze literatuur- en kunsttijdschrift Der Sturm, waarin vanaf 1910 iedereen publiceerde die zich tot de avant-garde rekende – ook Kokoschka en de leden van Der blaue Reiter en Die Brücke.

Als je aan Berlijn Alexanderplatz één centraal thema zou moeten toekennen, dan is het wel: vergankelijkheid, vanitas. De slachthuisscènes (‘het vergaat de mens als het beest; zoals dit sterft, sterft hij ook’) en het telkens terugkerende volkslied over de grote maaier laten geen andere conclusie toe: ‘Er is een maaier, zijn naam is Dood, hij doet wat God hem gebood. Hij is zijn zeis al aan het wetten, straks maakt hij korte metten.’ Niet te overzien is de religieuze ondertoon. Op veel plaatsen is sprake van zonde, schuld, verlossing en boete. Bijzonder opvallend zijn de vele verwijzingen en letterlijke citaten uit de Heilige Schrift.

Een zeker incasseringsvermogen dient de lezer wel mee te brengen voor deze roman; het gaat hier vaak om littérature brute. Dan word je geconfronteerd met braaksel, ingewanden van slachtvee en geamputeerde ledematen. Vooral in het tweede deel van de roman storen de herhalingen, soms is Döblin sentimenteel. Toch blijf je geboeid doorlezen, niet in de laatste plaats door de taalkracht en de schitterende volkse humor en dialogen waarin deze schrijver werkelijk geniaal is.

Al in 1930 verscheen Berlijn Alexanderplatz in een Nederlandse vertaling van de journalist Nico Rost, die in Berlijn woonde en met veel Duitse schrijvers bevriend was (behalve met Döblin ook met Joseph Roth). Vertaling is misschien niet het juiste woord, eerder moet je van een vrije bewerking spreken. Nu pas is het boek voor het eerst serieus vertaald door Hans Driessen, die veel degelijker te werk ging en geprobeerd heeft om het origineel zo veel mogelijk trouw te blijven. Zijn vertaling is onmiskenbaar beter dan die van zijn voorganger. Toch kun je ook met deze nieuwe versie niet helemaal tevreden zijn.

Ongetwijfeld heeft Driessen er verstandig aan gedaan om het Berlijnse dialect, waarvan Döblin veelvuldig gebruik maakt, niet over te nemen, en er bijvoorbeeld geen plat Amsterdams van te maken. Hij heeft gekozen voor standaard-Nederlands. Maar de vertaler gaat nog iets verder als hij ook de kromme grammatica en de herhalingen van de spreektaal (onnodig) rechtstrijkt. In het Duits zegt iemand over zijn vrouw: ‘Die kann mir abends nicht zu Hause brauchen, die braucht ihre Ruhe, um Uhre acht nimmt sie Schlag achten ihre Schlaftablette und den Tee.’ De vertaler laat de tautologie weg: ‘Die kan me ’s avonds thuis niet gebruiken, die heeft rust nodig, om klokslag acht uur neemt ze d’r slaaptablet en d’r thee.’ Op een andere plaats zegt iemand: ‘Du bist reichlich ein bißchen naiv.’ In de vertaling ontbreekt een dimensie, er staat gewoon ‘rijkelijk onnozel’.

Deze nieuwe vertaling is een stuk vlakker dan het origineel, het register is net iets te hoog. Dat blijkt ook uit de woordkeus. ‘Ist ja eklig’, zegt een prostituee tegen een klant. De vertaler maakt er niet ‘walgelijk’ van maar ‘naar’, wat een secretaressenwoord is. ‘Das kleine Luder’ is gewoon ‘dat kleine loeder’ en niet ‘die kleine snoes’ (veel te lieftallig); bier ‘schlucken’ betekent ‘slokken’ en niet ‘drinken’. Veel slordigheden of vertaalfouten tref je niet aan, toch frons je af en toe de wenkbrauwen. Als Biberkopf net uit de gevangenis komt flaneert hij in een ‘gelber Sommermantel’ door Berlijn, maar de vertaler maakt er een decente ‘beige zomerjas’ van. ‘Leberwurst’ is geen ‘pekelvlees’ maar gewoon ‘leverworst’, ‘Lorke’ geen ‘slobber’ maar ‘slappe koffie’.

Hans Driessen heeft eerder veel eer ingelegd met zijn sublieme filosofievertalingen van onder anderen Arthur Schopenhauer, waarvoor we hem eeuwig dankbaar zullen blijven. Ook fijne literatoren als Ernst Weiß en Thomas Mann heeft hij degelijk vernederlandst. Bij het lompenproletariaat van Döblin voelt hij zich minder op zijn gemak.


Medium doblin

Alfred Döblin, Berlijn Alexanderplatz. Vertaald door Hans Driessen. De Wereldbibliotheek, 541 blz., € 49,95