In Niet normaal vies heeft Tugrul Çirakoglu ‘het smerigste beroep van Nederland’ © BNNVARA

De NPO is een wonderlijk archaïsch instituut. De wortels gaan terug naar de verzuiling, maar de boom is allang geveld. De takken zijn bijeengebonden. Toen de Avro in 1930 zendtijd moest gaan delen met de overige omroepclubs, tekenden 400.000 Nederlanders een petitie uit protest en trokken er 140.000 boos naar Den Haag. Toen in 2011 werd besloten dat Avro moest gaan fuseren met Tros, zal de Haagse oproerpolitie geen extra diensten hebben ingepland op en rond het Malieveld. Op het Mediapark zullen mensen er wakker van hebben gelegen, kijkers thuis-voor-de-buis amper. Op diezelfde manier versmolt Vara redelijk moeiteloos met bnn, de van oorsprong protestantse ncrv vond een best warm bed met de toch echt Katholieke Radio Omroep.

Een bijkomend gevolg is dat in het omroepbestel – en voel je vrij hier de parallel met de landelijke politiek te trekken – de middenpartijen nog dichter op elkaar kropen, waardoor op de flanken zeeën van ruimte ontstonden. Vacatures, in feite. Dat werd nog eens geholpen door de Haagse beslissing dat, om toe te treden tot het omroepbestel, een nieuwe club niet 150.000 maar 50.000 leden hoefde binnen te halen. Om het volgens het ouderwetse links-rechts-dichotomie te verdelen: op links kwamen Human en recentelijk Omroep Zwart erbij, op rechts PowNed, WNL en recentelijk Ongehoord Nederland.

Over Omroep Zwart valt vooralsnog weinig te zeggen – het begon pas een paar weken geleden met uitzenden, een vrolijk muziekprogramma bovendien.

Over Ongehoord Nederland – nou, daar is aanzienlijk meer over te zeggen. Daar is zelfs een heel ombudsmanrapport over te schrijven.

Niet eerder kreeg de ombudsman voor de publieke omroepen, Margo Smit, zoveel verzoeken om onderzoek te doen naar de programma’s van een omroep, schrijft ze in de inleiding van haar vorige week verschenen rapport. De klachten gingen over desinformatie, gebrek aan onafhankelijkheid en zelfs racisme. Met een aantal van die klachten kon Smit weinig: de programma’s van ON bestaan grotendeels uit het brengen van meningen van derden, en meningen, ook al zijn ze controversieel, zijn vrij tot ze de strafwet raken. Volgens de Mediawet hoeft een ledenomroep ook niet onpartijdig te zijn.

Het probleem is eerder dat ON bij de npo heeft ‘ingetekend’ op journalistieke programma’s en dient zich zodoende aan de journalistieke code te houden die door de npo is opgesteld. Dat doet ON heel duidelijk niet, is de conclusie. Onjuiste informatie werd niet gecorrigeerd, meningen werden niet gescheiden van feitelijkheden, de presentatoren vroegen amper door, duidden bronnen niet en waren niet transparant over de rolverdeling en belangen van de gasten. Er werden paranoïde ideeën over omvolking de ether in gespuid, politici claimden dat Europa wapens leverde aan Rusland – en de presentatoren zaten erbij een knikten ernaar.

Als Marco Borsato beschuldigd wordt van seksueel misbruik, ontaarden de talkshows in een ‘Kampioenschap Victim Blaming’

Wat het racisme betreft noemde Smit het item in Ongehoord nieuws van 24 februari, over migratie en criminaliteit, waarbij de ON-verslagever twee vrouwen met hoofddoek aansprak en ze vroeg waar ze hun fiets vandaan hadden. ‘Of het filmpje naar de letter van de definitie racistisch of discriminerend was kun je betwisten’, schrijft Smit vanuit haar functie terughoudend. De journalistieke code gaf haar weinig handvatten er iets over te zeggen. Je kunt natuurlijk ook stellen dat je geen formele code nodig hebt en zeggen: ja, dit is tendentieus, stigmatiserend en getuigt in elk opzicht van wantrouwen naar moslims. Iets loopt als een eend, kwaakt als een eend – het is ronduit een racistische eend.

Het interessante aan het rapport is dat Smit de journalistieke kwestie breder trekt dan alleen ON. Vrijwel alle omroepen kennen momenten waarop de journalistieke transparantie ver te zoeken is, waar kijkers niet duidelijk geïnformeerd worden hoe de interviewer onafhankelijk tegenover de gast staat. We leven in tijden waarin de journalistiek haar onafhankelijkheid extra moet bewaken, en dus extra zichtbaar moet maken. Misschien kan het dus geen kwaad, zoals bij een stel dat al dertig jaar getrouwd is, dat de geloften nog eens worden afgelegd. Smit schrijft: ‘Voor het publiek moet helder gemaakt worden wat de journalistieke normen en waarden zijn, welke consequenties er zijn als die genegeerd worden, en wie sancties kan opleggen. Zo wordt duidelijk hoe er vóór het publiek en met publiek geld journalistiek bedreven wordt.’

Arjen Fortuin, 13 april © Yara Jimmink

Arjen Fortuin begint zijn Kijkt u nog?, de slotsom van zijn vijf jaar tv-recensentendom voor de NRC, met een flinke reeks voorbeelden van tv-journalisten die in de hitte van hun talkshows even vergeten dat ze journalist zijn. Hij heeft het over Jort Kelder die het aan zijn andere gasten overlaat Thierry Baudet kritisch te ondervragen, waarna bleek dat Kelder aan Baudet geld had geleend om campagnefilmpjes te financieren. Of denk aan Jeroen Pauw en Eva Jinek die beurtelings hun collega Yvon Jaspers laten wegkomen met belangenverstrengeling tussen haar programma’s voor kro-ncrv en haar werk voor een veevoedergigant. Of de zanger Dotan die, in opspraak geraakt vanwege zijn vele fake accounts op social media, zonder weersproken te worden zijn personeel de schuld mag geven. Of de talkshows ‘die, wanneer een machtig man als Marco Borsato wordt beschuldigd van seksueel misbruik, ontaarden in een Open Goois Kampioenschap Victim Blaming’. Of die ene ‘collega-recensent die om de haverklap aanschuift in de programma’s die ze zou moeten beoordelen’.

(Waarschijnlijk kon Fortuin even niet op de naam van Angela de Jong komen – ik zal hem bij deze even helpen.)

Het sympathieke van Fortuin is dat dit juist niet de pointe van zijn boek is. ‘Vijf jaar televisie heeft mij ontegenzeggelijk tot een beter geïnformeerde burger gemaakt’, stelt hij direct – en hij geeft nog genoeg voorbeelden dat hij je hiervan overtuigt ook.

Je moet alleen niet kijken naar de vlaggenschepen, de avondtalkshows, maar naar de kleinere bootjes die hun eigen koers varen. Wie docuseries als Schuldig en Klassen keek, zegt Fortuin, snapte al lang voordat het een politiek agendapunt werd dat zich een vreselijke tweedeling in de samenleving aftekende (en voorzag al in 2021 dat Marjolein Moorman hoge ogen zou gooien bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022). Wie De wasstraat keek, een docuserie over mensen ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ die een wasstraat moeten runnen, zag hoe moeilijk het was mensen in moeilijkheden terug op de rails te krijgen. Tim den Besten en Nicolaas Veul lieten in hun 100 dagen voor de klas perfect zien welke torenhoge verwachtingen we van ons onderwijs hebben, en hoe hondsmoeilijk het is die verwachtingen in de praktijk waar te maken.

Uitgebreid schrijft Fortuin over Tuğrul Çirakoğlu, ‘de man met het smerigste beroep van Nederland’: de hoofdpersoon van Niet normaal vies (BNNVara). Çirakoğlu heeft een schoonmaakbedrijfje dat de klussen aanneemt waar andere schoonmakers voor terugschrikken, zoals het schrobben van huizen waarin de bewoner tijdenlang onopgemerkt dood heeft gelegen. De viezigheid is adembenemend, ‘er vliegt, druipt en kruipt van alles’. Maar dat het geen ranzigheidsporno wordt, ligt aan Çirakoğlu, die door de huizen loopt en van de schoorsteenmantel kerstkaartjes haalt – vaak jaren oud. ‘Ik sta dan een beetje te trillen’, zegt hij – niet van de goorheid, maar van dat een sociaal leven kan bestaan uit een enkel kerstkaartje per jaar. Een teken van de eenzaamheidsepidemie.

Toen H.J.A. Hofland gedwongen werd te stoppen als hoofdredacteur van de toen nieuwe fusiekrant NRC Handelsblad, begin jaren zeventig, eiste hij ter compensatie de tv-rubriek op. Dat leek bescheiden, vertelde Hofland eens, maar tv gaat over álles, en zodoende kon hij schrijven over álles.

Voor het grootste deel bestaat Kijkt u nog? uit de tv-kronieken die Fortuin voor de NRC schreef, maar zorgvuldig gesorteerd, ingeleid en onder elkaar gezet bewijst hij het gelijk van Hofland. Kijkt u nog? gaat ogenschijnlijk over televisie, maar eigenlijk gaat het over ons. Via tv toont Fortuin een kleine dwarsdoorsnede van Nederland. Het laat ook nog eens zien wat een meerwaarde het is voor een krant om één tv-recensent te hebben, die door zijn dagelijkse kijkverplichting de cohesie tussen programma’s ziet en ontwaart wat de overbelichte en wat de blinde vlekken in onze samenleving zijn. Fortuin schrijft dat als hij eens lekker hard uithaalde naar Hilversumse talkshowtaferelen, hij daar steevast de meeste ‘kliks’ en meeste reacties op kreeg, maar dat hij elke dag op tv dingen zag die precies de onderwerpen in beeld brachten waar het in Den Haag over zou moeten gaan. Vandaar dat hij tot de conclusie komt: ‘Televisiekijken is een daad van verbinding.’

Met Kijkt u nog? in het achterhoofd moest ik nog eens nadenken over Ongehoord Nederland. Het zal niet voor niets niet Ongezien Nederland heten, want het Nederland van ongeharnaste, doodnormale mensen die met alle obstakels des levens er het beste van proberen te maken wordt wel degelijk gezien – en gefilmd. Misschien dat de Ongehoord-figuren precies de mannen zijn die alleen klikken op stukken over talkshowperikelen, woedend zijn dat hun meningen daar niet verkondigd worden (vrij van weerspraak door andere gasten en/of feiten), en vervolgens vergeten de mooie kleine docuseries te kijken, die over de ongeharnaste, doodnormale mensen gaan voor wie zij zeggen op te komen.