Jihadproces Context

‘Alles ging goed. En toen ging alles kapot’

Medium anp 28597641

In 2004 verschijnt in dagblad Trouw een uitgebreid portret van de Marokkaanse Hagenees Moussa L. Dertig jaar oud is hij op dat moment. Het artikel, met de titel ‘Je mag geen zwakke plekken hebben’, is een beklemmend portret van een jongeman wiens leven geen richting heeft. Dat komt naar eigen zeggen doordat hij erg veel leed heeft gekend. Op zijn tiende wordt hij uit huis geplaatst en komt hij bij een pleeggezin terecht. Op school redt hij het niet, een baan kan hij niet behouden. Schulden stapelen zich op, hij is vaak dakloos. Het is een leven vol geweld, drugs en aanvaringen met de politie. En dan is hij ook nog vader geworden. Maar de relatie met de moeder van zijn kind is allesbehalve stabiel. ‘Ik heb het moeilijk in dit leven’, zegt Moussa. ‘In de supermarkt lopen de mensen met een boog om me heen. Ik hoor nergens bij. Vroeger haatte ik Nederlanders omdat dit zo vaak gebeurde.’

Moussa probeert het ook nog als rapper onder de naam Topa de Barbaar, een naam die hij toepasselijk vindt omdat mensen hem toch zien als een barbaar. Zoveel pijn heet een van zijn nummers. ‘Zoveel pijn/ Ik wil dat het verdwijnt/ Pijn, pijn, voor de dood sta ik in de rij/ Er is geen weg vrij.’

Een hoogtepunt in zijn carrière als rapper vindt het jaar daarop plaats, in 2005, als hij wordt gevraagd om in een tram in Den Haag de Europese grondwet aan de man te brengen. Het referendum erover is aanstaande. ‘De Europese grondwet, de Europese grondwet, anders worden we allemaal gek’, rapt hij. Het Algemeen Dagblad dat met Moussa meereist in de tram vraagt hem naar zijn mening over de Europese grondwet. Hij is sceptisch. Nederlanders houden zich niet eens aan de eigen grondwet, vindt hij, laat staan aan een Europese. ‘Vrijheid, discriminatie, aan die bepalingen houden Hollanders zich niet. Als ik hier niet kwam optreden, had de conducteur mij al lang naar mijn kaartje gevraagd. Of naar mijn identificatie. Mijn vraag is waar word ik geaccepteerd. In Marokko vinden ze mij een Nederlander. En hier vinden ze mij een Marokkaan. Ik leef tussen twee werelden.’

Uiteindelijk wordt Moussa religieus. Hij trouwt met de moeder van zijn kind. Het is een islamitisch huwelijk dat wordt gesloten in de salafistische moskee as-Soennah in Den Haag, waar de controversiële imam Fawaz Jneid in dienst is. ‘Daar geven ze iedereen een nieuwe kans’, zegt hij daarover in Trouw. ‘De islam geeft je geduld.’

Moussa raakt daarna steeds verder in de ban van de radicale islam. Hij is bevriend met zijn buurtgenoten Azzedine C. en Rudolph H., twee zeer aanwezige orthodoxe moslims in de Schilderswijk die gezichtsbepalend worden voor het jihadistisch salafisme in Nederland. Ook neemt hij een kunya aan, een pseudoniem, en gaat verder door het leven als Abu Ilias, ‘Vader van Ilias’. In 2012 neemt Moussa samen met Azzedine en Rudolph een filmpje op (Syrian Massacre) waarin hij moslims oproept iets te betekenen voor de soennitische moslims in Syrië die door president Bashar al-Assad worden afgeslacht. Thuis kijkt Moussa met zijn zoontje Ilias naar gruwelijke onthoofdingsfilmpjes van Islamitische Staat. Als de Kinderbescherming daar in de zomer van 2014 lucht van krijgt en overweegt Ilias uit huis te plaatsen, pakken Moussa en zijn gezin hun koffers en vertrekken naar Marokko. Vermoed wordt dat Moussa op doorreis is naar Syrië, waar hij zich met zijn gezin wil vestigen in het kalifaat van IS. Ondertussen worden de vrienden van Moussa – Azzedine en Rudolph – opgepakt op verdenking van ronselen, opruien tot terroristische misdrijven en het deel uitmaken van een criminele organisatie met terroristisch oogmerk. Ook Moussa wordt ervan verdacht te hebben geronseld. In oktober 2014 keert hij terug naar Nederland en geeft zichzelf aan bij de politie. Hij moet een korte tijd doorbrengen op een TA, een terroristenafdeling, en mag daarna zijn proces in vrijheid afwachten.

Een jaar later, op een ochtend in oktober van dit jaar, staat Moussa bij de koffieautomaat in een beveiligde zittingszaal in Osdorp, Amsterdam. Het proces dat tegen Moussa, Azzedine, Rudolph en zeven anderen is aangespannen heeft de naam Context. De volledige aanklacht tegen Moussa behelst naast ronselen ook deel uitmaken van een criminele organisatie en bedreiging en belediging van een politieagente. Dat laatste deed hij vorig jaar via Twitter, waar hij een foto van de agente plaatste met de tekst ‘Moge Allah jullie vervloeken’.

Thuis kijkt Moussa met zijn zoontje Ilias naar gruwelijke onthoofdingsfilmpjes van Islamitische Staat

Die ochtend draagt Moussa een donkerbruine salwar kameez, zoals het kledingstuk heet dat orthodoxe moslims graag dragen. Het bestaat uit een bovenstuk dat tot onder het middel valt en een broek die net boven de enkels eindigt. Moussa is opvallend klein, rond de één meter zestig. Hij draagt een bril, heeft een baard en zijn krullen zijn strak naar achteren gekamd.

Bij de koffieautomaat staan ook een paar jonge orthodoxe moslims, vrienden van de verdachten en vaste bezoekers van het proces. Ze zijn met Moussa in gesprek over het verhoor waar hoofdverdachte Azzedine C. eerder die ochtend aan werd onderworpen. Hij kreeg pittige vragen van de rechtbank over zijn uitlatingen op sociale media. Het Openbaar Ministerie noemt die uitlatingen opruiend, Azzedine betoogt het tegendeel.

‘Dit valt toch gewoon onder vrijheid van meningsuiting!’ zegt Moussa met luide stem. ‘Wat mag je dan nog wel zeggen!?’

Andere verdachten maakten eerder al het punt dat voor hen andere, onrechtvaardige maatstaven gelden wat betreft de vrijheid van meningsuiting omdat ze moslim zijn. Ze hadden het over een ‘politiek proces’. Maar dat punt maakten ze beheerst. Moussa laat zich echter gaan. Als hij luid roept dat zijn vrijheid van meningsuiting wordt aangetast, kijkt hij naar links en rechts. Snappen wij wel wat voor onrecht hun, de verdachten, hier wordt aangedaan?

Boos op de Nederlandse samenleving, weinig vertrouwen in instanties. Een gering gevoel van eigenwaarde, angst om in een isolement terecht te komen. Dat zijn de bevindingen over Moussa in het reclasseringsrapport dat op een van de zittingsdagen door de rechtbank wordt voorgelezen. Een andere typering is zijn voortdurende woede om de vernederingen en het leed die hem zijn aangedaan.

‘Ze hebben mijn vrouw een klap gegeven en mijn kind tegen een deurpost aangegooid’, zegt Moussa op de dag dat hij wordt verhoord over een inval die de politie bij hem deed. ‘Wie aan mijn familie komt, komt aan mijn eer. Ik breek zijn nek. Ik ben nu emotioneel.’ Een paar keer wordt het verhoor van Moussa door de rechtbank onderbroken zodat hij van zijn woedeaanvallen kan bekomen.

‘Wie aan mijn familie komt, komt aan mijn eer. Ik breek zijn nek. Ik ben nu emotioneel’

Begin dit jaar gaf Moussa een interview aan de nos. Onderwerp waren het regime en de leefomstandigheden op terrorismeafdelingen waar iedereen wordt opgesloten die ervan wordt verdacht terroristische motieven te hebben. Verdachten op een TA brengen 22 uur per dag door op hun cel. Luchten gebeurt in een kleine kooi. Bezoek moet achter glas blijven, fysiek contact is onmogelijk. Desondanks worden verdachten telkens na zo’n bezoek gevisiteerd – gevangenisbewakers kijken bij zo’n visitatie tussen de billen van de verdachte om te zien of hij niet iets heeft binnengesmokkeld.

Moussa zat vorig jaar opgesloten in TA De Schie in Rotterdam. ‘Je wordt er behandeld als een straathond’, zegt hij daarover in de nos-reportage. ‘Het is een plek die ik zelfs mijn aartsvijand niet zou toewensen. Je hebt geen contact met mensen, je hebt geen contact met niks (…) voor iets waar je nog niet voor bent veroordeeld. Het lijkt alsof ze aan het solliciteren zijn naar aanslagen hier in Nederland. Want tot nu toe praten ze al jaren over radicaliseren, terroristen en noem maar op, maar er is nooit wat gebeurd, dus de vraag is eigenlijk wie is wie aan het terroriseren?’

Omdat Moussa het proces in vrijheid mag afwachten zit hij geregeld op de publieke tribune om de verhoren van zijn vrienden Azzedine en Rudolph te volgen. Dat doet hij ook tijdens een pro-formazitting die eind juni plaatsvindt. Azzedine vertelt daar uitgebreid over de vernederingen die hij moet doorstaan op een TA. ‘Ik ben bang dat de TA een beest van mij maakt’, vertelt een emotionele Azzedine.

Moussa, die uit ervaring weet hoe pijnlijk de vernederingen zijn waar zijn vriend Azzedine over vertelt, krijgt het te kwaad en begint te snikken.

Volledig uitkleden. Bukken. In de anus laten kijken. De geslachtsdelen optillen. Dat is de procedure in de TA na ieder bezoek dat een gevangene ontvangt. ‘Het visiteren is heel naar’, zegt Achmed, die zes maanden doorbracht op de TA Vught. Achmed is niet zijn echte naam. Hij is een van de tien verdachten in het jihadproces Context voor wie een mediaverbod geldt. ‘Het is vooral naar omdat je geen keuze hebt. Je hebt gewoon het gevoel dat je echt bekeken wordt. Sommige bewakers doen dat ook echt. Je ziet ze naar je geslachtsdelen kijken. Een keer werd ik in een isoleercel geplaatst omdat ik de bewaking had uitgescholden. Ik moest naar een verhoor en toen moest ik gevisiteerd worden. Maar ik weigerde. Ze wilden mij uitkleden. Ik schold ze uit voor pedofielen.’

Volgens Achmed was er maar één bewaker die enige clementie met hem en andere gevangenen op de TA toonde. Die bewaker zou een Marokkaanse achtergrond hebben. Van hem mocht Achmed tijdens visitaties zijn onderbroek wel aanhouden. Op de TA zag Achmed ook wat voor een averechts effect de vernederende visitaties hadden op medegevangenen. De boosheid onder de gevangenen op de Nederlandse samenleving wordt er alleen maar door vergroot. ‘Het visiteren is moeilijk, intimiderend. Op dit onderdeel ben ik sowieso boos op de Nederlandse samenleving. Dat zag ik ook bij de andere gevangenen.’

‘Ik was zeker geradicaliseerd te noemen. Ik vond mijzelf beter dan iedereen. Terwijl ik eigenlijk veel verrotter was’

Achmed lijkt in veel opzichten op Moussa. Ze zijn bijna even klein, dragen allebei een salwar kameez. Een andere overeenkomst: Achmed heeft ook geen gemakkelijke jeugd gehad en is nog altijd bezig zijn leven uit het slop te trekken. Een pijnlijke plek in zijn biografie is zijn biologische vader. Op een ochtend is Achmeds biologische vader aanwezig bij het proces. De laatste keer dat Achmed hem zag was acht jaar geleden. Hij was een kleuter toen zijn ouders scheidden. Het plotselinge bezoek van zijn vader veroorzaakte volgens Achmed alleen maar stress, bij hemzelf, zijn vrouw en zijn moeder. Achmed begrijpt niet waarom zijn vader zo nodig aanwezig moest zijn bij het proces. Erg lang bleef zijn vader overigens niet. Hij was alweer weg voordat de rechtbank aan Achmeds verhoor toekwam.

‘Ik heb mijn biologische vader nooit gemist toen ik jong was’, zegt Achmed resoluut. Nadat zijn moeder is gescheiden van zijn biologische vader hertrouwt ze met een man die al kinderen heeft uit een eerder huwelijk. Volgens Achmed is het een stabiel gezin. Toch ontspoort hij. Hij heeft vaak ruzie met zijn moeder en stiefvader. Hij kwetst ze heel vaak, zegt hij, hij is een onhandelbare puber. De situatie thuis wordt onhoudbaar en op een goede dag loopt hij een politiebureau binnen en vertelt aan de balie dat hij nergens heen kan. Daar wordt hij doorverwezen naar de crisisopvang.

‘Vanaf toen ben ik nooit meer thuis komen wonen’, zegt Achmed. ‘Terwijl ik om me heen zag dat iedereen nog bij zijn ouders woonde. Ik heb het mijn ouders wel kwalijk genomen dat het zo gelopen is.’ Een vriendin die hem uit die tijd kent, omschrijft Achmed als een verdrietige jongen, die worstelde met de koers van zijn leven.

‘Ik had een raar, gaar leven’, vertelt Achmed over die periode dat hij in de opvang woonde. ‘Veel verdovende middelen gebruiken. Ik had niks op een rijtje. Doelloos. Ik zat niet op school. Ik maakte nooit iets af. Een slecht leven. Ik probeerde op veel manieren aan geld te komen. Stelen uit de kassa op het werk, stelen van mijn ouders, mensen oplichten op Marktplaats. Dan deed ik alsof ik iets verkocht en pikte het geld in.’

Hij begint God te vragen om zijn leven weer op de rails te brengen. Door een triviale gebeurtenis richt hij zich op een orthodoxe en uiteindelijke radicale interpretatie van de islam. Een islamitische medebewoner in het tehuis waar hij verblijft moet een keer niezen en zegt ‘Alhamdulilah’, ‘Allah zij geprezen’. Achmed knoopt het woord in zijn oren en verdiept zich op het internet verder in de islam. Hij beluistert online lezingen van de Zuid-Afrikaanse prediker Ahmed Deedat (1918-2005) van wie het gehele oeuvre in Frankrijk verboden is omdat het antisemitisch zou zijn en zou aanzetten tot rassenhaat. Een online prediker is Zakir Naik, die van salafistische snit is en er controversiële meningen op nahoudt over 9/11 en Osama bin Laden.

Binnen vier maanden verandert Achmed door zelfstudie van een blowende en drinkende tiener in een overtuigde moslim. Dat is begin 2011. Eind 2011 trouwt hij met een islamitisch meisje dat een allesverhullende niqaab draagt, heeft hij een baard, loopt hij rond in een djellaba en ruilt hij zijn vroegere vrienden in voor jongens die al veel verder zijn in hun orthodoxie. Hij bezoekt de al-Qibla Moskee in Zoetermeer waar lezingen worden gegeven door Mohamed Talbi, een radicale prediker die fulmineert tegen democratie en ervan verdacht wordt een aantal jongeren geïnspireerd te hebben om de jihad in Syrië te vechten.

Met zijn levenservaring en kennis van radicalisme kan hij jongeren helpen die het moeilijk hebben

‘Ik vond het leuk om ergens bij te horen’, zegt Achmed over deze periode in zijn leven. ‘Ik was zeker geradicaliseerd te noemen. Ik deed takfeer (mensen ongelovig verklaren – hb) op anderen. Ik vond mijzelf beter dan iedereen. Terwijl ik eigenlijk veel verrotter was.’

Het radicale milieu waarin Achmed zich ophoudt, geeft hem een gevoel van zelfwaarde. Hij klimt uit het miezerige, doelloze bestaan dat hij tot dan leidt. Hij bezoekt ook het clubhuis van zijn nieuwe vriendengroep, een klein bedrijfspand aan de Meppelweg 440 in Den Haag. Daar komen ook Moussa L., Azzedine C. en Rudolph H. om naar lezingen te luisteren en de banden aan te halen. Deze jongens houden van elkaar ‘om wille van Allah’. Op een van de zittingsdagen vertelt Moussa L. wat voor genegenheid hij voor de jongens uit dit milieu koestert: ‘Ik hou meer van hen dan van mijn eigen broers.’

Als enkele jongens eind 2012, begin 2013 richting Syrië vertrekken om er de jihad te vechten, reist Achmed hen achterna. Maar Achmed is geen vechter, ontdekt hij daar. Na enkele weken keert hij terug naar Nederland. Het geweld waartoe radicalisme leidt, doet hem beseffen dat hij een andere weg moet inslaan. Hij heeft een kalm, burgerlijk leven voor ogen – weliswaar ingericht naar orthodoxe regels en voorschriften (baard, djellaba, niqaab), maar met genoeg afstand tot het jihadisme en het onverdraagzame takfirisme. Hij wil een verantwoordelijke vader worden voor zijn jonge kinderen. Hij wil een fijn, veilig thuis bouwen en zijn kinderen het ‘gare, rare leven’ besparen dat hij zelf als tiener heeft gekend. Hij neemt een baantje en is daar minstens veertig uur per week mee bezig. Met het geld dat hij verdient betaalt hij oude schulden af en neemt hij autorijlessen. Hij wil ook weer naar school. Islamitische theologie studeren, want uiteindelijk wil hij geestelijk verzorger worden. Met zijn levenservaring en kennis van radicalisme kan hij jongeren helpen die het moeilijk hebben en richting enge ideeën dreigen af te glijden.

Maar dan wordt hij eind september 2014 opgepakt. Het Openbaar Ministerie gooit een wijd net over radicale moslims die het tot een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk vindt behoren. Onder hen Moussa L., Azzedine C., Rudolph H., Jordi de J. en dus ook Achmed. ‘Alles ging goed’, vertelt Achmed. ‘En toen ging alles in één keer kapot.’

De arrestatie betekent de terugkeer naar een vernederend bestaan zoals hij dat ook gekend heeft als tiener. Tussen januari en juni van dit jaar verdwijnt hij voor een half jaar in een TA waar hij, een orthodoxe moslim, uit de kleren moet voor andere mannen die naar zijn geslachtsdelen loeren. Zijn baan raakt hij kwijt en de schulden stapelen zich weer op. Ook door zijn studieplannen gaat een dikke streep. Het proces dat nu tegen hem loopt mag hij in vrijheid meemaken, maar dat ervaart hij nauwelijks als een troost.

‘Ik zit nu in een heel moeilijke positie’, zegt Achmed. ‘Als verdachte kan ik geen werk krijgen. Mijn schulden worden weer hoger. Dat heeft als gevolg dat ik geen uitkering kan aanvragen, want daarvoor moet ik bij mijn vrouw ingeschreven staan. Maar als ik dat doe, dan leggen de schuldeisers beslag op haar geld en spullen. Ik ontvang nu wel een daklozenuitkering, maar daarvoor moet ik doen alsof ik dakloos ben. Ik mag niet langer dan drie opeenvolgende dagen op een adres verblijven. Nu overnacht ik in een moskee. Dan weer bij mijn moeder, dan weer bij mijn gezin. Ik hoop dat mijn leven weer snel stabiel wordt. Vooral voor mijn kinderen, die voelen ook alle stress.’

Voorlopig zal Achmed als een dakloze van adres naar adres moeten hoppen. In ieder geval tot 10 december. Dan doet de rechtbank uitspraak in dit proces.

De echte naam van Achmed is bij de redactie bekend


Beeld: Juli, 2014, Den Haag. De van ronselen voor de jihad verdachte Azzedine C. spreekt tijdens een pro-IS -demonstratie Foto ANP