Toneel: Koopman van Venetië

Alles handel!

Het is alweer tien jaar geleden dat een groot gezelschap Shakespeares ‹Koopman van Venetië› op het repertoire zette. De van oorsprong Syrische, in Duitsland opgegroeide Ola Mafaalani heeft het stuk nu bij Toneelgroep Amsterdam geregisseerd. Een sombere, harde enscenering.

Midden in het stuk heeft Portia dan eindelijk haar man. De aanbidders, die in rijen van tien naar haar hand kwamen dingen, moesten allemaal een proef ondergaan, die haar vader testamentair had bepaald: kiezen tussen drie kistjes, respectievelijk van goud, zilver en lood. De Venetiaan Bassiano heeft goed gegokt, het simpelste kistje gekozen — dat van lood. Hij mag Portia hebben, en alles wat ze bezit.

Op dat moment neemt Ola Mafaalani de tekst letterlijk, althans de vertaling. Gerrit Komrij hertaalt Bassiano’s woorden hier als volgt: «Ik weet niet of het waar is wat ik zie/ Tot U deze kwitantie ondertekent.» Oorspronkelijk zal zoiets als «seal with a kiss» zijn bedoeld, Titus Muizelaars Bassiano vraagt hier aan de Portia van Adelheid Roosen een heuse paraaf onder de liefdesband. Niet gek dat Roosen een tikje sneu kijkt. In één klap valt de sprookjeswereld van Portia’s lande lijke slot Belmonte samen met de keiharde zakenmentaliteit in de handelsstad Venetië. Lening of liefde, beursgang of pokeren — regels zijn regels, pas als er een paraaf onder staat is een afspraak ook een échte afspraak. In Ola Mafaalani’s Koopman van Venetië is alles handel.

De centrale figuur van het stuk heet Antonio. Hij is de koopman uit de lagunenstad, die zijn ruime kredietwaardigheid (een aantal volgeladen handelsschepen op de grote vaart) als borg en onderpand ter beschikking stelt aan zijn boezemvriend Bassiano, die schuldenvrij zijn aanstaande geliefde tegemoet wil treden. Daartoe leent hij bij de woekeraar Shylock drieduizend dukaten. Shylock laat in het contract een eigenaardige bepaling opnemen, naar eigen zeggen een grapje: als het bedrag niet op tijd wordt terugbetaald, mag Shylock een pond vlees uit Antonio’s lichaam snijden.

Iedereen lacht om de bizarre grap, Bassiano incasseert zijn lening, zijn geliefde en een ring, die hij nooit meer mag afgeven. Vervolgens gebeuren er twee dingen die de bizarre grap van het pond mensenvlees griezelig dichtbij brengen. Antonio’s schepen komen in problemen en bereiken niet op tijd hun bestemming — hij verkeert in acute liquide problemen en kan Shylock niet op tijd terugbetalen. Die zou onder normale omstandigheden zijn bizarre grap waarschijnlijk niet hebben doorgezet. Maar zijn dochter Jessica is ondertussen geschaakt door een Venetiaans christenjoch, Lorenzo. Tot overmaat van ramp begint ze met die «christenhond» Shylocks geld te verbrassen. De toch al niet geringe afkeer van Shylock jegens de hem beschimpende en bespuwende christelijke meerderheid in Venetië wordt in de eerste scène van het derde bedrijf tot uitzinnige haat. Hij zal zijn wraak halen. En zijn pond vlees hebben.

Het hele vierde bedrijf is gereserveerd voor de rechtszaak Shylock-Antonio. Portia treedt ter zitting (vermomd als Balthazar, doctor in de rechtsgeleerdheid) op als intermediair en deskundige. In eerste instantie pleit hij/zij voor genade, in een beroemd geworden speech: «Genade kan niet afgedwongen worden/ Zij valt als zachte regen uit de hemel/ Op onze aarde en brengt tweemaal zegen/ Zij zegent wie verleent en wie ontvangt.» Als Shylock zich aan de letter van het contract houdt en bloedbelust met een weegschaal en een scheermes op de proppen komt (bloedstollende spanning), houdt Balthazar de woekeraar op zijn beurt aan de letter van de afspraken: van bloed is in het contract geen sprake, dus er mag niks bloeden, en er mag ook geen grammetje méér worden gesneden dan één pond van Antonio’s vlees. Shylock wordt vervolgens afgedroogd, uitgekleed en ten diepste vernederd (hij moet zich zelfs tot het christendom bekeren — volgens Mafaalani klaarblijkelijk één brug te ver, die vernedering schrapte ze).

Als beloning eist Portia (nog altijd in vermomming) Bassiano’s ring, en onder grote druk van de opgeluchte Antonio staat hij die ring af. In het vijfde bedrijf krijgt Bassiano het van Portia voor zijn kiezen, wanneer ze «ontdekt» dat Bassiano zijn belofte heeft gebroken. Iedereen krijgt daarna iedereen. Alleen Antonio blijft alleen, zoals hij zichzelf al in de eerste acte treffend omschreef: «Ik houd de wereld puur voor wat ze is: een schouwtoneel, waar elk een rol moet spelen./ En die van mij is somber.» Hajo Bruins’ fraai ingehouden Antonio opende de voorstelling ook al met gezongen hypochondrie: «Come away, come away death» — een ruig verbouwde versie van een lied uit Shakespeares Driekoningenavond.

Ola Mafaalani (en haar dramaturg Dirkje Houtman) hebben driftig de viltstift gehanteerd en de speelduur van het stuk tot de helft teruggebracht: twee uur zonder pauze. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet: Shakespeares Koopman van Venetië is een dusdanige kermis van plotlijntjes dat de literaire exegeten er nooit helemaal uit zijn gekomen of we hier met een komedie of een tragedie te maken hebben. Lancelot Gobbo, Shylocks knecht die overloopt naar Bassiano, heeft een oude vader, en die twee worden geacht verantwoordelijk te zijn voor enkele clownsnummers in het stuk, die ik maar zelden raak heb gezien. Hier is Lancelot alleen. Betwistbaar is de bewerking van Mafaalani/Houtman af en toe ook. Portia heeft in Shakespeares origineel een dienares die ook vriendin is geworden, Nerissa, met wie ze op intense wijze deelt wat haar eerste mededeling in het stuk is: «Geloof me, mijn nederig persoontje heeft van deze grote wereld meer dan genoeg.» Door het schrappen van Nerissa staat Portia letterlijk alleen in de confrontaties met de laatste twee aanbidders, vóór de Ware Jacob (in de persoon van Bassiano) langskomt. Het acteren van Adelheid Roosen krijgt — door gebrek aan tegenspel — in die scènes iets houtenklazerigs, een euvel dat ze verderop in de voorstellingen overigens ruimschoots goedmaakt.

De voorstelling, die een lange tournee maakt langs de schouwburgen, ging afgelopen weekend in première in een vlakke-vloer-zaal: Frascati in Amsterdam. De vormgeving lijkt voor álle ruimtes. Sleutelwoord: kaalslag. De speelvloer is leeg, afwisselend hard en in clair-obscur belicht. Rechts voorin een stel aan elkaar geschoven bureaus, plek om te pokeren, te roken, te drinken. Het is ook de van boven uitgelichte locatie voor de rechtszaak. Meteen daarnaast vormt een klein bergje aan bureaus een afgang (met deur), daarnaast een plek waar de aanbidders van Portia (allebei gespeeld door Leon Voorberg) zich in het zicht van het publiek in hun kostuum kunnen hijsen, en waar Portia zich vermomt als rechtsgeleerde.

De speelvloer suggereert intimiteit, oogt tegelijkertijd als een onherbergzaam landschap van leegte. Wij, de toeschouwers, worden op afstand gezet, via elektronische stemversterking. Het pokerspel (kaarten, fiches, regels die ons tot twee keer toe razendsnel worden uitgelegd), is al begonnen als we binnenkomen, en iedereen neemt eraan deel: de Venetiaanse handelaars, de woekerende jood Shylock, zelfs Portia. De enige die apart is gezet is Shylocks dochter Jessica. Ze zit schuin achter de pokertafel, neemt daar iets door met de knecht van de woekeraar, Lancelot Gobbo. Het lijkt op een tekstrepetitie, voorbereiding op een proefwerk. Als Gobbo en Jessica naar voren komen, hebben ze beiden iets besloten: afscheid. Gobbo van zijn meester, Jessica van haar vader. Ola Mafaalani heeft ervoor gekozen om Jessica te laten spelen door een puberend meisje. Ze staat buiten de handeling, wordt er geleidelijk in gezogen, blijft er nochtans tegenaan kijken. In de laatste minuut van de voorstelling neemt Portia haar apart, belooft haar alles uit te leggen. Niet doen, dacht ik meteen, niet doen!

Adelheid Roosen kijkt op dat moment naar het publiek met een mengeling van zelfverzekerdheid en wanhoop. Jessica (ik kan geen naam noemen, die rol wordt per avond door een andere jonge actrice gedaan) lijkt in één klap van een puber een volwassene geworden. Die twee radeloze vrouwen aan de rand van de speelvloer deden me huiveren. «Zo gaat het vaak, zo hoeft het misschien niet altijd te gaan», vertelt hun gelaatsuitdrukking. Vooral die van Adelheid Roosen.

Haar Portia en de Shylock van Wim Willaert dragen deze voorstelling. Twee buitenstaanders, de ene middels haar onuitvoerbare droom van de liefde, de andere via de nachtmerrie van de haat. In de rechtszaak komen ze tegenover elkaar te staan, de een in het gewaad van de elastieken rechtsregels, de ander in de illusie van een onuitvoerbare vendetta. Een vrouw met kloten tegenover een man der wrake. Als Shylock definitief verloren heeft, raakt Portia even zijn schouders aan. Het is een even emotioneel als radeloos gebaar. De troost voorbij.

Er is één ding dat ik niet snap aan deze voorstelling. Mijn verbazing stuiterde tijdens de eerste scène van het derde bedrijf, bij Shylocks beruchte monoloog, een razende filippica tegen niet alleen Antonio maar tegen de hele antisemitische christenheid: «Hij hoonde me om mijn winst, hij heeft mijn volk bespot, mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden afgepakt en mijn vijanden tegen me opgestookt. En waarom? Omdat ik een jood ben! Heeft een jood geen ogen, geen handen, geen ledematen, geen zintuigen, hartstochten, genegenheden? Wordt een jood niet gevoed door hetzelfde voedsel, gewond door dezelfde wapenen, gekweld door dezelfde kwalen, genezen door dezelfde geneesmiddelen, verkild door dezelfde winter en zomer als een christen?»

«Heeft een jood geen ogen et cetera» wordt hier: «Heeft Shylock geen ogen, et cetera». Waarom deze ingreep? Waarom is de verwijzing naar een volk hier consequent vermeden? Omdat hier geen idealist aan het woord is, niet iemand die spreekt namens een ontwapenend leger van naamlozen? Maar dat weten we al. Shylock is hier een keihard personage, dat absoluut niet in rechtvaardigheid is geïnteresseerd. Ik wil als recensent niet de beterweter uithangen, maar hier moet ik Ola Mafaalani terechtwijzen. Ik leen daartoe de woorden van Martin van Amerongen in zijn beschouwing over Shylock (in De Groene van 16 februari). Shylock, zo betoogt Van Amerongen terecht, schreeuwt hier niet als individu, maar als een zelfbenoemde maar losgeslagen wraakgod van een volk, waar hij de binding nochtans volledig mee kwijt is geraakt. Van Amerongen: «Niet alleen jullie christenen hebben een God. Ook wij joden hebben een God, de god der wrake. Oog om oog, tand om tand!»

Het is een klein smetje op een gedenkwaardige voorstelling.

Koopman van Venetië door Toneelgroep Amsterdam is t/m 9 november overal in Nederland en Vlaanderen te zien. Inlichtingen: 020-5237800, info@toneelgroepamsterdam.nl, www.toneelgroepamsterdam.nl.