‘alles heeft zijn prijs’

‘SCHITTEREND, AL DAT water vlak voor je deur.’ Vanonder zijn capuchon monstert David Landes de huizen langs de Herengracht. ‘Het doet me denken aan mijn jeugd in Seagate. We woonden pal naast de vuurtoren, dus ik ben praktisch opgegroeid op het water. Of liever gezegd erin, want mijn ouders konden geen boot betalen, dus we moesten zwemmen.’

Oud en eerbiedwaardig als hij is - emeritus-hoogleraar economische geschiedenis aan de universiteit van Harvard - heeft Landes altijd iets behouden van het joodse lefgozertje uit Brooklyn, inclusief het knauwende accent en de linke grijns. Begin dit jaar gooide hij een flinke steen in de roerige vijver van de Amerikaanse culture wars met zijn boek The Wealth and Poverty of Nations. De vertaling Arm en rijk verschijnt deze week bij uitgeverij Het Spectrum. Het boek wil een ‘eerste aanzet’ zijn om de westerse wetenschappelijke en economische voorsprong op de rest van de wereld te verklaren, maar gezien Landes’ reputatie is het veel meer dan een aanzet.
Wie Landes zegt, zegt The Unbound Prometheus, het panoramische boek over de industriële revolutie dat hem in 1969 in één klap beroemd maakte. Landes heeft als geen ander aangetoond dat de industriële revolutie echt een revolutie was. Hij behandelde stap voor stap de technische hoogstandjes, wetenschappelijke overwinningen en sociale en politieke vernieuwingen die de industriële doorbraak mogelijk maakten. Hij verdiepte zich in de fabrieksorganisatie, de nuts and bolts van elke minutieuze verbetering in de productie en schreef met nauwverholen bewondering over de uitvinders, wetenschappelijke ketters en ontembare individualisten die het proces voortdreven. Zijn liefde voor het detail leefde hij verder uit in de monografie Revolution in Time (1983) over de uitvinding van het mechanisch uurwerk. In lyrische bewoordingen schetste hij het slingeruurwerk van Constantijn Huygens (1657) als een groter monument voor de Europese beschaving dan de Nachtwacht of de Mona Lisa.
The Wealth and Poverty of Nations is van een andere orde, zoals de knipoog van de titel naar Adam Smith’ beroemde boek al aangeeft. Het is een verklaarde poging tot 'wereldgeschiedenis’. De voorsprong van het Westen vraagt om een nietsontziende analyse, niet in de laatste plaats in het belang van de rest van de mensheid. Rijk en arm groeien uit elkaar, aldus Landes, en de kloof West-Rest vormt de grootste uitdaging van de huidige tijd: 'Tot voor kort was de belangrijkste factor in het proces van vooruitgang de westerse beschaving en haar verbreiding: de kennis, de technieken, de politieke en sociale ideologieën. Deze verbreiding was deels het gevolg van westerse overheersing, deels van pogingen van het Westen zijn kennis door te geven, en deels van imitatie. De verspreiding is ongelijkmatig en een groot deel van het westerse voorbeeld werd verworpen door mensen die het gelijkstellen aan agressie.’
HET BOEK OPENT met een uiteenzetting van de mondiale verschillen in klimaat, bodemgesteldheid, waterhuishouding en besmettelijke ziekten en de gevolgen daarvan voor de productiviteit. De slotsom luidt dat natuurlijke factoren zoals de warme golfstroom Europa gunstiger bedeelden dan de rest van de wereld: 'Het is nooit eerlijk verdeeld geweest op de wereldkaart en alles heeft zijn prijs.’ De doorslaggevende factor - de 'Europese uitzondering’ - was echter de cultuur van openheid, ondernemingszin en vooruitgangsgeloof die in de zeventiende eeuw gestalte kreeg. Die openheid kon ontstaan door de verdeeldheid van de Europese vorstendommen, de opkomst van autonome steden, de afgedwongen scheiding van kerk en staat en de eerbiediging van het recht op particulier eigendom. Elders in de wereld ontstond zo'n cultuur om uiteenlopende redenen niet of - in het geval van Japan - met vertraging.
'Ik beweer niet dat de Europese cultuur superieur is’, zegt Landes op een sofa in zijn hotel. 'Ik ben alleen geïnteresseerd in de materiële aspecten van economische groei, want die kun je meten: productiviteit, inkomen per capita, bevolkingsgroei. De Europeanen werden niet rijker omdat ze betere mensen waren en omgekeerd maakt rijkdom de mensen ook niet deugdzamer - eerder het tegenovergestelde, dunkt me. Maar het belang van ethiek is natuurlijk niet te onderschatten als factor in de schepping van rijkdom. Als mensen elkaar niet kunnen vertrouwen, moeten ze dure voorzorgsmaatregelen treffen en wordt alle groei gedwarsboomd.’
Francis Fukuyama stelt in zijn boek 'Trust’ (1995) dat de mate van wederzijds vertrouwen in een cultuur doorslaggevend is voor het economisch succes van die cultuur.
'Ik ken zijn boek niet, maar in grote lijnen denk ik dat het klopt. Ook al is wederzijds vertrouwen op zichzelf niet voldoende om succes te verklaren, het is wel een essentiële factor in het economisch handelen. Hele branches staan of vallen ermee. In de diamanthandel in New York, die ik van nabij ken, wordt nauwelijks iets op papier gezet. Alles draait om vertrouwen, om het gegeven woord en om vanouds erkende verplichtingen. Mijn definitie van cultuur is breder, maar mijn stelling is niets nieuws. Het verband tussen cultuur en welvaart wordt al sinds de Oudheid gelegd.
Het verrassende is dat die factor de laatste decennia volstrekt is miskend. Dat is voornamelijk te wijten aan de economen, omdat ze niet met het begrip cultuur overweg kunnen. Vertrouwen, gewoonterecht of omgangsvormen kun je niet aansturen, ze lenen zich slecht voor management. Economen spelen graag met de rentevoet, investeringsquota’s of wisselkoersen, alsof alleen die parameters ertoe doen. Je ziet waar dat op uitdraait. In elke samenleving die tegenwoordig in crisis verkeert, staan economen aan het roer. Ik beweer dat allerlei culturele aspecten, die niet zo gemakkelijk beheersbaar zijn, minstens zo belangrijk zijn. Opvoeding, jeugdherinneringen en gewoonten bepalen in hoge mate hoe mensen zich gedragen.
Cultuur is natuurlijk niet onveranderlijk. Geen verstandige Amerikaan zal dat betwisten: ons land is opgebouwd door migranten. Maar cultuur verandert niet zo snel als de rentevoet. Dat is het drama van de emigratie. Elke afstammeling van een emigrant weet dat er een of twee generaties overheen gaan voordat een nieuwe cultuur wortelschiet. Intussen worden mensen verscheurd door de vraag hoeveel van hun oude cultuur ze moeten behouden. Meestal is die tweestrijd productief. Het is waar dat de VS tegenwoordig worden verscheurd door culture wars waarin iedere minderheidsgroep zijn identiteit benadrukt, maar dat kun je zien als een vorm van concurrentie die mensen stimuleert om het beste uit hun culturele achtergrond te halen. Pas als mensen zich opsluiten in een of ander fundamentalisme, is het effect contraproductief. Openheid stelt je in staat te leren van mensen die anders zijn dan jij, te leren wat je nog niet weet. Wie andersdenkenden de rug toekeert, leert niets meer.’
Hardleersheid komt voor de val, zo benadrukt Landes in zijn boek. In de late Middeleeuwen had China zich tot een serieuze concurrent van Europa kunnen ontwikkelen, ware het niet dat de mandarijnenkaste in zelfgenoegzaamheid elk initiatief de kop indrukte. Dat de Chinezen uitzonderlijk inventief waren, bewijst de enorme lijst van vroege Chinese uitvindingen: van het buskruit tot de boekdrukkunst en van de waterklok tot de blaasoven. Ze deden er alleen niets mee. Hun probleem was de ondeelbaarheid van het confucianistische wereldbeeld, waardoor nieuwe ideeën en praktijken een onmiddellijke bedreiging vormden voor het gezag en de orthodoxie. Terwijl Portugezen, Spanjaarden, Britten en Hollanders de zeven zeeën in kaart brachten, was het in China sinds 1551 verboden om met een schip met meer dan één mast zee te kiezen, zelfs voor handelsdoeleinden, want van contacten met niet-Chinezen kwam toch maar narigheid.
Ook de islamitische cultuur stond na een korte bloeiperiode niet meer open voor verandering. De grootste belemmering was de ondergeschikte status van de vrouw, die volgens Landes van de weeromstuit ook de ontwikkeling van jongens en mannen nadelig beïnvloedt. Landes: 'Doorgaans wordt een culturele praktijk achteraf gelegitimeerd door de godsdienst. Maar de man-vrouwverhouding in Arabische landen is ontstaan ruim voor de komst van de islam. Als je de islam van de ene op de andere dag wegdenkt, zal de houding van Arabische mannen jegens vrouwen niet veranderen. Maar de islam leent zich als elke godsdienst gemakkelijk voor misbruik en wordt dus ingezet om de fundamentele ongelijkheid van man en vrouw te verdedigen. Hetzelfde zie je in Latijns-Amerika, waar een minstens zo erg machismo heerst, gesanctioneerd door het katholieke geloof. Daarvoor kun je de bijbel op zichzelf niet verantwoordelijk stellen. Zodra in Arabische landen een verschuiving in de man-vrouwverhouding mogelijk wordt, zullen er geleerden opstaan die zo'n verandering met de koran in de hand legitimeren. Maar de huidige, dominante uitleg van de koran is een enorme rem op de ontwikkeling van alle islamitische landen.’
ALS DE GODSDIENST niet de bepalende factor is, wat dan wel?
'De cultuur! Als je een schaal maakt met aan de ene kant puur machismo en aan de andere kant gelijkheid van de seksen, bevinden Latijns-Amerika en de islamistische landen zich aan het ene uiteinde en Europa aan het andere. En zo is het al heel lang. Islamitische reizigers verbaasden zich er al in de Middeleeuwen over dat vrouwen in Europa zomaar over straat konden lopen, dat ze hier openlijk konden spreken en onderhandelen en soms de lakens uitdeelden.’
Waardoor is dan dat verschil ontstaan?
'Weet ik niet. Daar heb ik domweg geen antwoord op. Maar het hangt in elk geval samen met de houding tegenover werk, vooral onaangenaam werk. In Afrika of het Midden-Oosten doen de vrouwen al het zware, vieze en vernederende werk terwijl de mannen edeler bezigheden hebben zoals jagen, autorijden of onderuithangen in een koffiehuis, zogenaamd om zaken te doen. Ook in Turkije zie je overal de vrouwen werken en de mannen koffie drinken en kaarten. Ik vermoed dat het verschil in de mannelijke houding tegenover vrouwen met het arbeidsethos te maken heeft, maar dat zou ik nader moeten onderzoeken.’
The Wealth and Poverty of Nations wekte meteen na verschijning de woede op van multiculturalisten en cultureel-relativisten. Landes: 'Ik heb thuis een metershoge stapel kritieken waarin ze zich mateloos opwinden over de stelling dat Europa de drijvende kracht achter de moderniteit is geweest. Ze vinden Europeanen, en westerlingen in het algemeen, al arrogant genoeg. Hun streven is om alle culturen op basis van gelijkwaardigheid tot één wereld te smeden en daarin is geen ruimte voor het onderscheid dat ik maak. Collega William McNeill in Toronto, die in 1963 over ditzelfde thema een uitstekend boek schreef, The Rise of the West, maar tegenwoordig als “Asiacentrist” door het leven gaat, noemt mijn hoofdstuk over de Verenigde Staten “triomfalistisch”. Ja, ik bevestig dat Amerika uitzonderlijk succesvol is geweest. De Verenigde Staten zijn steenrijk, of niet soms? Europa en de VS bezaten meer dan andere culturen het vermogen tot innovatie en verandering, klaar uit. Als anderen daaruit afleiden dat ze moreel inferieur zijn, is dat hun probleem.’
Maar u slaat andere culturen hardhandig met hun achterlijkheid om de oren.
'Zo staat het er niet. Maar de gevoeligheid van allerlei groeperingen voor zo'n impliciet waardeoordeel begrijp ik wel. De meest vijandige reacties krijg ik uit islamistische landen die op een glorieus verleden kunnen bogen en het gevoel hebben dat ze op zeker moment door het Westen verraden zijn. En van voormalige koloniale bevolkingsgroepen die vinden dat het Westen rijk is geworden over hun ruggen. Dat is allemaal maar gedeeltelijk waar. Het Europese proces van innovatie in de zeventiende en achttiende eeuw voltrok zich vrijwel onafhankelijk van de inkomsten uit andere delen van de wereld. Bovendien biedt verontwaardiging geen antwoord op de vraag waarom het Westen die andere volken kon uitbuiten. Het gelijkwaardig verklaren van alle culturen verandert niets aan de feiten.’