Toneel: de kinderen van Herakles

Alles in een helder licht

Tijdens de Ruhrtriennale, een nieuw festival onder leiding van Gérard Mortier, ging een voorstelling van de Amerikaanse regisseur Peter Sellars in première, ‹The Children of Herakles›. Deze tragedie van ongeveer 2400 jaar geleden bleek een verrassend moderne vertelling over asielzoekers.

Tegen het eind van de eerste acte in De kinderen van Herakles gebeurt er iets dat van een wonderlijk eenvoudige schoonheid is. De koning van Athene, Demofon, heeft de hoge toon van een arrogante gezant uit Argos weerstaan. De koning wordt gespeeld door een in beige mantelpak gestoken dame met een soevereine uitstraling. Ze verleent de kinderen van Herakles krachtdadig asiel, weigert hen mee te geven aan de gezant van Argos, terwijl die Athene zojuist op hoge toon heeft gechanteerd met een oorlog. De aan een rolstoel gekluisterde voogd van de kinderen van Herakles, Jolaos, dankt Demofon voor de gastvrijheid. Terwijl het koor de vrees uitspreekt voor de komende oorlog, en de oude Jolaos de moed van Demofon prijst, onderhoudt deze dame zich uiterst vriendelijk met de kinderen van Herakles, hier aanvankelijk vier, later acht tekstloze Koerdische asielzoekers uit het Ruhrgebied. De jongens verlaten vervolgens hun met neonlampjes verlichte vierkant rond een altaar, hun bevrijd gebied, en lopen naar het publiek, om ons één voor één de hand te schudden.

Ik kende Euripides’ Herakliden (De kinderen van Herakles) niet, het is ook pas onlangs voor het eerst vertaald (Gerard Koolschijn). Ik las het op weg naar het Ruhrgebied en naar Peter Sellars’ voorstelling van The Children of Herakles, en werd meteen geraakt door de openingszinnen van Jolaos: «Al lang geleden heb ik vastgesteld: de een is/ voor zijn naaste een behoorlijk mens, de ander/ met een hart alleen op winst belust, is waardeloos/ voor het land en in de omgang lastig — maar heel/ goed voor zichzelf. Ik weet het uit ervaring.» Dat simpele handenschudden aan het eind van de eerste acte, gecombineerd met die krachtige eenvoud van de openingszinnen van het stuk, dichtte opeens een kloof van 2400 jaar.

Peter Sellars, in een lezing van enkele jaren terug: «De kunsten vormen een gedemilitariseerde zone. Een tijdelijk bevrijd gebied. Een plaats waar je pijnlijke vragen kunt stellen. We leven in een maatschappij die op een gemene manier alles probeert vrolijk en leuk te houden. Pijn wordt gesmoord in een geforceerde lach. Gelukkig kunnen we via de kunst een enclave creëren. Een gebied waarin publieke rouw en gedeeld verdriet nog tot de mogelijkheden behoren. Waarna we — hardop lachend — begrijpen wát het precies is dat ons verenigt. We zijn kwetsbaar, niet langer belast. We zijn mensen. We hebben de waarden van het humanisme opnieuw ontdekt.»

Na het voltooien van zijn twaalf grote werken sterft halfgod Herakles (Hercules), en zijn kinderen worden door koning Eurystheus van Argos in ballingschap verdreven. Ieder land dat de kinderen asiel wil verleden, krijgt een oorlogsdreiging van Eurystheus. Alleen Athene houdt vol. Nadat de Atheense koning Demofon alle orakels en voorspellers heeft geraadpleegd met betrekking tot de afloop van een veldslag met Eurystheus, blijkt er één overeenkomstige eis te zijn: de oorlog kan voor Athene alleen maar goed aflopen als er een maagd van adellijke geboorte wordt geofferd. Een dochter van Herakles biedt zich vrijwillig aan. De oorlog wordt vervolgens in het voordeel van Athene beslist, Eurystheus wordt als krijgsgevangene opgebracht in de oranje overall van al-Qaeda-gevangenen op Cuba. Alkmene, de moeder van Heracles, de grootmoeder dus van de asielzoekende kinderen, wil hem doden. De Atheners maken tegen deze bloedwraak bezwaar, Eurystheus zelf niet — hij voorspelt alleen dat hij vanuit zijn graf een lange oorlog tussen Athene en Sparta zal aanvuren. Euripides’ stuk werd geschreven kort na het begin van de Peloponnesische Oorlog tussen Athene en Sparta, die duurde van 431 tot 404 en waarbij de hele Griekse wereld was betrokken.

De avond duurt lang en krijgt de vorm van een soort symposium, waarvoor een gepaste ruimte is uitgezocht: een grote aula («Lichthof») in een protserig bouwwerk (eind jaren twintig vorige eeuw) met veel balkonnetjes en een oogverblindend lelijke kleurenschakering — CDU-congressen in de jaren vijftig, dat soort ergs bedacht ik bij deze ruimte. Locatie: Bottrop, nabij Essen, ook geen oord waar je hart sneller van gaat kloppen. Iedere avond is er eerst een gastspreker — vanavond spreekt Triennale-directeur Mortier zelf, middels een tekst van de Palestijnse, in ballingschap levende auteur Edward Said, over de kern van het begrip Exil. Daarna spreekt een Koerdische vluchteling uit Bottrop over een land dat niet bestaat en een taal die hem en de zijnen is afgenomen. Na een korte pauze begint de voorstelling, daarna is er een Koerdisch buffet, waarna elke avond een andere documentaire over het onderwerp op groot scherm wordt vertoond. Sellars’ humanisme is dwingend maar niet belerend, de taal in zijn enclave is een niet louter esthetische maar zeker ook politieke taal — we verwerven via en rondom Euripides inzichten over de rauwe werkelijkheid buiten deze Lichthof.

Tegenover de tribune is een eenvoudig, licht oplopend podium geplaatst. Overal microfoons, rechts een verhoging waarop de Kaukasische zangeres Ulzhan Baibussynova plaatsneemt, in felrood kostuum uit haar streek, compleet met een muts met een parmantig pluimpje. Zichzelf begeleidend op een langwerpig snaarinstrument doorsnijdt zij Euripides’ tragedie met folkloristisch gezang, een curieus mengsel van heroïek met opgeheven hoofd en klaagliederen. Om haar «altaar» heen hangt vlak boven de vloer een vierkant van neonverlichting — de afrastering van de tempel, de vrijplaats waar de asielzoekende kinderen zich hebben teruggetrokken. De spreektaal van de protagonisten is Engels, de teksten van het koor (oude mannen uit Marathon) worden gesproken door twee Duitse acteurs die in het publiek hebben plaatsgenomen.

Het begin van de voorstelling heeft enerzijds het formele karakter van harde onderhandelingen tussen dames met haar op de tanden (ook de gezant van Eurystheus wordt door een vrouw gespeeld), anderzijds de toon van waardig pathos, waarbij emotie en verontwaardiging worden aangebracht door de voogd Jolaos, een prachtrol van Uliks Fehmiu, een acteur die er schijnbaar moeiteloos voor zorgt dat iedere komma van de tekst bij het publiek aankomt. Echt zinderen doet de voorstelling als de Atheense koning in problemen komt door de goddelijke eis van het maagdenoffer. Demofons politiek correcte houding (asielzoekers worden hier niet weggestuurd) begint te wankelen. De koning wordt gered door een van de asielzoekers zelf, Herakles’ dochter Makaria. In de Griekse tragedie, ook bij de voortdurend experimenterende Euripides, vonden dergelijke offers buiten beeld plaats, een bode kwam na afloop vertellen hoe en wat.

Sellars laat het offeren van Makaria zien. Midden in het, op het ritme van een rapsong vertelde verhaal over de veldslag tussen Athene en Argos wordt het offer waarmee Athene de goden gunstig stemde, getoond als een rituele slachting, een keelsnoerend prachtig beeld. Het lichaam van Makaria (Julyana Soelistyo) wordt na de offerdood opzij van het altaar gebracht, waarna de andere dochters van Herakles haar uit de lijkenzak halen en de actrice helpen omkleden tot de gesluierde grootmoeder-der-wrake, Herakles’ moeder Alkmene.

Het zijn zulke momenten waarop Peter Sellars iets lukt wat je maar zelden ziet: zonder opgelegd pandoer of geforceerde ingrepen een brug slaan tussen de actuele zeggingskracht van een tekst die 2400 jaar geleden werd geschreven, en de zwaartekracht van de Griekse mythologie met haar eindeloos lijkende bloedsporen. En alles in een helder licht — letterlijk: de belichting streeft naar helderheid, mikt niet op effect, zelden zo’n afwezig/aanwezig theaterlicht gezien; maar ook overdrachtelijk: hier is een tekst herlezen met als enig doel ons inzicht te verschaffen in existentiële vraagstukken waarvoor we onze ogen niet meer kunnen sluiten.

Het is te hopen dat de coalitie van Nederlandse schouwburgen, die meer buitenlands theater naar Nederland wil brengen, erin zal slagen deze voorstelling naar hier te halen, misschien in co-productie met het Holland Festival. The Children of Herakles biedt immers een zeldzaam wordende vorm van toneel, waarin mokerslagen van schoonheid worden uitgedeeld met een geniale eenvoud.

inlichtingen: www.ruhrtriennale.de