‘alles is bedrog’

Giacomo Leopardi, Gedachten. Uit het Italiaans vertaald door Frans van Dooren, Arbeiderspers Prive-domein, 150 blz., f29,90
‘DE MENS IS praktisch altijd in die mate slecht als het in zijn kraam te pas komt. Als hij zich rechtmatig gedraagt, kan men concluderen dat slecht zijn niet noodzakelijk voor hem is. Ik heb uiterst vriendelijke en doodonschuldige mensen de meest wrede dingen zien doen om te ontkomen aan een ernstig verlies dat op een andere manier niet te vermijden was.’

Deze zwartgallige uitspraak over de menselijke natuur is een van de laatste van de honderdenelf ‘gedachten’ die door de Italiaanse dichter en denker Giacomo Leopardi (1798-1837) werden neergeschreven. De Pensieri bleven helaas onvoltooid. De schrijver was toen al geestelijk en fysiek uitgeput van de ziekten waarmee hij af te rekenen had: chronische tuberculose, astma, storingen in de bloedsomloop, neurasthenie, psoriasis en oftalmie.
Toen hij op 14 juni 1837 stierf, was Giacomo Leopardi net geen negenendertig jaar. Zelf heeft hij altijd ontkend dat de melancholieke toon van zijn geschriften en gedichten te maken had met de ellendige omstandigheden waarmee hij heel zijn leven werd geconfronteerd. Het begon al thuis in het plaatsje Recanati, waar hij opgroeide onder de knoet van een autoritaire vader, een dogmatische katholiek, en een kwezelachtige, gevoelloze moeder die er niet voor terugschrok om haar kinderen tijdens het eten vast te binden. Het is dan ook een opluchting Leopardi in zijn Gedachten radicaal voor de jeugd te zien kiezen, en tegen de methoden van opvoeders en ouderen die zich alleen maar inspannen om de jongeren te beroven van het (korte) plezier om jong te zijn. Maar zelfs van het genot dat de jeugd oplevert, worden we ons alleen bewust als die al achter de rug is, omdat een jong mens ofwel leeft zonder een duidelijk doel voor ogen, ofwel omdat hij zijn jeugd besteedt 'aan het verkrijgen van genietingen voor dat deel van zijn leven waarin hij niet meer tot genieten in staat zal zijn’.
Behalve door een ongelukkige jeugd en ziekten, werd Leopardi ook geplaagd door financiele zorgen. Om ze van zich af te schudden, zou hij zelfs een ogenblik overwogen hebben om priester te worden. In de liefde was zijn gesternte al even ongunstig. Van alle vrouwen op wie hij verliefd werd, was er geen enkele die op zijn avances inging. Toen aan Fanny Tozetti Targioni, op wie Leopardi stapel was geweest, vele jaren na de dood van de schrijver gevraagd werd waarom ze niet in staat was geweest om zijn liefde te beantwoorden, gaf ze aan de interviewster als reden op: 'Och lief meisje, hij stonk zo.’
Van kommer en kwel was Leopardi’s leven op den duur zozeer verzadigd, dat hij begon te smeken om toch maar dood te mogen gaan. Men kan zich voorstellen dat het niet leuk was om met zo'n getergde man te moeten omgaan, maar in zijn Tagebucher wordt dat vermoeden door de jonge Duitse dichter August von Platen, die Leopardi’s vriend was, weerlegd: 'Hij is klein en gebo cheld en op zijn bleke gezicht tekent zich het lijden af. Zijn toch al slechte lichamelijke toestand maakt hij nog slechter door de manier waarop hij leeft, want hij maakt van de dag de nacht en omgekeerd. Door zijn zwakke zenuwgestel is hij niet tot hard werken in staat en men kan zich dan ook nauwelijks een ongelukkiger leven voorstellen dan het zijne. Maar als men hem meer van nabij leert kennen, verdwijnt alles wat zijn uiterlijk aan onaantrekkelijks heeft, en door zijn fijnzinnige klassieke vorming en zijn hartelijkheid neemt hij je geheel voor zich in.’
HEEL HET universum is een komplot tegen de mensheid, de mensen zelf zijn een gevaar voor elkaar, de mannen niet minder dan de vrouwen, en wie de gelegenheid krijgt om een ander een loer te draaien, wacht daar niet mee. Dat is, grofweg, het beeld dat Leopardi van de wereld ophangt en dat later zoveel indruk maakt op de Duitser Schopenhauer, die andere expert in de wanhoop.
Alles is bedrog, te beginnen met de natuur: 'De natuur zelf is een bedrog ten opzichte van de mens omdat zij het leven alleen maar aangenaam en draaglijk voor hem maakt door middel van vooral inbeelding en misleiding.’ Dat uitgangspunt maakt Leopardi tot een moderne socioloog en psycholoog die lucide en briljante opmerkingen maakt over zo uiteenlopende onderwerpen als de geschiedenis, de opvoeding, de vriendschap, de betekenis van de lach en de waardering, de verveling, het ouder worden, eenzaamheid en dood, roddel en afgunst, verwaandheid en bescheidenheid, ervaring, roem en domheid, geluk en tegenspoed. De Gedachten zijn precies, scherp en genuanceerd. Ze zijn ook het resultaat van een nauwkeurige observatie van het menselijk gedrag in diverse omgevingen.
Kostelijk zijn Leopardi’s beschouwingen over het fenomeen van de lach. Wie zich in een gezelschap uitgesloten voelt en daarin graag verandering zou brengen, hoeft alleen maar een persoon te vinden die bereid is om samen met hem te lachen en de rollen worden meteen omgekeerd, want de anderen, die zopas nog een gesloten groep vormden, zullen op de lachers afgaan 'en hun best doen om in hun gezelschap te worden opgenomen om mee te kunnen lachen’. Leopardi sluit deze gedachte af met de opmerking: 'Het lachen oefent op de mensen een grote, schrikwekkende invloed uit waartegen niemand innerlijk ook maar enigszins bestand is. Wie de moed heeft om te lachen, beheerst de wereld ongeveer op dezelfde manier als iemand die bereid is te sterven.’
Aardig is de gedachte dat de mensen minder lachwekkend zouden zijn indien ze zich niet zo zouden uitsloven om hun gebreken te verbergen: 'In het algemeen gesproken bederft het verlangen om te zijn wat men niet is alles op de wereld. Het is de enige reden waarom vrij veel personen die zeer beminnelijk zouden zijn als ze maar tevreden zouden zijn met hun eigenlijke aard, onuitstaanbaar worden. En niet alleen personen, maar ook gezelschappen en zelfs hele bevolkingen.’ Soms wordt het uitgesproken komisch, bijvoorbeeld waar Leopardi een uitvoerige beschouwing wijdt aan de afkeurenswaardige gewoonte van sommige schrijvers om hun omgeving met voorlezingen uit eigen werk te terroriseren: 'Want hoewel iedere schrijver zich ervan bewust is hoe ontzettend vervelend altijd het aanhoren van andermans zaken is en ziet hoe degenen die worden uitgenodigd om naar zijn produkten te komen luisteren, schrikken en verbleken, allerlei smoesjes aanvoeren om zich te verontschuldigen en zelfs van hem wegvluchten en zich zoveel mogelijk schuilhouden, toch zoekt en achtervolgt hij met een onbewogen uiterlijk en een bewonderenswaardig doorzettingsvermogen als een hongerige beer zijn prooi door heel de stad. En zodra hij deze te pakken heeft, sleept hij hem naar de plaats die hij daarvoor bestemd heeft.’
IN ZIJN LEERRIJKE en omvangrijke nawoord wijst vertaler Frans van Dooren erop dat Leopardi overtuigd is van de absolute zinloosheid van het bestaan, wat hem niet belette zeer hard te werken aan zijn literaire roem. Hij heeft geen last van valse bescheidenheid en weet vroeg wat hij wil. Al op zijn negentiende schrijft hij aan zijn goede vriend Pietro Giordani: 'Ik wil niet leven onder de grote massa, want middelmatigheid maakt mij doodsbang. Maar ik wil me boven de rest verheffen en me zelf door mijn verstand en studie groot maken om zodoende eeuwig in de herinnering van de mensen te blijven voortleven.’ Hij besteedt een onvoorstelbare zorg aan zijn teksten. Zelfs het kortste gedicht krijgt hij in minder dan twee of drie weken niet klaar. Van de hymne Ai Patriarchi werden 1200 varianten beproefd voordat het gedicht zijn definitieve vorm kreeg. Samen met de Zibaldone, zijn dagboek, en de Operette Morali, dat ook een werk met beschouwingen is, behoren de Pensieri tot de hoogtepunten van Leopardi’s proza. Heel zijn oeuvre, ook zijn schitterende poezie (Canti) is doordrenkt van zijn romantische melancholie die het geloof in de onbeperkte vooruitgang of in de opbouw van een ideale samenleving bitter verwerpt.
In een andere brief aan Giordani zegt Leopardi het onomwonden: 'Ik vraag me in alle bescheidenheid af of het wel mogelijk is het geluk van de volkeren tot stand te brengen zonder het geluk van het individu, dat immers van nature - en niet door de mensen of het toeval - tot het ongeluk veroordeeld is. En juist om dit ongeluk wat te verlichten geloof ik bovenal in de waarde van de schoonheid, het gevoel, de verbeelding en de illusie.’
Bijna heel het oeuvre van Leopardi staat in het teken van de schoonheid en de waarheid, de verheerlijking van de memoria (de herinnering) en de speranza (de hoop). En soms doet het deugd te kunnen vaststellen dat het leven ook weleens milder kan zijn dan Leopardi het in het algemeen voorstelt. In Leopardi’s Pensieri staat dat je eerder iemand vindt die voor een vreemde zijn eigen leven op het spel zet dan iemand die voor zijn vriend een cent riskeert, laat staan uitgeeft.
Leopardi’s eigen ervaring was een andere. Een zekere Antonio Ranieri, die niet onbemiddeld was, was zo aangedaan door de armoede van Leopardi dat hij besloot zijn inkomsten met de schrijver te delen. Het betekende het begin van een hechte vriendschap waaraan pas zeven jaar later door de dood van de dichter een einde zou komen.